2 januari 2017

Vertrouwde en vreemde dingen – Teju Cole

Roman of essaybundel

Recensie door Maarten Buser

Fotocamera’s weten zich vaak geen raad met een zwarte huid: ze werden afgesteld op een blanke huid en daardoor doet een foto van een donkere persoon vaak onderbelicht aan. Teju Cole haalt dit technisch mankement aan in een van de stukken in zijn dikke essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen. Maar vervolgens neemt hij een intrigerende afslag: hij legt uit hoe dat mankement fotografen heeft gedwongen naar creatieve oplossingen te zoeken, waardoor er bijna als bijeffect intrigerende foto’s zijn gemaakt. Over de Afro-Amerikaanse fotograaf Roy DeCavara merkt Cole op dat hij op zijn portretten van donkere mensen, ‘in plaats van het zwart donkerder te laten lijken, (…) tegen die verwachting in (ging) en (…) het nog donkerder [maakte]’. Daardoor ontstaat er een rijke kleurschakering die aandachtig kijken vereist, maar beloont met het besef, ‘dat er meer is dan je op het eerste gezicht zou denken’.

Roman of essay
Zie hier hoe een aantal van de belangrijkste thema’s van Coles non-ficitie samenkomen: het zwarte lichaam, fotografie, kijken. Cole is naast romancier (Elke dag is voor de dief, Open stad) en essayist ook kunsthistoricus – met een voorkeur voor fotografie – en een Afro-Amerikaan met wortels in Nigeria. Voor diverse media schreef hij artikelen waarvan er in Vertrouwde en vreemde dingen een grote selectie samen is gebracht. Onderwerpen variëren van fotografie tot de uitverkiezing van Barack Obama en lynchpartijen in Nigeria. De ambitie straalt van het dikke boek af: Cole wil veel behandelen en diep graven – wat hem vaak wel lukt, maar niet altijd. Bestaat er eigenlijk zoiets als de Grote Amerikaanse Essaybundel, naar analogie van de Great American Novel?

Het essay is een wat onduidelijk genre, want het verschil of de grens met andere non-fictiesoorten is niet altijd even duidelijk; want kan een lange recensie bijvoorbeeld geen essay zijn, of een reisverslag? Kan een opinieartikel in de krant een essay zijn en hoe zit het met een kort verhaal waarin op actuele kwesties gereflecteerd wordt? Cole lijkt met die vage definitie te spelen door voor verscheidene invalshoeken te kiezen: van reisverhaal tot e-mailwisseling. De toon wisselt per stuk en geregeld binnen het artikel: van bijna zakelijk kunsthistorisch of journalistiek, tot heel persoonlijk en intiem.

Ongemakkelijke observatie
Het boek begint na een prima voorwoord met een indringend stuk getiteld Het zwarte lichaam. Waarin Cole zijn reis naar- en verblijf  in het Zwitserse Leukerbad beschrijft en dat doet hij op een toon die niet misstaat in een roman. De door Cole bewonderde Afro-Amerikaanse auteur James Baldwin maakte begin jaren vijftig diezelfde reis en werd daar vreemd aangekeken door de blanke bevolking die waarschijnlijk nog nooit een donkere man had gezien. Cole beseft in Leukerbad dat hij daar zelf echt niet de eerste donkere man is – er zijn hem vele voorgegaan sinds Baldwin – maar dat er tegelijkertijd ‘wel wat gegluurd (werd) in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop de weg, maar er wordt altijd gegluurd. (…) Er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika.’

Het is een ongemakkelijke observatie: zelfs in zijn woonplaats is hij blijkbaar een soort bezienswaardigheid, puur omdat hij een zwarte huid heeft. De professionele kijker Cole is zich er ook bewust van dat hij zelf ook bekeken wordt, en laat dat bewustzijn in veel stukken zien. In een intrigerend stuk staat hij stil bij de mogelijkheid van Google om afbeeldingen te vinden en de angstgevoelens die die ‘pagina’s vol beelden’ bij hem opriepen. Even later biecht hij op dat hij én angstig is voor én gefascineerd door een andere Google-mogelijkheid: die om met de ene afbeelding visueel soortgelijk materiaal te vinden. ‘En opnieuw voelde ik angst, hoewel ik niet meer wist of het angst voor God was of voor Google, of dat er een substantieel verschil was tussen die twee.’ Cole neemt de moderne (digitale) beeldcultuur serieus en laat zich niet verleiden tot platitudes a la ‘alles doen voor honderden likes’ waaraan vele anderen zich wel bezondigen.

