9 februari 2017

Twee huizen

Door Rob van Dam

We fietsten langs de IJssel en hadden wind mee. Voor we het wisten kwam Zutphen in zicht. ‘Zullen we meteen maar langs Eefde rijden’, stelde mijn metgezel voor. Eefde, daar heeft Ida Gerhardt gewoond. Van geen dichter of dichteres ken ik meer gedichten uit mijn hoofd. Hoogste tijd voor een literaire pelgrimage.
Thuis hadden we alvast het adres opgezocht in Dwars tegen de keer, Mieke Koenens mooie biografie van de dichteres. In 1967 verhuisde Ida, samen met Marie van der Zeyde, haar levenslange partner, van Bilthoven naar Zutphenseweg 120, Eefde. Ze was 62 en net met pensioen, afgekeurd eigenlijk.
We zagen het huis en maakten foto’s. In Engeland zou er een gedenkplaat hebben gehangen.

De vriendinnen hadden in Bilthoven een ruim huis bewoond maar nu moesten ze ‘concessies doen’. Voor 53.000 gulden kochten ze dit huis aan een drukke rijweg met een bushalte vlakbij en als buren ‘een druk gezin, met veel gerij af en aan (…) en veel geroezemoes van de drie jongens.’ Maar het was een vrijstaand huis, met tuin rondom, dicht bij Zutphen en Deventer en vooral dichtbij de IJssel en haar uiterwaarden. Er waren bossen vlakbij om te wandelen en te vogelen. Een ‘burgerhuisje’, aldus Ida, waar veel aan moest worden opgeknapt. Niet dat Ida en Marie veel eisen stelden: het huis ‘werd uiterst sober en spaarzaam gemeubileerd’ en ‘een blind paard kon er absoluut geen kwaad  doen’, aldus de biografe.

Het huis heeft aardige luiken en in de achtertuin staat een uitbouw die nieuw lijkt. De tuin is erg open, met een laag muurtje langs het trottoir. Ooit lieten Ida en Marie de heg die daar stond ‘enorm uitdijen, waardoor verkeer op de Teenkweg (…) geen goed uitzicht meer had.’ Er kwam een ongeluk van en de heg werd gesnoeid. Er staat een mooi boompje dat er vast al stond in Ida’s tijd. Ik raapte een verkleurd blaadje op om mee naar huis te nemen.

Het was een markant koppel waar de buren mee te maken kregen. ‘Ze vielen nogal uit de toon door hun vergeestelijkte levenswijze en raakten snel geïrriteerd door muziekmakende of rondlummelende buurjongens. Zo nu en dan waren ze verwikkeld in ruzietjes (…)’.
Ze hadden het er niet slecht: veel omwonenden waren behulpzaam en hielden zo nodig een oogje in het zeil, bijvoorbeeld als Ida en Marie de zomer in Ierland doorbrachten. Met Oudjaar brachten buren ‘een royale portie appelbeignets en kinderen kwamen een mandarijntje halen: een dorps en huiselijk geheel’, aldus Ida.

Hier heeft het paar hopelijk de idylle genoten die Ida beschrijft in ‘Zondagmorgen’ (een gedicht overigens van nog voor de verhuizing):

Het licht begint te wandelen door het huis
en raakt de dingen aan. Wij eten
ons vroege brood gedoopt in zon.

Tot augustus 1992 – Marie was in 1990 gestorven – bleef Ida hier wonen. De laatste jaren waren buitengewoon zwaar doordat ze lichamelijk en geestelijk aftakelde. Eenzaam en vrijwel blind; wanen en hallucinaties; ‘aanvallen van paranoia en zelfs psychoses’. Ze was altijd al een moeilijke, argwanende en soms agressieve vrouw geweest. Ze verhuisde naar een verpleeghuis. Haar werk was gedaan.

In de Eefdese periode verschenen onder meer De ravenveer, Vijf vuurstenen,  Het sterreschip, De zomen van het licht en De adelaarsvarens. Haar vroege bundels werden samengebracht in Vroege verzen en haar Verzamelde verzen verschenen. Haar faam groeide en de waardering voor haar werk steeg meer en meer. Ze verdiende de Nobelprijs, aldus Hans Warren.

Als schutterige bewonderaars stonden we daar op de stoep. Zo’n tweemans-herdenking heeft iets onbeholpens, want je kunt moeilijk bloemen leggen bij een huis waar inmiddels iemand anders woont.

