Esther Jansma – Recensie: Mag ik Orpheus zijn?

Recensie door: Albert Hogeweij

Recensie door Albert Hogeweij

Waar houdt de werkelijkheid op en begint fictie? Wie kan ‘ik’ allemaal zijn? Waarmee voeden wij onze verbeelding ? Hoe horig is het ‘lyrisch ik’ aan zijn schepper? Dit soort vragen lagen ten grondslag aan een viertal lezingen die dichteres Esther Jansma (1958) heeft gehouden in Berkeley en als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Groningen. Deze lezingen zijn onlangs tot vier publicabele essays bewerkt en gebundeld in Mag ik Orpheus zijn?

Het eerste stuk J is voor Janus, v is voor vis is exact wat de ondertitel ervan beweert: ‘een alfabet van invloeden’ in de wijdste zin. Zo lezen we bijvoorbeeld bij de letter H: ‘H is ook voor heel, zoals in heel, heel, heel, heel, veel. Als dichter vind ik: schrap dat heel, heel, heel en je hebt het begin van iets, een stemming, een ritme, iets was uiteindelijk een regel poëzie kan worden. Als mens zeg ik: Heel, heel, heel veel is niet genoeg. Mag ik meer, alsjeblieft?’

We lezen ook dat Italo Calvino Esther Jansma tot het inzicht bracht ‘dat lichtheid niet een teken is van oppervlakkigheid, maar dat het een essentie is van het bestaan’. De toon van Jansma in deze bundel is ook licht, al voel je de zwaarte eronder soms gloeien. Jansma legt ook uit waarom ze schrijft: ‘Ik schrijf omdat de werkelijkheid onverschillig is en ik niet graag in een onverschillige werkelijkheid leef. Ik wil me met de wereld verbonden voelen. Dus ik beschrijf hem, bij wijze van remedie. En steeds is de wereld persoonlijker en zinvoller, treuriger, gelukkiger, grappiger, bozer, muzikaler dan hij vóór mijn beschrijving was.’
De Z staat, zeer geruststellend, ‘voor slapen, voor een pauze inlassen, op je rug liggen en zinken in het niets, dingen niet weten en dat eindelijk ook mogen van jezelf. [cursivering AH]’ Een bladzijde daarvoor heeft ze al gezegd: ‘Als ik aan vissen denk, denk ik aan ruimtevaart. Aan het feit dat ik de wereld niet begrijp. Niet begrijpen is de brandstof voor het schrijven van poëzie’. Het heeft er de schijn van dat Jansma iets in zichzelf heeft te overwinnen om in een voor poëzie bevattelijke staat te geraken. De drang om te willen weten moet een halt worden toegeroepen. Beredeneerd schrijven over hoe poëzie tot stand komt, heeft daarom meestal iets onbevredigends. Het bijt zich al gauw in de eigen staart.

Het tweede essay Dagboek of kunstwerk; het van taal gemaakte ik, wil een pleidooi zijn voor de creativiteit van de verbeelding die dwarsverbanden legt tussen allerlei lagen van tijd, gebeurtenissen en personages. De beste tekst van de bundel, opgeluisterd met mooie, beeldende passages: ‘zoals hij vertelde over oude mensen die hun leven lang sparen voor doodsgewaden van kant en met parels alsof ze de dood zullen trouwen zodat ze tenminste één keer in hun leven zo mooi en rijk zullen zijn als hun dromen waarin alles weer goed komt.’ Proza waarin de verbeelding aan zet is. ‘Ik lag op de zaal waar oude dames stierven. Terwijl ze dat deden, leerden ze mij dat ik paars en rood nooit naast elkaar mocht borduren. ‘Die kleuren vloeken’, zeiden ze. En ik maar luisteren naar mijn handwerk.’ Jansma op haar best.

