16 april 2013

Uitzicht genoeg – Marjoleine de Vos

‘Het echte feest is altijd nu’

Recensie door Joost van der Vleuten


De nieuwe bundel van Marjoleine de Vos begint in het heldere lege landschap van Groningen en eindigt in het oude Griekenland. Het gaat over leven – willen leven – in het hier en nu. Maar ook over verlangen naar meer, verder en hoger, en melancholie en wanhoop om het voorbijgaan en het uitblijven. Maar de regels klinken helder en de toon blijft kordaat.
De Vos schrijft toegankelijke en herkenbare poëzie, die soms doet denken aan Chris J. van Geel, soms verwijst naar Martinus Nijhoff, maar vooral doet denken aan Rutger Kopland – tot in de titel aan toe. De Vos is lichtvoetiger, minder mijmerig, en verrassender. In ´Lente in Groningen´, poot ze de Noordelijke kleivlakte pardoes op vrijersvoeten:

Onhandig en verliefd spruit oude grond

ineens het teerste groen, wil zoenen,

zoenen, ja!’

 

En twee gedichten verderop wenst de ik ineens een valappel te zijn:

Mijzelf maakt het niet uit

of ik als taart dan wel verrot in ’t gras.

Alleen dat ik dat was, die gave jonge blos

zo kogelrond, vol sap – en dan het steeltje los.’

 

Zo gaat het wel vaker: een natuurbeeld duidt ´iets´ aan en wordt dan omgebogen naar een zelfbeeld. In ‘Spreeuw’ klapt de vogel aanvankelijk enthousiast in zijn vleugels vanwege de komst van de lente, maar dan volgt een drastische wending: ‘Nu ik. Een spreeuw / die uit het nieuwe nest naar buiten kijkt en zucht. / Om liefde. Om lucht.’

Het onbevangen omhelzen van het hier en nu botst onherroepelijk met het verstrijken van de tijd en het onvermogen om terug te keren waar je wilde blijven. Pogingen om de spanning op te heffen leiden tot zelfvermaan. ‘De tijd is onze vijand niet’, luidt bij voorbeeld de conclusie van een gedicht uit de reeks ‘Heimwee naar de toekomst’. En dichten (en gedichten lezen) kan helpen het hier en nu te omhelzen:

’t echte feest is altijd nu, als je kersverse

woorden vindt die steeds voor ’t eerst

je openen voor dit moment waarin

de tijd zich toont, bewoond door alles

Wat niet blijven kan.

 

God onder de grond
De gedichten van De Vos zijn arcadisch: de natuur en het platteland zijn bronnen van vitaliteit, wedergeboorte, verwondering en inspiratie. Doorstroomd van welbehagen, zoals ze ergens zegt. Grootstedelijkheid en motorgeronk krijgen niet de kans om die pastorale dimensie te verstoren. Die wordt van binnenuit bedreigd. Zo is daar ‘op zolder / achter beschot, rukkend met scherpe tanden / het onzichtbaar knaagdier’ dat werd aangelokt door lokvoer voor de vogels. In ´Aan het licht´ schiet een geheim ineens  te voorschijn en ‘maakt gehakt van redelijk en juist.´ In ‘Aanzie de vogels’ zit een meesje lekker op een vetbol, maar verzuimt de mens te aanbidden die hem zijn pinda’s schenkt. Het krijgt te horen dat het ‘op de pof’ leeft, en nog spijt zal krijgen van dat ´grondeloos opgaan in het heden.´ Nog ongemakkelijker wordt het in ´We zijn vrij´ met de openingsregel ´Onder de grond woont onze god´. God is weggestopt, en we denken dat we vrij zijn, maar hij leeft nog, steelt onze gedachten en bestiert ons leven. Zelfs dood, ´als een prop in de afvoer´ zit hij er nog en blokkeert wat vrij wil stromen. Zo bezien wordt ´leven in het nu´ een opgave die de mens zich stelt, omdat er geen god meer is die uitzicht biedt op een vorm van eeuwigheid. Dat ‘Uitzicht genoeg’  is minder triomfantelijk dan het lijkt. ´Nu eeuwig niet bestaat, is uitzicht al genoeg´ klinkt het in ´Spreeuw´.

Sumerische uitsmijter
De laatste afdeling ´Ik laat ons wegvaren´ roept onder meer de oude zwerftochten van Odysseus en Aeneas op, en geeft een stem aan de vrouwen die naar hen verlangden: Penelope en Dido. Gedichten over terugkeer naar een huis dat nooit meer hetzelfde is, of afscheid en vertrek om een nieuw vaderland te vinden. Het laatste gedicht van de bundel daalt nog dieper af in de cultuurgeschiedenis. Het is een fragment in de stijl van het vierduizend jaar oude Sumerische Gilgamesj-epos, in de vorm van een tweespraak over de vraag of je een nieuwe levensgezel mag nemen als je grote liefde is gestorven. Ja dus. Als iemand echt van je houdt zal hij of zij je dat gunnen, en het zelfs van je verlangen. Leven in het nu wordt begrenst door de onvermijdelijke dood. Of – andere mogelijkheid – liefde ‘nu’ vereist dat je eigen en andermans sterfelijkheid onder ogen ziet. Hoe houd je zo´n thema heden ten dage vrij van kitsch en geronk? Bij voorbeeld door een stokoude vorm en toon te kiezen en daar ironieloos aan toe te geven:

De dood wachtte op hen,

op ieder van hen wachtte de dood, maar zij waren één.

De liefde van Indroe en Gilgamesj was groter dan de dood.

 

Gedichten over hoe te leven, waar vind je ze nog? Hier en nu, bij Marjoleine de Vos. Helder, toegankelijk, beeldend en raak. Lezen dus!

 

Uitzicht genoeg

Auteur:  Marjoleine de Vos
Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot, 2013,
Aantal pagina’s: 58
Prijs: € 14,50

Uitzicht genoeg
Marjoleine de Vos
ISBN: 9789028250079

Meer van Joost van der Vleuten:

1 september 2016

Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

Over 'Parijs is een feest' van Ernest Hemingway
7 juli 2016

Rennen voor je bestaan

Over 'Zonder land' van Lawrence Hill
27 mei 2016

Onder vuur genomen door zijn eigen mensen

Over 'Het laatste vaarwel' van Robert Haasnoot

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

Over 'Het groeit! Het leeft!' van Marjolijn van Heemstra
18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

Over 'Ovale dakraam' van Pierre Reverdy
15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Over 'Syfilis, of de Franse ziekte' van Girolamo Fracastoro
14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Over 'Wraak' van Andelko Vuletic

Verwant

16 april 2013

Papieren monument voor een kortebaanstilist

Over 'Gedundrukt ' van Marjoleine de Vos