18 oktober 2010

Staphorst – Koos Geerds

Staphorst, wie kent het niet

Recensie door Albert Hogeweij

Er zullen niet zo gek veel dichters zijn die bij het soort uitgeverij zitten, waarvoor je je op feesten en partijen niet behoeft te schamen, en die met een zekere dichtbundel een vierde druk weten te scoren maar die toch niet uit de blinde vlek van poëzierecenserend Nederland hebben weten te treden. Koos Geerds (1948) is evenwel zo’n dichter. En onderhavige bundel heet simpelweg: Staphorst. Voor het eerst zag die het licht in september 1998 om vervolgens in drie maanden tijd even zo vele drukken te beleven. En nu, in 2010, verscheen een vermeerderde, vierde druk. En ook ik moet bekennen dat hoewel ik nog nooit in het plaatsje Staphorst ben geweest, die naam mij toch meer zei dan die van de dichter. De reden tot de herdruk ligt voornamelijk hierin dat Geerds, die het intussen wel tot Dichter van de Provincie Overijssel heeft geschopt, in de loop der tijd 15 nieuwe gedichten over het plaatsje had geschreven, waar hij van zijn zesde tot zijn zeventiende (1954-1965) heeft gewoond. Een en ander maakt dat de bundel nu 54 gedichten telt, waarvan 53 zonder titel.

Het geheel kreeg een motto van niemand minder dan Joseph Brodsky mee: ‘God woont niet op het dorp in kamerhoeken / zoals de spotter denkt, maar overal.’
In een kort woordje vooraf lezen we dat de gedichten in Staphorst gebaseerd zijn op persoonlijke indrukken en verhalen uit de periode dat de dichter er zelf heeft gewoond. Maar wie denkt dat in navolging van schrijvers als Maarten ’t Hart en Jan Wolkers, Koos Geerds ons hier een afrekening van zijn ‘gristelijke’ jeugd gaat voorschotelen, heeft het bij het verkeerde eind. Het is namelijk veeleer een monument voor het dorp van zijn jeugd geworden. Dat trekt natuurlijk een zware wissel op de leeshouding van de heidense lezer.

De gedichten zijn allen in een eenvoudige taal geschreven, waaraan zich meestal pas bij nadere beschouwing enig poëtisch raffinement laat aflezen. Wat onbeholpen lijkt (bijvoorbeeld ongelijke regellengte, of afwezigheid van rijm), zit vaak net iets geraffineerder in elkaar. Dat kan ermee te maken hebben dat de bundel een mengeling is van herinnering nu en beleving toen. Dus van volwassen kennis versus kinderlijke naïviteit. Van dat laatste getuigt het gedicht op pagina 22:

‘Ouder dan het kerkhof en de kerk,
de kansel en de kanselbijbel,
de klederdracht, de boerderijen,
de akkers en de weiden en de dijk,
ja, ouder dan het eeuwenoude

Wijde Gat, oord van roerdompen,
rietsigaren, winter, van schaatsen
over balken in het ijs en de loerende
Bullebak eronder (schaats daarom nooit
dicht bij een wak), het tafeltje
met warme chocola en koek en worst
en jongens die met meiden staan te vrijen,

was God. Ouder dan de baaierd en de nacht,
waaruit het gans heelal tevoorschijn was gebracht,
de hemellichten en het firmament,
dan engelen en duivelen tezamen,
dan een bloot schepsel ooit bedacht en ouder,
ja, ouder dan God zelve van Zijn aanvang dacht.’

In dit gedicht tracht een jongetje zich een beeld te vormen van iets dat er altijd al geweest moet zijn. Zijn onmacht stuwt het gedicht voort. Aandoenlijk is ook dat voor hem het beeld van de jongens die met meiden staan te vrijen, nochtans tot een andere wereld behoort dan de zijne.

Van ieder gedicht in de bundel kun je wel zeggen dat het een bepaald facet van het Staphorstse leven beschrijft. Over hoe het geestelijk zwakzinnigen verging, gaat het gedicht op bladzijde 40:

‘Als je gek was of kinds
bekommerde zich de hele buurt om jou:
ze brachten je weer thuis
als je verdwaald was,
ze maakten een praatje met je
over het weer of langgestorven mensen,
ze glimlachten om je binnenpretjes,
je werd genodigd op de wintervisites
je was welkom op bruiloften en begrafenissen
en als je zelf stierf werd je uitgedragen
door de buren aan weerskanten, drie tot zes
landen ver, met veel groevevolk achter de kist,
zoals het stof door zware golven wordt gewogen.
Zo deed aan zijn eenvoudigen het dorp.’

Let op hoe de laatste, qua stijl afwijkende regel het verhaalde een bijbelse bedding verschaft.

