5 juni 2017

ik hier jij daar – Ghayth Almadhoun ; Anne Vegter

Tegenstemmige poëzie als een oorlogswond

Recensie door Hettie Marzak

Van Harry Mulisch is de uitspraak: ‘Ik heb de oorlog niet zozeer ‘meegemaakt’, ik bén de Tweede Wereldoorlog.’ Het is meer dan zeventig jaar geleden sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en het aantal mensen dat zich achter deze uitspraak kan scharen, wordt steeds kleiner. Met een beetje geluk wordt de generatie babyboomers de eerste die geen oorlog heeft gekend. Dat is te zeggen: niet aan den lijve. Maar via de media wordt dagelijks verslag gedaan van de oorlogen die elders in de wereld woeden en zo komt het oorlogsgeweld ons toch wel heel nader. Of dat voldoende is om ons te kunnen identificeren met de slachtoffers daarvan is de vraag die opgeworpen wordt in de bundel ik hier jij daar van Ghayath Almadhoun en Anne Vegter.

 

Verontschuldiging oorlogsbeelden
Het eerste gedeelte bevat gedichten van Ghayath Almadhoun (1979), geboren in een Palestijns vluchtelingenkamp in Damascus, vader Palestijns, moeder Syrisch. Hij studeerde Arabische literatuur en was werkzaam als cultureel journalist. Sinds 2008 woont hij in Stockholm. In 2014 verscheen zijn eerste bundel in Nederland: Weg van Damascus, die net als de gedichten in, ik hier hij daar werd vertaald door Djûke Poppinga.

De bundel opent met het prozagedicht Wij, een sarcastische verontschuldiging voor het feit dat het leed van oorlogsslachtoffers dagelijks door de media aan nietsvermoedende burgers wordt voorgeschoteld:
Wij bieden onze excuses aan, omdat we onze afgerukte lichaamsdelen in hun sneeuwwitte geheugen hebben geprent, […] omdat we zo schaamteloos waren om plotseling op te duiken in het journaal […] naakt, met alleen ons bloed en onze verkoolde resten.’ Zonder alinea’s of witregels worden in dit gedicht – in crescendo – de gruwelen opgesomd die door een oorlog wordt veroorzaakt. Alsof de dichter met bijtend plezier de lezer deze feiten in het gezicht wil slingeren. Om vervolgens na alle excuses in een losse alinea te concluderen:

Wij zijn de dingen die jullie op jullie schermen en in jullie kranten hebben gezien. Als jullie de moeite nemen om de stukjes bij elkaar te leggen, als een puzzel, dan zullen jullie een duidelijk beeld van ons krijgen. Zo duidelijk, dat je niet in staat zult zijn om nog iets te doen.’

 

Vergelijkende beelden
In het gedicht Schizofrenie vertelt Almadhoun over zijn bezoek aan de stad Ieper in België, die in de Eerste Wereldoorlog geheel verwoest werd en later het middelpunt van de herdenking is geworden. Hij vergelijkt Ieper met Damascus, vanwaar hij vluchtte en met Stockholm, waar hij nu woont. Het gedicht wordt doorbroken door voetnoten, waarin Almadhoun op  ironische wijze een encyclopedische uitleg geeft over feiten en personen die in het gedicht genoemd worden. Oorlog is het onderwerp van alle gedichten en transformeert geleidelijk aan zelfs de liefde:

Mijn God.
Zie waar de oorlog ons heeft gebracht.
Zelfs in mijn gruwelijkste nachtmerries zou het niet in me zijn opgekomen
dat ik op een dag
in een gedicht zou zeggen:
Ik verdrink in jou, zoals de Syriërs verdrinken in de zee.’

De oorlog laat de liefde verdwijnen en ‘de dichter kan in een wolf veranderen’: in Stockholm verlaat hij de vrouw die hij bemint, omdat hij zijn verlangen naar Damascus niet meer kan onderdrukken: ‘Hoe kan ik in jouw huis wonen, als God heeft beschikt dat ik “in elke vallei smacht naar mijn geliefde”?’ Opnieuw neemt hij de vlucht, want: ‘Je beschuldigt me van een gebrek aan objectiviteit in mijn gedichten.’ De vrouw is niet in staat de dichter te begrijpen of zich in hem te verplaatsen: zij heeft de oorlog niet meegemaakt en hij ís de oorlog, zoals Mulisch zei. Dat heeft een wig tussen hen geslagen die hen splijt en die zelfs niet door liefde ongedaan kan worden gemaakt. De laatste versregels van de gedichten laten dat zien: ‘Mijn hart dat je zo goed kent. Steeds wanneer ik het ’s nachts uit zijn hol haal zodat het de maan kan zien, jankt het je naam, maar ik ben harder dan steen en mijn hart dat je zo goed kent, wordt niet milder.’

 

Identificatie en achterdocht
Hanny Michaelis zei: ‘Zolang er mensen zijn, blijft er oorlog. Daar zijn we het over eens bij de warme kachel, behaaglijk nippend van onze cognac.’ Vanuit het gevoel dat dit citaat verwoordt schrijft Anne Vegter de gedichten die het tweede deel van deze bundel vormen: ‘De wereld brandt en ik weiger de andere kant op te kijken. Lekker makkelijk met een dak boven mijn hoofd. Vanuit mijn eigen ongemakkelijke gemak schrijf ik gedichten over oorlog.

In het eerste gedicht is er geen sprake van identificatie, maar eerder van achterdocht en onwil tegenover vreemdelingen: ‘we bewaken intussen de pilaren’, schrijft Vegter en ze noemt ‘noord europa sluwe nachtwacht’. Het eigen erfgoed dient bewaakt te worden. In de daaropvolgende gedichten scherpt ze de tegenstelling aan tussen ‘hier’: ‘iemand noemde vrede een periode / waarin het bij anderen oorlog is.’ en ‘daar’: iemand noemde het eerste uur / de dag waarop het bij anderen vrede is’. Niet alleen in plaats, maar ook in tijd is de titel van de bundel te duiden.

Maar in de drie opeenvolgende gedichten – die alle drie de titel Ondertussen in Nederland dragen met respectievelijk een Romeinse nummering I, II en III – begint het alledaagse leven scheuren te vertonen, tot er oorlog uitbreekt. In het laatste gedicht laat Vegter met indringende beelden zien hoe snel ‘zij’ ‘wij’ kunnen worden: ‘het rijksmuseum is grotendeels ingestort hoeveel overlevenden er zijn weet niemand’. Net als Almadhoun leidt Vegter haar gedicht tot een helse climax door steeds sneller en wanhopiger oorzaken en gevolgen op te noemen (‘delen van dijken zijn weggeslagen’,  ‘er zouden tientallen boten klaarliggen’, ‘waar is de overkant / er is geen overkant’) om te eindigen met de trieste constatering:

‘we drijven verder
we spoelen over de hele wereld aan
niemand zit op vluchtelingen te wachten
gelukszoekers
zo worden we genoemd’

 

Onoverbrugbare kloof
Vegters gedicht Intussen I, verbeeldt de chaos door de opsomming van aanvankelijk doodgewone voorwerpen, wat escaleert in een steeds grotere verschrikking. Vegter probeert met alle middelen die tot haar beschikking staan zich te realiseren wat oorlog betekent. Niet alleen door zich de uitbraak van een imaginaire oorlog voor te stellen, maar ook door de overgeleverde verhalen en herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Bijzonder is dat zij ervoor kiest om die oorlog te beleven door de ogen van een jonge Duitser die verlangt naar zijn moeder, die met de rest van het gezin in Rotterdam woont. Hij begint zijn reis dwars door Duitsland en het bezette Nederland om haar te kunnen zien en ondergaat daarbij de verschrikkingen van de oorlog, niet alleen door zijn landgenoten aangericht. Op 10 mei 1940 wordt hij gevangen genomen door Nederlanders. Vier dagen later vindt het bombardement op Rotterdam plaats.
Almadhoun en Vegter tonen wat een oorlog betekent en hoe groot de gevolgen daarvan zijn. Gedichten die zich in het hart van de lezer kerven door hun treffende beelden en het tempo van de strofen. Maar waar Almadhoun door zijn afweer alleen blijft staan, probeert Vegter de kloof van onbegrip en onwetendheid te overbruggen die gaapt tussen oorlogsslachtoffers en hen die er nooit een meemaakten. Almadhoun gelooft niet dat die kloof ooit gedicht kan worden. Waar Vegter de oorlog in haar gedichten zeer aannemelijk maakt, probeert Almadhoun met zijn wanhopige gedichten – tevergeefs – een oorlog te vergeten. Beiden hebben met hun poëzie een heel bijzondere bundel gemaakt, waarbij juist het verschil tussen deze twee dichters de vinger op de zere plek is, als een oorlogswond.

 

 

ik hier jij daar
Ghayth Almadhoun ; Anne Vegter
Vertaling door: Djûke Poppinga
Verschenen bij: Uitgeverij Jurgen Maas
ISBN: 9789491921346
104 pagina's
Prijs: € 17,95

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *





 

Meer van Hettie Marzak:

23 mei 2017

De man die niet kon liefhebben

Over 'Een onberispelijke man' van Jane Gardam
24 april 2017

Knappe roman in sobere stijl geschreven

Over 'Probeer om te keren' van Marijn Sikken
22 maart 2017

Klank en ritme geven sturing aan de gedichten

Over 'Haar vliegstro' van Peggy Verzett

Recent

23 juni 2017

Een disharmonisch tegengeluid

Over 'De wolkenmuzikant' van Ali Bader
22 juni 2017

Een lekker tussendoortje

Over 'De spionne' van Jean Echenoz
21 juni 2017

Van een fascinerende wispelturigheid

Over 'J.B.W.P.Het leven van Johan Polak' van Koen Hilberdink
20 juni 2017

Een mens van vlees en bloed

Over 'Chelsea Girls' van Eileen Myles
19 juni 2017

Stinkende lijven en slapeloze nachten

Over 'Tien dagen die de wereld deden wankelen' van John Reed

Verwant

5 juni 2017

Zeggingskracht van poëzie

Over 'Weg van Damascus' van Ghayth Almadhoun ; Anne Vegter