5 mei 2011

Recensie: Niets gaat ten onder – Louis Paul Boon

Recensie door: Machiel Jansen

Uitgeverij de Arbeiderspers is enige tijd geleden begonnen met het uitgeven van het verzameld werk van Louis Paul Boon. Deel negen is onlangs uitgekomen en bevat de roman Niets gaat ten onder uit 1956, samen met een uitgebreid nawoord.

Niets gaat ten onder is een kleine roman, in deze uitgave nauwelijks 100 bladzijden lang. De roman verscheen drie jaar na Boons meesterwerk De Kapellekensbaan, maar lijkt hier in bijna niets op. De taal is een stuk minder Vlaams, de stijl zakelijker, minder uitbundig en de constructie is conventioneler en veel minder experimenteel. Het verhaal is bovendien uiterst zwaar en donker, wat je van De Kapellekensbaan toch echt niet zeggen kunt.

Dat uitermate donkere en duistere verhaal wordt ons verteld door de hoofdpersoon Frans Ghoedels. Frans is een man zonder ruggengraat, blijkt al snel. Hij is niet in staat zich te verzetten of in te gaan tegen de wil van anderen. Zelf lijkt hij geen wil te hebben en is hij voortdurend speelbal van krachten die buiten hem omgaan en hem dreigen te verpletteren. Het is de voortdurende vervreemdende atmosfeer die dit verhaal beheerst.

Het decor wordt gevormd door de technische jongensschool Constructa waar Frans eerst leerling en later leraar is. De naam van de school doet een beetje denken aan de gewapende betonnamen van Bordewijk en er gaat van dit instituut iets dreigends uit. Frans is er leraar tegen wil en dank. Hij kijkt op tegen zijn meerderen in de school die hem al met blikken kunnen vermorzelen. Er is de directeur Henry die door zijn uiterlijk en macht Frans doet ineenkrimpen. De vroegere eigenaar van de school, een man die de kaalkop wordt genoemd, lijkt alleen al door zijn verschijning een verschrikking voor Frans.

Hij trouwt met Agnes, een vrouw vele malen sterker en oneindig ambitieuzer dan hij zelf. Want Frans bestaat zelf uit niets, of bijna niets. Het enige wat hem drijft is een verlangen naar rust en het zijn zijn spermatozoïden die hem bij vlagen dwingen actie te ondernemen. Frans lijdt onder de ambitie van echtgenote Agnes. Zo wordt hij er op uit gestuurd om loonsverhoging te vragen. Een taak waar hij nauwelijks de kracht voor lijkt te hebben en waar hij zich desondanks maar nauwelijks tegen verzet.

‘Nu was zij daar weer met iets nog wreder. Ik moest eindelijk meneer Henry over een hoger loon spreken. Het bloed bevroor in mij toen ik haar dat hoorde uitspreken.
“Gij zijt wreed, Agnes!” fluisterde ik schor.
“En gij… gij…!” Zij sprak het niet uit. Haar met vlekken bezaaide gelaat bracht ze integendeel dicht bij het mijne. Haar hand kwam eveneens op de mijne te liggen. In een plooi van haar voorhoofd zat een kleine, zwarte maai.’

Constructa is een broeinest voor gefnuikte ambities, machtspelletjes en uiterlijke schijn. Deugd wordt gepredikt maar pornografie beheerst de fantasie. Orde en gehoorzaamheid worden geëist maar ondertussen woedt er een voortdurende strijd om de macht. In die strijd is Frans een speelbal van de wil van anderen. Hij is in de kern leeg en zonder wil, ‘over niets en over niemand’.

Het duistere verhaal doet existentialistisch aan. Dat is ook niet zo vreemd, gezien de tijd waarin het geschreven is. Begin jaren vijftig was het existentialisme zo populair dat iedereen, niet alleen intellectuelen, zich ermee bezig hield. Je kon existentialistisch dansen, je existentialistisch kleden en existentialistisch naar Franse chansons luisteren. Je kocht de boeken van Sartre, de Beauvoir en Camus en beweerde die te begrijpen. Ondertussen rookte je sigaretten op existentialistische wijze.

Maar Boon was een veel te goed schrijver om alleen maar een mode te volgen. In Niets gaat ten onder speelt de vervreemding weliswaar een grote rol, maar Boon voegt er een element aan toe. De vervreemding zit hem hier in de leegte, de kunstmatige, harde ambities van echtgenote Agnes die er alles, ja alles, voor over heeft haar Frans directeur van Constructa te maken. De vervreemding toont zich ook in de onmacht van Frans, die zich niet kan verzetten tegen de krachten die op hem inwerken. Volgens existentialisten moet de vervreemding ons aantonen dat het leven geen zinvolle kern heeft; het leven is absurd en alles van waarde is weerloos.