Hier en daar stuit je op poëticale passages. De treffendste vond ik deze, die volgt op de stelling dat fictie en werkelijkheid inwisselbaar zijn voor wat betreft hun waarheidsgehalte: ‘Ik klei met de aanslibsels van mijn eigen bestaan. Zo gebruik ik de taal waarin ik heb leren denken: een prachtige taal uit een klein taalgebied. Zo gebruik ik mijn jeugd, dat miasma waaruit ik maar geen wijs kan worden, waarin ik maar hoef te hengelen en ik vis iets op wat voor mij fictie is. Zo gebruik ik gaten waarin ik later ben gevallen en waarover ik hier verder zwijg omdat ze niets meer zijn dan bijvoorbeeld een kindje dragen door een vreemde gang, de blik die het wierp, die laatste gang en dat was het.’ Maar het mooiste vond ik in een schitterend terzijde, waartoe Jansma zich laat verleiden terwijl ze een over de telefoon babbelende stem aanhoort die het erover heeft ‘dat de mens de dood met de tijd een plekje geeft’: ‘Bij zo’n ‘plekje’ zie ik een damesblad voor me met daarin knusse tekeningen van koolmeesjes en koorden met pinda’s. De eigenaresse van het blad komt uit de tuin gelopen, trekt bij de keukendeur haar door het tuinieren modderig geworden laarzen uit, kijkt tevreden over haar schouder naar het ‘plekje’, in dit geval een herfststuk van met ijzerdraad bij elkaar gehouden takken, paddenstoelen en noten, hieraan kunnen de buren zien dat zij met liefdevolle vrouwenhand de omgeving verzorgt en ook goed is voor de dieren, en gaat naar binnen. Ze zet thee en begint de voorbereidingen voor een dure, zeer langdurige bouillon.’ Vooral die laatste zin deed het ’m. Als Jansma even niet haar punt hoeft te scoren of de behoefte voelt een terugkoppeling te maken naar hoe het met haar gedichten zit, is ze mij het liefst. Haar beeldende schrijfstijl is al voldoende bewijs, legt al genoeg van het wezen der verbeelding bloot. Maar wanneer er dan de explicatie volgt: ‘En juist daar zit een kern van mijn dichterschap. Ik cirkel om onderwerpen die in essentie psychologisch zijn’ is het alsof een komiek uitlegt waarom hij zo grappig is. Show, don’t tell! Daarbij komt dat ik diep in mijn hart van mening ben dat een dichter, kunstenaar of wat dan ook beter niet over eigen werk kan uitweiden. Die heerlijk relativerende houding van Gerard Reve, al dan niet gemeend, dat ‘het allemaal kunst en dus flauwekul’ is, komt mij dan opeens zoveel voornamer voor.

Het derde opstel Lenen en stelen; de gouden greep uit andermans gedichten behandelt het ‘eten’ van andermans gedichten en de spijsvertering ervan. De dichter waarvan zij veel gesnoept heeft, is de Amerikaanse dichter Mark Strand, uit wiens gedichten Esther Jansma en Wiljan van den Akker de vertaalde bloemlezing Gedichten eten samenstelden. In dit stuk legt ze uit hoe het leentjebuur spelen bij collega-dichters in zijn werk gaat. Het is aan de zich toeëigende dichter om andermans vruchten aan te lengen met eigen gedachten, ‘full-colour dromen’ om ze vervolgens in te passen in het eigen werk. Waar de grens tussen fictie en werkelijkheid, tussen gelezen passages en beleefde ervaringen in wezen niet getrokken kan worden, kan Jansma dit stuk met recht besluiten met de stelling: ‘De werkelijkheid is een bomvolle ruif’.

In dit boekje bepleit Jansma dat ze in werkelijkheid iedereen had kunnen zijn, en daarom in fictie iedereen mag zijn. Maar de literaire critici zouden haar het liefst willen vastpinnen op dat ene ik, waarvan bekend is dat die archeologe is en een moeder die ook nog eens twee kinderen verloor, om daarmee doof te blijven voor al die andere ‘ikken’ die Jansma graag het woord wil lenen. Het laatste essay, dat de titel van de bundel draagt, en ‘over de grenzen en de douaniers van de taal’ gaat, stelt deze problematiek centraal. De felle toon, hier en daar gekruid met onvervalst sarcasme, laat zien dat deze kwestie Jansma hoog zit. Het deed mij echter minder dan de andere drie stukken. Het is ook niet geheel vrij van academische haarkloverij. Voor de studenten, voor wie het in eerste instantie geschreven is, biedt het natuurlijk aardige aanknopingspunten om verschillende stijlen van tekstinterpretatie aan de orde te stellen.

Jansma claimt het recht dat recensenten haar werk dienen te beoordelen naar wat de tekst ervan zelf prijsgeeft, zonder er buitentekstuele feitjes bij te slepen om hun interpretatie kloppend te maken met hun vooroordelen. Een puur formalistische benadering van de tekst als autonoom en esthetisch product (zo eentje die in de jaren ’60 door het tijdschrift Merlijn van Oversteegen en Fens werd voorgestaan en die op de Nederlandse universiteiten de term ‘close reading’ tot een begrip maakte) , zouden haar gedichten meer recht doen dan de biografische behandeling waaraan ze dikwijls in recensies worden bloot gesteld. Zinnetjes als ‘ik ben wat ik opschrijf. En nee, ik ben het niet en nooit geweest.’ en ‘Ik schrijf als ik daar zin in heb over mij vreemde emoties’ zijn te lezen als waarschuwingen aan de beroepslezers om de ‘ik’ in de gedichten in Jansma’s gedichten nu eens niet gelijk te stellen met een vrouwelijk ik, dat ook nog eens moeder, archeologe enz. is. Want vaak genoeg is Jansma gewoon eventjes de ‘buurman met zijn bloemkooloor’ geworden. Een naam die in dit kader opvallend genoeg niet valt, is die van T.S. Eliot. Als geen ander bepleitte deze Amerikaanse dichter een vlucht uit de persoonlijkheid. Hij gaf zich er reeds in 1919 in Tradition and the Individual Talent rekenschap van dat de dichter de ‘emoties die hij nooit heeft ondergaan evenzeer zal gebruiken als de emoties waarmee hij vertrouwd is’.

Hoe het ook zij, de zuiver tekstgerichte literatuurkritiek mag binnen de muren van de academische wereld haar zegenrijke werking hebben gedaan, daarbuiten gaat men zich tot op de dag van vandaag zonder gêne te buiten aan allerlei vormen van biografisme. Zo kan er tegenwoordig geen schrijversbiografie verschijnen of deze wordt beoordeeld naar de mate waarin de biograaf erin geslaagd is nieuw licht te laten schijnen op de relatie leven/werk van de betreffende schrijver. Hartstikke zondig natuurlijk, maar ja, wat doe je eraan? Het beste weerwoord tegen stompzinnige kritiek is en blijft een gedicht waarin je de beroepslezers te kijk zet. Dat deed Jansma dan ook met haar gedicht De omwentelaar. Punt voor Jansma, zou je denken. Maar zo makkelijk gunt Jansma zich de overwinning niet. Zij spiegelt haar succes vervolgens weer aan het commentaar op dat gedicht van de heren critici, die zich natuurlijk opnieuw bezondigen aan de identificatie van het ‘lyrisch ik’ met de persoon Esther Jansma. En daarmee mag het literaire steekspel zich weer herhalen. Ook als bewonderaars haar prijzen als ‘de vrouw die haar leven zo prachtig poëtisch verwerkt’ schiet dat compliment bij Jansma in het verkeerde keelgat. Want het is ‘haar leven’ helemaal niet! Menig dichter in Nederland zou wensen dat hij Jansma’s problemen had. Misschien is Jansma bij de letter P in het alfabet van invloeden ‘perfectionisme’ vergeten te noemen?
Aan het eind gekomen stelt Jansma zich de vraag of het ‘lyrisch ik’ dat zij opvoert Orpheus mag zijn? Nee, dat is haar niet toegestaan, stelt ze resoluut. Maar daarmee gaat Jansma natuurlijk niet akkoord. ‘Want ik mag iedereen zijn. Niet de grensbewakers van de taal bepalen wat ik schrijf, maar dit veelstemmige ik van mijn eigen mij, dat zelf de pen vasthoudt en aanstuurt.’ De zaak voorleggen aan de Rijmende Rechter? Niet echt nodig. Jansma heeft natuurlijk wel gelijk, maar wanneer men bedenkt dat diezelfde Eliot kon menen dat ‘poetry can communicate before it is understood’ is mijn advies: laat je niet teveel aan slordige interpretaties gelegen liggen. Het enige dat er toe doet is de kracht van eigen scheppend werk. Zolang men Jansma het dichten niet verbiedt kan zij haar gelijk botvieren. Maar dan het liefst wel een in gedichten gegoten gelijk.

Mag ik Orpheus zijn?
Essays

Auteur: Esther Jansma
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
90 pagina’s
Prijs: € 17,95

Omslag Recensie: Mag ik Orpheus zijn?  -  Esther Jansma
Recensie: Mag ik Orpheus zijn?
Esther Jansma
ISBN: 9789029575218

Meer van Albert Hogeweij:

Recent

23 oktober 2018

Bredero, een schrijver die schildert met woorden

Over 'De hartenjager' van René van Stipriaan
22 oktober 2018

Etalage en aan de haak geslagen mannen

Over 'Klootzakjes' van Anne-Marieke Samson
19 oktober 2018

De man die wachtte

Over 'De belofte' van Friedrich Dürrenmatt
18 oktober 2018

Een strijdbare vrouw

Over 'Rebel' van Angelica Balabanoff
17 oktober 2018

Snippers vol belofte

Over 'Röntgenfotomodel' van Vicky Francken

Verwant