10 december 2012

Restletsels – Jeroen Brouwers

Literaire tomaten

Recensie door Albert Hogeweij

 

Misschien maar beter bij aanvang gezegd: wanneer de slotwoorden van deze negende feuilletonbundeling er niet om liegen, is hiermee zijn laatste verschenen: ‘Ik neem afscheid van de trouwe volgers van mijn Restletsels. Vaart allen wel en: ketemoe lagi!’ Anders dan bij Philip Roth, die onlangs kenbaar maakte niet meer te schrijven omdat hem daartoe geestelijk de strijdlust ontbrak, ligt bij Jeroen Brouwers de oorzaak vooral in het fysieke: twee herseninfarcten, een lamme schrijfhand bij een toch al puffend, reutelend en haperend lichaam maken het schrijven voor hem tot een hels karwei. Te geloven dat de inspiratie bij deze literaire mopperkont tanende zou zijn ligt niet voor de hand gezien de omvang van dit negende deel feuilletons. Met bijna 300 pagina’s is deze laatste bundel z’n dikste en misschien ook wel z’n beste.  Al blijft de ouverture Zwavelzuur ondermaats: een wat oppervlakkig stuk gewijd aan Willem Frederik Hermans en dan vooral aan diens Mandarijnen op Zwavelzuur, het zuurbad waarin Hermans vanaf de jaren vijftig de toenmalige mandarijnen van het literaire establishment de oren waste. Brouwers brengt hierin geen nieuwe visie naar voren. ’t Lijkt eerder duidelijk te willen maken waar hij de inspiratie voor zijn eenmanstijdschrift vandaan haalde, en verder scherpt hij het begrip ‘polemiek’ aan: ‘Polemiseren: is chargeren, overdrijven, pletten. Hoe heftiger hoe leuker. Belachelijk maken, simplificeren: allemaal toegestaan. Hoe scherper de karikatuur, hoe duidelijker de essentie van de ergernis. (..) Wie polemiseert moet vooral niet met zeven brillen op en met in iedere hand een vergrootglas aandachtig gaan zitten nuanceren (…) Kinderachtig? In de liefde en de polemiek doet alles ertoe. (…) Polemiek is nooit verheffend.(…) Kenmerkend voor de polemiek is de taalbrille waarmee het allemaal wordt uiteengezet en opengelegd (…) Het komt aan op de hakbijlscherpe formulering van hetgeen in de ogen van de polemist ten hemel schreiend verkeerd is en op exacte karakterisering van de persoon die zich eraan heeft bezondigd, waarna het tomatengooien kan beginnen onder het liefst zo hilarisch mogelijk en ijzig sarcastisch slaken van beledigingen, beschimpingen en vervloekingen, alles in zo briljant mogelijke taal en zegging.’ Voor wie mocht denken dat dan alles geoorloofd is, knijpt Brouwers in de rem: ‘Niet lasteren. Niet liegen. Polemiek moet in die zin betrouwbaar en waar zijn, dat alle schandelijkheden die de polemist zijn tegenstander in diens verwerpelijke tronie wrijft, met bewijzen en argumenten moeten worden gestaafd’. Brouwers betreurt het intussen dat de polemiek geen echte literaire erkenning geniet zoals een roman, toneelstuk of gedicht. Terwijl de polemiek zijns inziens bepaald niet het makkelijkst te beoefenen literaire genre betreft, waaraan men zich dan ook beter niet waagt als men zich niet reeds eerder in andere literaire vormen heeft bekwaamd. In navolging van wat wijlen F. Jacobse van De Tegenpartij als ‘interrumperen’ beschouwde, te weten ‘mondelinge tomaten’, ziet Brouwers het polemiseren dus als een soort literaire tomaten. Welnu, de positie is bepaald, het mes is geslepen. Beginnen maar!

Van alles komt langs. Kleine dingetjes, grote dingetjes. Soms wat gezocht, soms wat melig (‘Aleid Truitjes’). Soms wat aanstellerig taalgebruik als ‘onderlaatst’ voor ‘onlangs’, en het parmantige ‘collegae’. Brouwers bewandelt stilistisch niet de kortste route: ‘Het door J. Weverbergh door het Letterenhuis geoffreerde bedrag, waarvoor J. Weverbergh met het Letterenhuis tot overeenkomst kwam, deed J. Weverbergh opeens beseffen (..).’ Natuurlijk, die stapelmethode is onderdeel van zijn stijl, maar ’t kan soms vermoeiend lezen. Stilistische overacting ligt op de loer. Maar toch leg je als lezer de bundel niet weg, want als Brouwers eenmaal echt los gaat, krijg je als lezer beslist iets smakelijks voorgeschoteld. Dan voldoet hij ruimschoots aan zijn eigen definitie van de polemiek. Het fulmineren tegen het Letterkundig Museum (‘letterenbordeel’), inzonderheid tegen de directeur die als ijdeltuit wordt afgeserveerd, is tot een omvangrijk prachtstuk uitgegroeid. En daarbij mag zeker gelachen worden. Directeur Aad Meinderts ging bij wijze van ‘literaire roadtrip’ de graven langs van honderd vooraanstaande, dode Nederlandse schrijvers. Om er een roos op te leggen. Uit het daarvan verschenen boekje lepelt Brouwers zo nu en dan een citaatje op, dat hij van snedig commentaar voorziet: ‘“Tijdens de reis twitter ik dat het een aard heeft”, schrijft de druktemaker. Dat het een aard heeft! Zelf ter aard had hij moeten gaan. In overall. Schrobben had hij gemoeten, als pantheondirecteur de schrijversgraven om te beginnen schoonboenen als stijlvol eerbetoon, dat had hij gemoeten, nederig en met respect, op handen en knieën over de arduinen naamplaten kruipend van degenen aan wie hij zijn leuke baantje dankt.”’ De terechtstelling van Jan Siebelink verderop in de bundel is niet minder vermakelijk. Hoe de zichzelf in interviews als calvinistisch afficherende schrijver ooit eens ten overstaan van Brouwers en diens toenmalige gezellin schaamteloos kenbaar maakte lust te hebben ‘in een lekkere hoer’ leest men beter zelf. Brouwers op z’n best!

Brouwers zou Brouwers niet zijn als de polemiek zo nu en dan niet ook plaatsmaakt voor stukken waaruit overduidelijk compassie spreekt. In een kort, liefdevol geschreven stukje over de overleden literaire verschoppeling Marcel van Maele treft de fraaie zin: ‘Hij zorgde ervoor dat men om hem lachte als clown, om niet te worden uitgelachen om zijn ernst.’ Een waarderend stuk, De wereldreus, over Harry Mulisch die Brouwers altijd hoog had staan, mist daarentegen een heldere lijn. Als persoonlijk eerbetoon komt het niet echt uit de verf. Wel weet Brouwers ook hier met sommige fraaie, in dit geval niet pesterig bedoelde typeringen te scoren als ‘bejaarde poppenkasthoofd’ voor de kop van Mulisch. Het opstel schudt een tas met wederwaardigheidjes leeg en de lezer mag er naar believen wat uithalen. Een van de interessantste is evenwel het feit dat Brouwers het motto voor zijn roman Bittere Bloemen lukraak gekozen heeft toen hij, na van Mulisch’ dood vernomen te hebben, een Mulischboek uit de kast trok en opensloeg…Geheel in Mulisch’ stijl om het raadsel te vergroten, houdt Brouwers de vindplaats van het citaat voor zich.

Met het klimmen der jaren mag zijn vriendenschare afgenomen zijn, het aantal vijanden lijkt er niet minder op geworden. En over die laatste lijkt Brouwers bij lange na niet uitgeschreven. De Nederlandse Taalunie rekende buiten de waard toen zij de auteur in 2007 met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren waardig dacht te eren. Het daaraan verbonden geldbedrag van € 16.000,- was in Brouwers’ ogen echter niet in overeenstemming met de zogenaamde waardigheid van de oeuvreprijs. Hij weigerde dan ook. De schimpscheuten richting die club schieten nog steeds voorbij in deze bundel. Her en der, in gevarieerde formulering, weerklinkt het als een Leitmotiv: ‘Intussen blijft onverminderd mijn overtuiging staande dat het onzininstituut taalunie, drijvend op miljoenen uit twee landen die krom gaan onder de bezuinigingen en inkrimping, onmiddellijk en zonder dat iemand het missen zal, kan worden opgedoekt’. Ach, Brouwers zit nog zo vol van anderen dat hij niet eens veel plaats inruimt voor zijn eigen sores. Want natuurlijk slaat de titel Restletsels behalve op het geestelijke ongemak ook op de fysiek zorgelijke toestand van de schrijver zelf. Ook dat is een terugkerend motief. Het zelfbeklag blijft echter ondergeschikt aan het op de hak nemen van de hedendaagse, door computers bestierde ziekenhuizen en de eeuwenoude arrogantie van sommige geneesheren. Tja, na lezing van deze bundel bekroop me toch het gevoel dat het ergens onrechtvaardig zou zijn als Brouwers wordt opgeheven in plaats van de Taalunie.

 

 

Restletsels
Jeroen Brouwers
Verschenen bij: Atlas Contact, Uitgeverij
ISBN: 9789045022376
296 pagina's
Prijs: € 21,95

Meer van Albert Hogeweij:

18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy
2 februari 2017

Vormvast en elegant van stijl

Over 'Viviane Élisabeth Fauville' van Julia Deck
15 december 2016

Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

Over 'Poèmes secrets / Geheime gedichten' van Guillaume Apollinaire

Recent

22 augustus 2017

Variabele verhalen in prettige stijl geschreven

Over 'Astronaut' van Pieter Kranenborg
17 augustus 2017

Vergeefse strijd heeft een mooie bundel opgeleverd

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
16 augustus 2017

Ideale bestaansvorm

Verwant

10 december 2012

Dank u voor deze tuchtiging

Over 'Het hout' van Jeroen Brouwers
10 december 2012

Is het een somber boek?

Over 'In de schaduw van toekomstige rampen ' van Jeroen Brouwers