Ramsey Nasr – Onhandig bloesemend

Van schreeuwende uitbundigheid tot mooie ingetogenheid

Pelgrim

Ramsey Nasr denderde in 2000 de poëzie binnen met de bundel 27 gedichten & geen lied waarvoor hij de nominaties binnenhaalde voor de C. Buddingh’-prijs en H.C. Pernathprijs. De monoloog in verzen Geen lied werd bekroond met de Taalunie Toneelschrijfprijs. Zijn geloofsbrieven heeft hij intussen dus wel afgegeven. Intussen is er een nieuwe dichtbundel van hem verschenen, Onhandig bloesemend.

Kenmerkend voor Nasrs poëzie is de totale inzet waarmee hij dicht, de grote gebaren die hij maakt. Dat kan niet altijd goed gaan, maar met zijn gedrevenheid komt hij de lezer dicht op de huid. Technisch goede poëzie, maar tegelijk veilige poëzie, waarbij de dichter zich niet uitlevert aan de lezer. Of boven de zelfingenomen poëzie, waarbij de dichter alles wat hij afscheidt als iets waardevols ziet. Eigenlijk is ook dat veilige poëzie: de dichter is zo zeker van zichzelf, dat hij niet meer geraakt kan worden door reacties van anderen. Nasr kiest voor iets anders. Hij kiest er niet alleen voor, hij gelooft erin, het is een credo, een levensovertuiging, hij staat ervoor. Met volle overtuiging en tegelijk in al zijn kwetsbaarheid. Uiteindelijk komt het neer op ‘baarlijke liefde’, onverholen liefde, zich ongeremd geven. Laat het maar schuim zijn, laat het maar ijdelheid zijn, laat het maar op de nacht uitlopen, de dichter koestert het. Niet voor niets is dit gedicht opgenomen in de cyclus ‘Dichter liefde’, een serie gedichten die eigenlijk een liefdegeschiedenis is, soms verteld in de ik-vorm, soms is de hoofdpersoon Frederik Wonderlik. De cyclus begint met een overrompelende verliefdheid (‘dat was in de wonderbaarlijke maand/van bloesemingen en overvloed/toen mijn borstkas opstoof als papaver’) en het eindigt, zoals alles in dit leven eindigt (‘Frederik wonderlik was feilloos/op slag een sterveling geworden’).

De derde afdeling van Onhandig bloesemend heeft de titel ‘Wintersonate (zonder piano en altviool)’ Het is een In memoriam voor Dmitri Sjostakovitsj, gebaseerd op diens altvioolsonate opus 147 en heeft kent de onderdelen ‘moderato’, ‘allegretto’ en ‘adagio’. Zoals ik uit de gedichten opmaak, werd Sjostakovitsj geteisterd door ‘kanker en infarcten van het hart’: (…) iemand moet het me toch zeggen iemand stompt mijn toverballen uit een voor een niet geel niet rood oranje roze bloesemend zwart ben je van binnen en het zaait zich uit vader het ziet er niet goed uit en er is geen dokter knap genoeg voor jou om jou te maken (…) Daarnaast had Sjostakovitsj te kampen met het Sovjetregime. Verschillende keren viel hij bij de machthebbers in ongenade. Chaos in plaats van muziek maakte hij, verweten ze hem. Maar hij werd ook weer in genade aangenomen als hij in zijn symfonieën de recente geschiedenis van zijn land toonzette. Waarschijnlijk is over geen enkele componist zo gepolemiseerd als over Sjostakovitsj. Ook Nasr mengt zich in de discussie. Hij laat zien hoe lastig het was om componist te zijn in die tijd, in Rusland. Sommige instrumenten (de trombone bijvoorbeeld) waren verdacht. De Sjostakovitsj zoals Nasr hem tekent, verheelt de gruwelen van het regime niet: ‘(…) en dima gatsjev is vergeten het ongeluk wilde dat gatsjev frans kende gatsjev kreeg vijf jaar hij was een sterke man een paar dagen voor het einde kreeg gatsjev te horen dat hij tien jaar erbij kreeg dat brak hem (…)’

In zo’n fragment gebruikt Nasr een kale stijl, alsof hij een reportage maakt. De feiten spreken voor zich en daar hoeft de dichter niet tussen te gaan zitten. Het laat wel de veelzijdigheid van de dichter zien: hij varieert van bijna genante uitbundigheid tot uiterste ingetogenheid; een stem met een groot bereik. Nasrs Sjostakovitsj ironiseert de manier waarop machthebbers hun waardering lieten blijken. Zo schetst hij een tuin (‘de dappere tuin van volkskunstenaren (…) goedgekeurd én ontworpen door de opperste leider der proletaren’) waarin de meest glorieuze bloemen staan te bloeien, waarbij natuurlijk niet toevallig het woord ‘bloemenrijk’ wordt gebruikt. Naast de hortensia, de tulp en de fuchsia zijn daar bijvoorbeeld te vinden: (…) kameraad gras! * lid van de commissie voor sierbloemen, bossen & peulvruchten en dan ja dán! kameraad aardappel! * held van de socialistische arbeid * voorzitter van de knollenbond van de RSFSR * afgevaardigde van de opperste sovjet van de USSR voor het district gorki * großer stern der völkerfreundschaft in goud van de DDR * stalinprijs 1e klasse (…) De cyclus eindigt met de dood van de componist, gedeeltelijk cursief afgedrukt.

Schaamteloos lyrisch, maar als lezer heb je het idee dat het ook niet anders kan en mag. De dichter staat steeds naast de componist. Hij verdedigt niet alleen de positie die Sjostakovitsj in de Sovjet-Unie ingenomen heeft en de keuzes die hij gemaakt heeft, maar hij laat hem ook vooral als mens zien. Aan het eind van de cyclus laat hij de mens zien die bang is en vastgehouden wil worden, maar die zich nergens voor hoeft te schamen. En natuurlijk is het slotakkoord voor de muziek. Pas bij de dood van de componist is ook de muziek klaar.

 

 

Omslag Onhandig bloesemend - Ramsey Nasr
Onhandig bloesemend
Ramsey Nasr
gedichten
Verschenen bij: De Bezige Bij (2004)
ISBN: 9789023414292
78 pagina's
Prijs: € 0,00

Recent

16 februari 2018

Een moeder die van voetbal houdt

Over 'Geen kunst' van Péter Esterházy
14 februari 2018

Gedenkteken in woorden

Over 'Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken' van Arjen Van Veelen
13 februari 2018

Rauwe en niets verhullende gedichten

Over 'Mammie' van Ronelda Kamfer
12 februari 2018

Failliet van het Nederlandse asielbeleid

Over 'Wat we weten' van Arthur Umbgrove
9 februari 2018

'Als een mierenhoop onder de sneeuw'

Over 'De zeven broers' van Aleksis Kivi