Twee boeken in een
Zoals gezegd is Vertrouwde en vreemde dingen een flinke bundel. Dat is een van de redenen dat er zo ergens richting de tweehonderdvijftigste pagina het gevoel opkomt een boek te hebben uitgelezen en er aan een tweede wordt begonnen. Dat heeft ook met de indeling van het boek te maken: eerst een afdeling literatuur (‘Dingen lezen’), daarna beeldcultuur, fotografie en andere beeldende kunst (‘Dingen zien’), en tot slot een afdeling met reisverslagen en politieke stukken (‘Aanwezig zijn’). Die indeling op onderwerp doet bijvoorbeeld erg kunstmatig aan: veel van Coles thema’s verwerkt hij op een vrije organische manier door het hele boek heen.

Ook de selectie en redactie hadden wat strenger gemogen. Het stuk over een overleden Australische componist bijvoorbeeld voelt qua thematiek nogal misplaats aan in ‘Dingen zien’, en voegt weinig toe aan het boek. Ook duiken tegen het einde diverse minder geslaagde stukken op over buitenlandse politiek, die wel erg rechtdoorzee zijn (en soms drammerig), en eerder daarin journalistieke bijdragen lijken. Een beetje gênant wordt het bij de in het boek opgenomen mailwisseling (wederom die vrije benadering van het essay) met collega-schrijver Aleksandar Hemon. Waarin laatstgenoemde, Cole uitgebreid complimenteert met zijn werk, en andersom. Het Amerikaanse-talkshow-gehalte wordt daar echt te hoog, terwijl er soms best interessante kwesties aangesneden worden. Hemon bijvoorbeeld merkt op dat hij ‘het hardnekkige onderscheid tussen fictie en non-fictie in de Anglo-Amerikaanse literatuur altijd heel hinderlijk (heeft) gevonden, of problematisch zelfs.’ Ook Cole zegt zich daarover te verbazen:

‘We (lopen) ook niet door het museum (…) op zoek naar fictieve of non-fictieve schilderijen.Schilders realiseren zich dat alles een combinatie is van waarneming en verbeelding, van wat men te horen heeft gekregen en wat al eens vaker door iemand is gedaan.’

Cole legt in dat fragment goed uit wat hij in de geslaagde stukken en op de beste momenten van Vertrouwde en vreemde dingen doet: de verleidelijk verhalende toon van fictief proza gebruiken terwijl hij de wereld om zich heen beschouwt, en/of laten zien hoe kunst wortelt in de samenleving en daar een uitstekende spiegel van kan zijn. Het vertrouwde wordt daardoor geregeld vreemd, en even vaak wordt er een poging gedaan om het vreemde vertrouwd te maken. Het boek als geheel is niet de Grote Amerikaanse Essaybundel die er in potentie in had gezeten, maar Cole doet een goede gooi.

 

 

Vertrouwde en vreemde dingen
Teju Cole
Vertaling door: René Kurpershoek Paul van der Lecq e.a.
Verschenen bij: Bezige Bij, De
ISBN: 9789023414872
400 pagina's
Prijs: € 24,99

Meer van Maarten Buser:

27 augustus 2017

Het echte vuur van deze bundel zit in het ongemak

Over 'Vonkt' van Marije Langelaar
30 juni 2017

Een magere oogst van vier decennia poëzie

Over 'Zingend naar huis' van R.A. Basart
20 april 2017

Een bundel die afstand schept

Over 'Oden voor komende nacht' van Jacques Hamelink

Recent

23 oktober 2017

Zingende gedichten onovertroffen in hun beeldspraak

Over 'Nacht & navel' van Yannick Dangre
20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken

Verwant

2 januari 2017

Open stad - Teju Cole