7 april 2017

Sporenzoeker

Door Inge Meijer

Gisteren werd Wim Brands herdacht in de Rode Hoed. Er kwamen veel mensen op af. Brands kende veel mensen, veel meer mensen kenden hem, waaronder ikzelf. Hoewel kennen? Van zijn radioprogramma’s dan toch. De Avonden met Wim Noordhoek in de jaren negentig. Later – toen ik na zeven jaar Portugal weer terug in Nederland was – Boeken met Brands. Het werd mijn favoriete radioprogramma. Toen wist ik dat ik zulke dingen – buiten de Hema en nog zo wat Hollandse eigenaardigheden – al die jaren vreselijk gemist had; Brands over boeken en zijn interviews met schrijvers, de lange adem gesprekken die spontaan leken te ontstaan.

Hoe hij schrijvers interviewde had wel iets weg van een forensisch onderzoek, een sporenzoeker. Ook in zijn gedichten werd dat ‘onderzoek’ herkend. In 2014 vertelde hij in een wederzijds-interview met Kees ’t Hart in het Letterkundig Museum in Den Haag, dat hij bioloog had willen worden. Dat was nadat ’t Hart had opgemerkt dat hij in zijn gedichten iets herkende van een ‘sporenzoeker’. In plaats van bioloog werd hij dichter. Dat kwam omdat zijn eerste ingestuurde gedicht gelijk werd geplaatst. Die middag in Den Haag ging het over zijn laatste bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee.

Ik kende hem ook als docent poëzie, toen ik een korte wijle de schrijversvakschool bezocht. Ik was een schrijfstudent die vooral niet wilde opvallen, vond het maar lastig mijn werk – waarvan ik wist dat het niks was – in zijn bijzijn voor te lezen. ‘Toe maar’, sprak hij bemoedigend terwijl hij met zijn stoel op twee poten steunend achterover leunde, zijn knieën onder de tafelrand klemmend en het aanhoorde. ‘Er is geen goed en geen fout’, zei hij ook altijd. Jaren nadat ik de schrijversvakschool verlaten had kwam ik hem tegen bij bovenstaand interview met Kees ’t Hart in Den Haag. Na afloop kocht ik zijn bundel aan het tafeltje waar hij ook signeerde. Nadat hij een gesigneerd exemplaar teruggaf aan degene die voor me stond, zag hij me en zei: ‘Ha’, en stak zijn hand uit. Terwijl ik zijn hand schudde zei ik – in de veronderstelling dat hij mij niet kon kennen – mijn naam. ‘Weet ik toch,’ zei hij.

Een mens bestaat uit vele aspecten. Verschillende vrienden en mensen die met hem gewerkt hadden, brachten woord bij woord, herinnering bij herinnering, anekdote bij anekdote een beeld voor het voetlicht van een man die veel weg had van een ontsnappingskunstenaar maar het werd vooral een prachtig voegwerk waaruit de dichter ontstond die Wim Brands bovenal was. Deze verhalen die, ondanks de nuchterheid die Brands voorstond, vertederen door zijn directheid en no nonsens instelling, zijn gebundeld in het boekje Alles komt goed (Uitg. Balans). Een verzameling van Brands’ eigen werk werd uitgegeven als Verzamelde gedichten (Uitg. Van Oorschot), maar bevat ook verschillende van zijn blogs en brieven. Een uitgave die ik verdomd graag had willen hebben maar moet nog even wachten. Zo stel ik mijn verdere onderzoek naar deze bijzondere dichter nog even uit.

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer