22 april 2009

Recensie "'t Manco" – Georges Perec

Waarin een handicap tot een bijzondere kracht wordt

door Rein Swart

Dit Franse boek uit 1969, dat veel in zich heeft van een postmoderne roman, is geschreven zonder de letter “e”. Dat genereert op zich al een soort proza dat anders is dan wanneer de schrijver zonder inperking zou schrijven. Perec zegt zelf in een naschrift dat zijn vormdwang voortkwam uit blufpraat, maar dat het vervolgens een stimulans bleek te zijn voor een fris glansrijk proza. Dat is het zeker zo, ook in de aandachtige vertaling van Guido van de Wiel. Het is een boek dat losscheurt van het gewone, de alledaagse gang van zaken, die ook in de literatuur soms optreedt.

Het begint evenwel erg cryptisch: ‘’n Kardinaalstriumviraat, ’n rabijn, ’n franc-macon in zijn rol als admiraal, in aanvulling daarop ’n onwaardig trio politici, dat willig ingaat op ’n doortrapt aanbod van ’n Brits trustfonds, waarschuwt via radio, maar ook via billboards voor ’t risico van doodgaan als proviand nog lang uitblijft.’

Zo gaat het voorwoord door. De lezer krijgt heel wat voor zijn kiezen, maar zijn geduld wordt al snel beloond. De begrijpelijkheid neemt toe en men wordt, ook na het verklarende nawoord van de vertaler zoals over de vijf die mist, een intrigerend verhaal ingezogen, geschreven door iemand die zeer belezen is, over een enorme fantasie beschikt en de overdrijving niet schuwt.

Hoofdpersoon is Anton Vocalis die maar lastig in slaap komt en op zijn tapijt een hallucinatoir fantoom ontdekt, dat hem haast een punthoofd oplevert (‘…wat blijft is dat hij ’t irritant vindt, omdat d’r nu nog altijd niks is waar hij wijs uit kan’) waarvoor hij een ingreep in de hersenen moet ondergaan.

Hij houdt een journaal bij met op de omslag de titel van dit boek en dat begint met de woorden: ‘D’r is wat kwijt. Is d’r ’n individu kwijt? Of ’n ding?’ (p. 21)

‘’t Vraagstuk draait noch om doodgaan (ofschoon doodgaan daaraan bijdraagt), ’t draait noch om uitbanning (ofschoon uitbanning ’t in zich draagt), maar ’t gaat om wat mist: ’n min, ’n naam, ’n manco’ (p. 30).

…en dat manco blijkt, zoals in het nawoord te lezen is, meer te zijn dan alleen het missen van een letter…

In het verhaal verdwijnt Anton. Het raadsel, waar de Zahir, een ovaalvormig pronkstuk, slechts een klein onderdeel van vormt, wordt groter, kent vele facetten en slapstickachtige kanten die hier onmogelijk allemaal weer te geven zijn.

‘Iemand wil soms al de hulp van Chomsky inroepen’ (p. 122).

In ieder geval volgt er een opsporing met hilarische momenten waaraan advocaten en ook een politiecommissaris en zijn adjudant meedoen die Antons vrienden Amaury, Olga en Arthur bijstaan, die, als ze te dicht in de buurt komen van het geheim het loodje leggen, hetgeen weer reden is om uit te zoeken hoe het komt.

Tenslotte duizelden mij de vele verwikkelingen, die soms deden denken aan een ordinaire klucht en me deden verzuchten dat het was handig geweest als er in het nawoord een stamboom was opgenomen, hetgeen misschien een idee voor de website die het boek gaat ondersteunen.

In de roman worden veel intertekstuele verbanden gelegd met bijvoorbeeld Moby Dick en met auteurs als Kafka, Virginia Woolf, Thomas Mann en andere boeken van mij onbekende schrijvers.
Ook worden binnen het verhaal spannende zijwegen ingeslagen, zoals over Turkse clan waarbij alleen eerste kind alle rijkdom erft, hetgeen leidt tot moord en doodslag onder het nageslacht en slinkse manieren om toch zelf de erfenis binnen te krijgen.

Het boek kent een diversiteit aan stijlen en in de vertaling komen ook Nederlandse gedichten voor, die voor de gelegenheid bewerkt zijn, zoals het bekende gedicht van Marsman dat begint met de regels: Dacht ik aan Holland / Zag ik wijd ’n stroom afwaarts / Traag door langdurig / Laagland gaan,

De zes delen zijn onderverdeeld in hoofdstukken die alle, uitgezonderd het ontbrekende vijfde hoofdstuk, beginnen met oubollige kopjes die doen denken aan vroeger, zoals bovenaan hoofdstuk 15: Waarin, na twintig jaar van uitvlucht na uitvlucht, op ’t laatst ontward wordt waardoor ’t komt dat dat imposant schip Titanic zinkt; verder gaat het verhaal na elk hoofdstuk gewoon door hetgeen voor de lezer erg prettig is.

Een aantal personages leent hun naam aan een hoofdstuk zoals de eerder genoemde vrienden van Anton. Daarnaast komt er ook een grappige squaw in voor, die de beginselen van judo kent. zij doet dienst in het landhuis waar veel doden vallen en merkt op het eind na al die gevallenen op p. 283 tegen de politiecommissaris op dat het bijna op een stuk als Much ado about nothing lijkt. Aan het eind van het boek verschijnt ook nog de lugubere Baardmans, gelukkig niet in levende lijve.

De personen discussiëren zoals in een postmoderne roman betaamt zelf over de tekst, zoals Arthur op p. 203 over het uitdijende proza ‘…zodat ’t noodzaak wordt, of althans, statistisch daar toch kans op loopt, dat d’r toch ooit ’n woord in dat stuk zal staan dat zich, óf door ’t lot, óf doordat ’t ooit zomaar spontaan voorkomt, noch aan ’t protocol noch aan ’t voorschrift houdt…’
Men is zich soms bewust van hun functie zoals Anton op p. 197: ‘ik zal doorgaan, dat hoort bij mijn rol in dit symbolisch drama, wat d’r ook voorvalt:…’

Ook in de vertaling wordt de ontbrekende letter handig omzeilt, zoals zijn kno-arts in plaats van de kno-arts, half dozijn voor zes, triduüm als periode van drie dagen,’t volk voor de gasten en een klinkaard voor (straat)klinker. Alle afgekorte lid- en andere woorden zoals d’r deden me aan teksten van Nescio denken. Het boek is verbazingwekkend goed te lezen gegeven de zelfgekozen handicap van de schrijver, misschien ook vanwege de niet al te brede bladspiegel, maar zeker ook door de uitmuntende vertaling. Het openingsgedicht van J. Roubaud evenals een fragment op p. 58 werd helaas niet vertaald, maar misschien gebeurt dat nog op de site.

Er valt voor een geïnteresseerde lezer heel wat te beleven, naast de rijke inhoud ook in linguïstische zin. Er staan leuke woordspelingen in en groteske opsommingen. ’t Manco kent schwung en vraagt, net als bij een klucht, om een volle zaal met een levendig publiek.

Georges Perec, ’t Manco. Vertaald uit het Frans door Guido van de Wiel. De roman verschijnt op 24 april bij De Arbeiderspers.

Meer lezen? Kijk op de speciale pagina van De Arbeiderspers: http://www.arbeiderspers.nl/boekboek/show/id=142496

Op 24 april wordt in Perdu, Amsterdam een avond georganiseerd rondom Georges Perec en de verschijning van de Nederlandse vertaling zonder van ’t Manco. Voor meer informatie, zie www.perdu.nl

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant