5 mei 2017

Twee minuten

Door Inge Meijer

Lang dacht ik de oorlog te hebben meegemaakt. Ik had er in ieder geval een voorstelling van hoe het was geweest. Dat kon natuurlijk niet want de oorlog was al meer dan tien jaar afgelopen toen ik werd geboren. Toch had ik er een soort van herinnering aan. Dat komt, denk ik, door de eerste 4 mei herdenking waar ik bij mocht zijn. Ik was acht jaar, wist niet wat er herdacht werd, waarvoor we stil moesten zijn en hoelang twee minuten duurden. In plaats van na het eten gelijk naar bed mocht ik in de keuken helpen waar twee van mijn broers en mijn twee jaar oudere zus de afwas deden, onderwijl luidkeels en snerpend Big girls don’t cry zingend. Tot mijn vader riep waarom ze in godsnaam zo luidruchtig moesten zijn. Alsof deze dag te belangwekkend was om iets mee te mogen doen. Een dag waar stilte in minuten werd afgemeten en een ontzagwekkend gewicht droeg. Over de oorlog had ik mijn ouders nooit gehoord, van doden wist ik niets.

Ik vroeg mijn zus terwijl ze de afgedroogde pannen in het aanrechtkastje zette, waarom we dat moesten; stil zijn.
‘Nou, gewoon’, zei ze, ‘iedereen doet dat’.
‘En hoelang duurt het dan?’, vroeg ik.
‘Heel lang’, zei ze, opende een kastdeurtje, hing haar natte theedoek erover en sloot het deurtje weer.
‘Hoelang dan. Een uur?’, drong ik aan.
‘Ja, zo ongeveer’, zei ze.
‘Mag je dan helemaal niets zeggen?’, riep ik.
‘Nee, doodstil moet je zijn.’
‘Als ik moet niezen, mag dat wel?’
‘Nee.’ zei ze.
‘Maar als ik dan moet plassen?’
‘Nee’, zei ze.
‘Mag je helemaal niets, ook niet als je haren in je gezicht kriebelen?’
‘Nee, helemaal niets.’

In de kleine woonkamer zaten mijn vader en moeder op hun plek, aan weerszijden van de kachel. Op de kachel een vaas met seringen die mijn moeder uit de tuin had geplukt. Ik ging zitten op het gestoffeerde haardbankje en schoof mijn handen onder mijn bovenbenen. Mijn voeten kwamen net aan de grond. Ik dacht aan wat mijn zus op mijn laatste vraag – dat als je wel geluid maakt, wat er dan zou gebeuren – had geantwoord toen we van de keuken naar de kamer liepen: ‘Dan…’, ze aarzelde even om razendsnel te vervolgen: ‘ontploft er een bom.’ Terwijl ik daar op dat haardbankje zat, in die onbegrijpelijke stilte, voelde ik de oorlog zo dichtbij, dat ik die – als ik mijn hand zou uitsteken – zou kunnen aanraken.

Later, door het lezen van Reis door de nacht, Het bittere kruid, en weer later Is dit een mens van Primo Levi, wist ik van het stille verzet, de machteloze onderdrukking; wist ik van de doden. Het was door te lezen over die oorlogsperiode, dat de geschiedenissen, de sfeer uit die boeken, zich samenvoegden met mijn herinnering van mijn eerste 4 mei herdenking in die kleine woonkamer. Steeds weer herdenken en herbeleven tot het je eigen wordt.

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 mei 2007

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

Wie had ooit gedacht dat deze aanlokkende openingsalinea door ons eigen Peter Brusse werd opgeschreven? Brusse, bij het grote publiek voornamelijk bekend als voormalig buitenlands correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal in Londen maakt met het vlindernet zijn debuut als romanschrijver.

Lees meer