In Niets gaat ten onder kom je ook zinnen tegen die de menselijke toestand existentialistisch beschrijven. Zoals deze: ‘De mens is een ontspoord wezen. Deze hersenen van hem zijn iets hinderends, iets onnatuurlijks. De mens gaat ten gronde aan het wapen, waarmee hij de andere dieren heeft overwonnen.’

De vervreemdende leegheid is sinds Kafka vaak uitgewerkt maar, zoals gezegd, Boon voegt er iets aan toe. Frans wordt ook voortgedreven door seksuele krachten, door Boon de ‘macht van de spermatozoïden’ genoemd. Wie Boons werk kent, kan zich daar niet echt over verbazen. Seks als belangrijke, primitieve drift is net zoals schijten en pissen een oerbehoefte waar gerust over gepraat en geschreven kan worden. Het hoort bij het leven, net als ademen, praten en, in Boons geval, schrijven. Zo ook in Niets gaat ten onder: Frans bevredigt zichzelf, zijn vrouw Agnes biedt haar lichaam aan om haar ambities te verwezenlijken en in een merkwaardige scene wordt Frans door zijn geilheid de straat opgedreven om zich daar bijna als een exhibitionist te gedragen. Seks, erotiek is hier net als de ambitie van Agnes en de belanghebbenden in Constructa, een donkere vervreemdende kracht die zelfs overgaat in een ongezonde doodsdrift. Het bevredigen van de meest primitieve verlangens gebeurt in het geheim en wordt bedekt met de sluier van fatsoen. Achter de nette façade van Constructa broeit het, gieren de ambities, het egoïsme en de geilheid door de lichamen.

Het moet in de jaren vijftig een schokkende ervaring zijn geweest dit werk te lezen. De provocatie is er in de loop der jaren afgesleten. Wat overblijft is een verhaal dat doet denken aan Kafka, Camus en Bordewijk maar vooral toch erg van Boon is. Ondanks enkele zwakheden blijft het verhaal overeind. Boon is een geweldig schrijver en daarom kun je hem veel vergeven.

De leegheid van hoofdpersoon Frans en de vernederende toon waarop hij herhaaldelijk zichzelf beschrijft, zijn zwaar aangezet. Soms te zwaar. Herhaaldelijk vergelijkt hij zichzelf met een wurm die als enig verlangen heeft ‘een vrucht te mogen binnendringen en kapotknagen’. Die zelfvernedering gaat soms ver omdat Frans niet in staat is enig initiatief te nemen, en kun je je tegen het einde van de roman wel aan hem gaan ergeren. Ook kun je kritiek hebben op het aantal personen dat in de top van Constructa een plaats heeft. Behalve directeur Henry en Agnes komen voor: meneer Broecks, de deken Van Houtte, een ijzerhandelaar, de Kaalkop, een arts, een homofiele boekhouder, een collega leraar en de jonge vrouwen Eva en Margaret. De noodzaak om zoveel mensen een plaats te geven in een roman van nauwelijks 100 pagina´s lijkt te ontbreken.

De schrijvers van het nawoord van deze ‘wetenschappelijk’ verantwoorde uitgave denken daar trouwens heel anders over. Zij beweren dat Niets gaat ten onder een heuse allegorie is, en dat sommige personen symbool staan voor een instituut in de moderne maatschappij. Zo zou de naam van de directeur van Constructa Henry verwijzen naar de letters INRI, die je in de meeste katholieke kerken kunt aantreffen. De bijnaam die Frans op de allerlaatste bladzijde krijgt, de Kurk, zou volgens de schrijvers van het nawoord ook een verwijzing zijn naar de kerk. Helaas wordt verder geen enkele poging gedaan deze interpretatie aannemelijk te maken. Het lijkt me een volstrekt uit de lucht gegrepen poging om Boons werk symbolisch te duiden.

Datzelfde nawoord geeft overigens nog wel aardige informatie. Het toont foto’s van de technische school waar Boon ooit zelf leerling was en beschrijft de totstandkoming en de ontvangst van de roman door geschokte en soms bewonderende critici. In eerste instantie stonden zelfs Boons vrienden afwijzend tegenover publicatie van de roman. Hubert Lampo had het er moeilijk mee, zoals blijkt uit een afwijzingsbrief die hij namens de redactie van het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift aan Boon stuurde. ‘Ik vind dat men geen Boon weigert’, schreef hij en voor die houding is veel te zeggen. Louis Paul Boon behoort tot de allerbeste schrijvers in het Nederlandse taalgebied. Niets gaat ten onder, is niet zijn meesterwerk, maar wel waard herondekt en gelezen te worden.

Niets gaat ten onder

Auteur: Louis Paul Boon
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
Prijs: € 19,95

Meer van :

23 november 2017

Weidse landschappen, bekraste zielen

Over 'Idaho' van Emily Ruskovich
21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

Over 'en toen aten we zeehond' van Nicoline Timmer
20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman

Verwant