Typerend voor de meeste gedichten in deze bundel is de aardse, vitale en soms zelfs wat boerse toon. Het is de God op klompen die hier woont, niet die van de gouden troon. De bundel mag van spot verschoond zijn gebleven, van humor is die geenszins gespeend.
En humor doet het vaak goed temidden van zoveel nuchterheid: een gedicht over klompen sluit af met regels waarin een vage reminiscentie aan Prediker doorklinkt:

‘Dit was een troost bij al het gezwoeg:
de tijd versleet ? maar klompen genoeg.’

En een opsommerig gedicht (in deze bundel zal het stijlmiddel van de opsomming wel geïnspireerd zijn op de Tale Kanaäns) met daarin weggedoken de fraaie regel: ‘de veekoopman kreeg een gezicht om dom te lijken’  krijgt als uitsmijter tot slot mee:

‘Let op de wijsheid Gods, veracht haar niet mijn vriend,
opdat de dood u vreugde brengt en geen verdriet.’

Je zou verdomd zweren dat hier Lévi Weemoedt sprak!
En anders bij deze passage wel:

‘Doodzelden stopte bij het dorp de trein ?
dat was als iemand uit dit leven wilde
en zo de rails was opgestapt.’

In een gedicht over een gevelde lindeboom, staat de krachtige regel:
‘een boom is een boom en de mens heeft een bijl’

Bovenal overheerst de warmbloedige ondertoon waarin de herinneringen zijn vervat. Sentimentaliteit is buiten de deur gehouden. Daarvoor is de toon ook weer te nuchter. Die nuchterheid duikt slechts even onder als de toon hier en daar tegen archaïsche bijbeltaal aanleunt: ‘maar wee u, als de korrel wordt vermorst / op aarde zal het oogstlied niet verstommen.’
Toch staan er ook wel enige gedichten in die meer vanuit autobiografische noodzaak zijn geschreven dan vanuit een dichterlijk gemoed. Dan overheerst de anekdote en komen de woorden, vanwege de hoeveelheid feiten die ze moeten schragen, niet van de grond. En krijgen ze voor de buitenstaander weinig betekenis.
Zelf had ik misschien wat meer nuchterheid opgeofferd willen zien aan de melancholie. Een van de weinige gedichten die een wat melancholische inslag hebben is:

‘Boven de velden was de vrije lucht,
bestond geen paal en perk
voor al wat vleugels had.
Beneden was beweging afgepast,
drentelde tussen draad en sloot en vee.

Behalve op de stille zomeravonden,
laat aan het kanaal. Aan de overzij
graasden de koeien op de wei, terwijl
ter zelfder uur en zonder onderscheid
– jouw hengel wees het wonder aan –
zij zweefden aan de aarde, in het grondeloze
hemeldal van ongerimpeld water.

En in de wijde omtrek was geen mens
dan jij, verzonken in het tafereel
van eeuwigheid en tijd, die droomde
van een wereld geenzijds, binnen hand reik ?

zolang de stilte duurde, geen zuchtje wind opstak.’

Schreef ik dat alle gedichten in een eenvoudige, nuchtere taal zijn geschreven? Voor één gedicht is een uitzondering gemaakt. Het betreft het openingsvers dat als enige een titel draagt en in cursief is gedrukt:

Ansicht

Om de verwachting krijg ik je lief,
waaks boerenmeisje in kuis
autochtoon goed: welk punt des tijds
heeft in je ogen dit verre turen

uitgericht? Aanzicht met groeten
uit Staphorst. Voor wie er niet wezen moet.

Dit vers is echt een buitenbeentje vanwege de lyrische, dichterlijke toon en het ietwat ironische perspectief van waaruit het geschreven lijkt. Zuiver lyrische zinnen als ‘en hun stemmen stegen eenparig hun ogen vooruit.’ (gezegd van het gemengde Kerstkoor in een van de laatste gedichten) zijn in de bundel zeer schaars. Wie zich liever tot dergelijke lyriek bekent, leze een andere bundel. Ik wil eerlijk zeggen dat Staphorst mij toch meer bood dan ik aanvankelijk vreesde toen ik las dat dit het werk van een waarlijk gelovige dichter was. Na lezing zou je het haast betreuren dat die wereld ? waarin een zwakzinnige minder misplaatst lijkt dan een ongelovige – van alweer een ruime halve eeuw geleden, vermoedelijk enkel nog in deze bundel bestaat.

 

 

Staphorst
Koos Geerds
gedichten
Verschenen bij: De Arbeiderspers
ISBN: 9789029520980
53 pagina's
Prijs: € 17,95

Meer van Albert Hogeweij:

18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy
2 februari 2017

Vormvast en elegant van stijl

Over 'Viviane Élisabeth Fauville' van Julia Deck
15 december 2016

Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

Over 'Poèmes secrets / Geheime gedichten' van Guillaume Apollinaire

Recent

22 augustus 2017

Variabele verhalen in prettige stijl geschreven

Over 'Astronaut' van Pieter Kranenborg
17 augustus 2017

Vergeefse strijd heeft een mooie bundel opgeleverd

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
16 augustus 2017

Ideale bestaansvorm