Vanuit dit huis schonken Ida en Marie, gezamenlijk dit keer (Marie had zelf ook het nodige gepubliceerd, onder meer twee hagiografische studies over haar vriendin) iets heel bijzonders aan de Nederlandse literatuur. In 1972 verscheen, onder auspiciën van zowel het protestantse Nederlands Bijbelgenootschap als de Katholieke Bijbelstichting, hun psalmvertaling. Marie en Ida hadden er sinds 1966 aan gewerkt. Ida had er Hebreeuws voor geleerd. De eerste tien proeven van hun vertaalwerk verschenen in 1967, het jaar van de verhuizing, in het literaire tijdschrift Maatstaf.

Dat de psalmen Ida Gerhardt dierbaar waren, lijkt me niet alleen een kwestie van vroomheid en dichterlijke bewondering. Veel psalmteksten zijn klachten en verzuchtingen, tirades tegen vijanden, uitingen van wraakzucht aan het adres van ‘bozen’, ‘spotters’, ‘belagers’, ‘schenders’, ‘vervolgers’, ‘haters’, ‘verstoorders’, ‘kwellers’, ‘ontrouw volk’ dan wel ‘slinksen’. Dat is een toon die ze moet hebben herkend als de hare. De psalmen waren haar op het lijf geschreven, arme vrouw.

De volgende psalmverzen, drie uit ontelbaar vele, sluiten volkomen aan bij Ida Gerhardts geharnaste houding tegenover haar medemens, zoals we die ook in talloze gedichten tegenkomen en waarvan de biografie voorbeelden geeft die bar en boos zijn.

Heer, mijn belagers – hoè talloos,
talloos, gekant tegen mij (psalm 3)

Hoe hébben ze mij van mijn jeugd af bekneld,
maar ze hielden géén macht over mij (psalm 129)

Hoe smadelijk verslagen weldra
mijn vijanden alle tesamen (psalm 6)

Vanaf het begin waren er bezwaren tegen het archaïsche en ‘statige’ Nederlands. Maar bewondering, lof en blijdschap waren er veel meer. Het werd een komen en gaan van geleerden en  bewonderaars daar aan de Zutphense Weg 120, onder wie theologen, hebraïci en bijbelspecialisten en ook Kees Fens en Huub Oosterhuis, beiden al spoedig pleitbezorger van opname van hun vertaling in de op stapel staande nieuwe Willibrordvertaling. En dat gebeurde ook. (Later werden ze tot Ida’s tomeloze woede vervangen). Ze heeft naderhand nog heel wat truitjes gebreid voor de kleine Trijntje.

En er gebeurde nog iets. In de jaren na het Tweede Vaticaanse Concilie werd er gewerkt aan een ‘Nederlandstalig getijdengebed’. Een werkgroep van benedictijnen en trappisten had deze taak op zich genomen. Ze wilden de vertalingen van Huub Oosterhuis gebruiken, maar dat waren er slechts 50 en hij kondigde aan de klus niet te zullen afmaken. De monniken benaderden nu Ida en Marie. Die waren verrukt over deze belangstelling. Ze logeerden al sinds jaar en dag regelmatig in kloosters. Natuurlijk was er meteen ook argwaan: ‘Mogen wij u dringend verzoeken om de reeds gekopieerde (…) psalmen in geen geval uit handen te geven (…)? Men weet immers nooit, langs welke wegen een tekst dan kan gaan, en wat er allengs mee kan gebeuren.’

Alle 150 psalmvertalingen werden uiteindelijk door de componisten van de werkgroep op muziek gezet. Mocht u eens in de gelegenheid zijn een gebedsdienst bij te wonen in een klooster waar deze vertaling in gebruik is, dan zult u getuige zijn van de triomf van deze twee uitzonderlijke vrouwen, Ida en Marie. Dag in dag uit, meerdere malen per dag, worden daar hún psalmen gezongen. Allemaal. Jaar in jaar uit. Inmiddels alweer enkele decennia achtereen.

We moesten verder. Zutphen lokte. We wilden voor de bui thuis zijn en het werd tijd voor borrels en bitterballen. In gedachten declameerde ik de beginregels van een van haar allermooiste gedichten, Onder de Brandaris:

Dit is het huis genaamd de duizend vrezen.
Hij die er slapen wil hij zal er waken.

Haar leven lang ervoer Ida Gerhardt het aardse bestaan als een ‘huis van duizend vrezen’. Telkens weer voelde ze zich genoodzaakt de strijd aan te binden met kwaadwilligheid, tegenwerking en miskenning. Ze kon een lastpost en een rare snijboon zijn en ze was de grootste Nederlandse dichter van de vorige eeuw. Dit jaar, op 15 augustus, is het twintig jaar geleden dat ze stierf.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer