10 november 2016

Te mooi voor woorden

Door Rob van Dam

Het was op tv: de twintigste eeuw is nu bijna afgelopen! Het Journaal bracht het terloops, het nieuws zat verstopt in een kunst-itempje.
Een museumdirecteur, uiterlijk tot in de puntjes verzorgd, stond besmuikt een schilderij te prijzen. Het ging om een kleurrijk historiestuk van Alma Tadema, van wie het Fries Museum momenteel een overzichtstentoonstelling brengt. Victorianen in klassieke gewaden, ooit de succesformule van de schilder, lange tijd verguisd, nu opgediept uit de opslag en toe aan herwaardering. Fryslân boppe! ‘Ja, toen ik studeerde werd hier alleen maar om gelachen’, vertelde de museumdirecteur, ‘maar moet je toch eens zien: wat een techniek!’ Alsof technisch kunnen niet het minimum is wat je van een kunstenaar mag verlangen.

Hij zei niets over compositie of kleurgebruik, niets over historische betrouwbaarheid en ook niet dat hij het mooi vond. Ha! Het begrip ‘schoonheid’ is sinds lang uit het kunstzinnig discours gebannen. Je mag zeggen dat iets ‘spannend’ is of dat iets ‘schuurt’, er ‘kantelt’ regelmatig iets en dat is ‘confronterend’. Ook mag je spreken over de ideeën die het kunstwerk geacht wordt te verbeelden, maar niet dat je geraakt bent of ontroerd. ‘Schoonheid heeft haar gezicht verbrand’, dichtte Lucebert kort na de Tweede Wereldoorlog. Met die uit z’n verband gerukte opvatting zitten we nog steeds opgescheept, getuige het feit dat in heel Nederland zegge en schrijve één werk van Henk Helmantel zich in een museumcollectie bevindt. Terwijl Lucebert toch na dat verbrande gezicht nog iets anders ook over de schoonheid zei, namelijk:

(…) de mens verschrikt zij
en treft hem met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

De esthetische ervaring als epifanie, kom er eens om. Gek eigenlijk, die museumman zag er op en top verzorgd uit: modieus kapsel, gebeeldhouwde baard, fraai pak, überhip brilmontuur. Wat zou hij ‘s ochtends hebben gedacht toen hij voor de spiegel stond? ‘Hmm, interessant’? Of toch gewoon het m-woord?

De negentiende eeuw eindigde volgens velen met het begin van de Eerste Wereldoorlog. Een ‘breukvlak van twee  eeuwen’ houdt zich niet aan de kalender. Werd Christus niet geboren vóór het begin van onze jaartelling? En nu dan de twintigste eeuw, niet geëindigd in 1989, toen de muur viel, of in 2001, toen de Twin Towers neerstortten, maar any day now. In het jaar onzes heren 2016 staan we, gezien het eerherstel voor Alma Tadema en godbetert een lofzang op de schildertechniek, op de drempel van een nieuwe eeuw.
Het werd tijd. Nu alleen ‘schoonheid’ nog terug als artistiek begrip en we kunnen de rampzaligste aller eeuwen achter ons laten.

Ooit schreef Jacques Perk (1859-’81) de volgende variant op het Onze Vader:

“Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,
Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;
Naast u aanbidde de aard geen andren god!

Dat was een beetje veel van het goede. Maar met de dominantie van alles wat maar modern heette (Dada werd honderd jaar geleden geboren en nog steeds zijn er mensen die dat boeiend vinden) ging er iets mis, getuige het kwatrijn ‘Kunst’ van Gerard Reve, uit 1973:

De schildert Aldert K., te R.,
werkt overdag, voor het Bestel, abstrakt.
Des nachts, in het geheim,
schildert hij figuratief.

Die tijd is voorbij. In Amsterdam hebben we op de tentoonstelling Opwinding in het Stedelijk Museum, nog eens kunnen zien welke monsters de twintigste eeuw heeft gebaard, dus nu óp naar Leeuwarden, waar de deur naar een heerlijk nieuw tijdperk op een kier is gezet.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer