13 december 2010

Recensie: Gedichten 1962 ? 1990 – Hans Faverey

Recensie door: Albert Hogeweij

Recensie door Albert Hogeweij

‘Zonder mijzelf heb ik geen toekomst’ schreef de dichter Hans Faverey. Maar met deze uitspraak deed hij zijn gedichten, en daarmee indirect zichzelf, enigszins te kort. Want van enig Nachleben kan men intussen wel spreken, nu de vierde druk van zijn ‘verzamelde gedichten’ zojuist van de pers is gerold. Wat de toekomst betreft kan de dichter, die 20 jaar geleden stierf, voorlopig weer even vooruit. Maar met deze vierde editie is iets bijzonders aan de hand, hetgeen ze bij De Bezige Bij bijzonder genoeg vonden om er middels een buikbandje gewag van te maken: in deze editie staan niet alleen de Verzamelde Gedichten zoals we die uit de eerdere edities kennen, maar zijn er ook 193 ‘niet eerder gepubliceerde gedichten’ uit Faverey’s nalatenschap in opgenomen. De hierboven geciteerde regel is afkomstig uit zo’n nagelaten gedicht. Nu behoeft de toevoeging ‘niet eerder gepubliceerde gedichten’ de nuancering dat een klein deel van deze gedichten reeds was opgenomen in de door de weduwe van Faverey in 2000 samengestelde bundel Springvossen. Maar soit. Het blijft een bijzondere uitgave waar veel poëzieliefhebbers naar hebben uitgekeken. Niet dat deze uitgekeken raakten op de acht reguliere bundels die Hans Faverey (1933 ? 1990) bij leven publiceerde, maar de reeds eerder gedane onthulling dat er nog zoveel typoscripten, manuscripten zouden liggen, maakte begerig naar meer.

Marita Mathijsen, die in 1993 ook tekende voor de totstandkoming van de Verzamelde Gedichten van Faverey, lost met deze speciale vierde druk, haar zeventien jaar geleden gedane belofte om ook het nagelaten werk uit te geven, met glans in. Vol overgave dook ze in de papieren. En wat bleek? Faverey liep in zijn aanvangsfase ook vele blauwtjes op met zijn inzendingen van gedichten naar literaire tijdschriften. Zelfs een complete bundel werd door uitgeverij Querido in 1964 afgewezen! Achteraf lach je er natuurlijk om. De betrokken redacteuren worden er liever niet meer aan herinnerd. De 33 gedichten uit die afgewezen bundel komen nu eindelijk volledig binnen bereik van de lezer (de helft ervan had overigens al een plaats gekregen in ander regulier uitgegeven werk). Mathijsen beperkte zich tot de voltooide, ongepubliceerde gedichten. Waarbij zij aangetekent, dat voor de editietechniek het onderscheid tussen ‘voltooid’ en ‘publicabel’ niet telt. Versies die naderhand door de dichter ten dele verbruikt zijn voor een naderhand gepubliceerd gedicht vielen af. Enfin, Mathijsen zet haar consciëntieuze werkwijze nauwgezet uiteen. Uiteindelijk blijken 193 nagelaten gedichten aan haar criteria te voldoen. Ze sluit intussen niet uit dat een andere editeur tot een andere selectie was gekomen.

In deze vierde druk volgt het nagelaten werk op het gepubliceerde werk, en wordt het, voor zover te achterhalen viel, in chronologische volgorde gepresenteerd. En passant zinspeelt Mathijsen zelf op de zinvolheid van een editie die ook kladversies en varianten zou bevatten. Ach, moge zo’n uitgaaf ooit verschijnen…

Faverey schijnt in zijn leven slechts vijf interviews te hebben gegeven. Het zal mij benieuwen of hij zich bij deze publicatie van zijn nagelaten werk niet postuum zou hebben laten verleiden tot een zesde interview. Wat zou zijn oordeel zijn over deze gang van zaken? Tja, graven worden ontruimd, en nagelaten werk kan gepubliceerd worden indien het bij leven van de dichter niet door hem zelf aan de vlammen is prijsgegeven. Maar misschien zou hij het stiekem ook wel eervol vinden, al dat gewroet in zijn nagelaten papieren. Want die eer vallen alleen de allergrootsten ten deel.

Door de chronologische presentatie van dit nagelaten werk (en de bijgeleverde lijst van dateringen) laat zich dit werk mooi vergelijken (‘spiegelen’ noemt Mathijsen het zelf) met het gepubliceerde oeuvre. De meeste opgenomen nagelaten gedichten dateren uit de 60’er en 70’er jaren. In de jaren tachtig was Faverey wellicht zo volleerd dat hij minder tussenstappen nodig had tot het volmaakte gedicht?
Wie verbaast het dat in dit ‘spiegeloeuvre’ dezelfde tendens te bespeuren valt als in het ‘echte’ werk: gaandeweg raken de gedichten meer gestoffeerd, worden ze minder kaal, minder basic. De gedichten zijn voltooid genoeg om de sporen van zijn techniek na te laten: de witregels, als bakens voor het ritme, ontbreken dan ook niet. Het poëtisch bindmiddel van de herhaling van woorden, van delen van een zin, evenmin. En ook hier treffen we woorden aan die het opnemen tegen hun betekenis, tegen de onmogelijkheid het onmogelijke tot stand te brengen. Ook hier gaat de logica van het begrip dikwijls in de houdgreep bij de schoonheid van de woorden. Taal die aan het begrip voorbij scheert tot waar schoonheid soeverein is. Faverey’s woorden zijn stuk voor stuk begrijpelijk (en waar hij een nieuw woord verzint als ‘springvossen’ levert dat geen probleem), ook de syntaxis wordt geen geweld aangedaan (hij is geen woordknutselaar, maar eerder een constructeur van lucide taalschoonheid), en het leestempo wordt door de witregels tot een serene rust gemaand. Het is apollinische poëzie in pure evenwicht met zichzelf. Schoonspringen meer dan zwemmen. Spel meer dan sport. De zin is het speelveld van Faverey en hij kan in die zin opeens gaan versnellen, zoals een voetballer met de bal aan de voet opeens versnelt en een of twee tegenstanders het nakijken geeft. Door de buitenspelval van de mimesis te ontlopen, komt hij, daarvan gezuiverd, in het strafschopgebied van de schoonheid terecht, om daar zichzelf eerst als een stervende zwaan te omspelen, alvorens toe te slaan.

Maar waar de perfect gepleegde misdaad verschoond blijft van sporen, stuit je in de nagelaten gedichten hier en daar op een enkele onvolkomenheid, die eigenlijk alleen opvallen omdat ze niet ten volle delen in de glans van de omringende woorden, waardoor de zin waarvan ze deel uitmaken, net niet dat uitgebalanceerde krijgt die de ‘echte’ gedichten kenmerkt. Alsof de concrete aanleiding nog niet afdoende was weggezuiverd. Als voorbeeldje de tweede strofe van een nagelaten gedicht: ‘Ach, dat de dood zich / maar eeuwig fixeerde / in zijn ijzeren spiegel.’ De Favereylezer zal instemmend knikken bij woorden als ‘dood’, ‘eeuwig’, ’spiegel’ en‘fixeerde’ (indachtig zijn ‘credo’: ‘De roekeloze, de meedogenloze schoonheid te fixeren.’), maar het woord ‘ijzeren’ (in combinatie met spiegel) voelt zich niet zo thuis in het Faverey-idioom; Daar komt het woord ‘ijzigst’ meer voor. Of ‘suizende oxyden’, dat omwille van zijn schoonheid haast geen begrip van node heeft. Maar het lezen van een gedicht dat het nèt niet helemaal heeft, is allerminst schadelijk voor de reputatie van deze dichter. Eerder verschaft het de poëzie van Faverey een handvat, een vingerwijzing. Het geeft aan dat de poëzie die door een god geschreven leek, in een mensenschrift zijn oorsprong vond. Men lijkt het raadsel van de ongenaakbaarheid van de geheimzinnige schoonheid in zijn gepubliceerde werk zo een klein beetje op het spoor te komen. En natuurlijk zijn er met deze publicatie pareltjes boven water gekomen. Wat te denken van:

‘Spijkerwit:
een nagelschim.

Zijdevast:
een maanpluim.

Tot in de grond
vervlinderd,
tot in de hemel
verpulverd:

een meidoorn,
een stokroos.’

Dit zou vóór 1970 al geschreven zijn.
En wat te vinden van het volgende nagelaten gedicht:

‘Zodat ik uitzie
door het oog
van mijn naald

en sneeuwblind herken
de zwerfsteen,
sterfsteen onder

mijn tong, splinter
voor splinter

slaagt hij erin
niets te wegen,
niets voor te stellen.’

Deze zouden zo tussen het gepubliceerde werk kunnen.
In de nalatenschap bevonden zich ook enige, in het geheel bewaard gebleven reeksen. Zoals ‘3 slides van vrijwel hetzelfde’ bestaande uit drie gedichten die op elkaar variëren. De eerste daarvan luidt:

‘Overal; anders was het altijd

overal. Soms: of het altijd

tijd is voor dingen
die ik al vergeten was,
voor ik er voor was
gaan zitten. Die zijn

gaan klaarzitten, toen ik
ben gaan liggen; ja, voor
ik mij kon herinneren

hoe ik was gaan zitten,

of ben gaan liggen.’

De andere twee gedichten spelen met de volgorde van de zinnen, draaien het om, maken het anders en toch blijkt de essentie ervan niet wezenlijk veranderd.
Een heel ander gedicht zet zo in:

‘Hoe ooit te ontsnappen
aan de kans te kunnen ontstaan.’

Maar ik kan hier niet blijven citeren. Beter kan ik adviseren: ga naar de boekhandel en schaf dit moois aan. Bedenk daarbij: de enige kritiek die hout snijdt, betreft het ontbreken van een leeslint!
Iets verder in dat ontsnappingsgedicht lees je trouwens: ‘Waarom wil Odysseus / eerst niet en dan wel naar huis.’ Ach, kon de dichter dit zelf ooit nog eens voordragen, met zijn stem…(op de site Boeken van de VPRO zijn overigens enkele voordrachten van de dichter zelf te beluisteren: )

‘Poetry is the supreme fiction’, schreef de Amerikaanse dichter Wallace Stevens. Als ik Faverey lees verhaspel ik het onwillekeurig tot: ‘poetry is the supreme art of reality’. En wel het soort werkelijkheid dat door de presocratische filosofen tot haar essentie is gezuiverd en dat door goden onder een glazen stolp op schaalmodel wordt bewaard. Voor een dichter als Faverey vormt het ideale bouwstof tot het maken van moderne poëzie met het keurmerk ‘klassiek’.

Tot slot wil ik een van de mooiste gedichten van Faverey citeren, eentje van een verontrustende schoonheid. Uit de bundel Tegen het vergeten:

‘De weg die het volbrengt
zijn weg te zijn, die zich voortzet
en zich tot een hinderlaag wordt,

en die telkens, op het heetst
van de middag, versmachtend,

het haast opgeeft, de berm opzoekt,
naar zijn revolver tast: terwijl

intussen de enige weg die hem
overblijft, al maar voortgaat
op de weg die hij inslaat
en inslaat, de ijzigste
leegte ontregelt.’

Faverey wilde gedichten schrijven die eeuwen meegingen. Nu, twintig, dertig jaar verder, kunnen we in ieder geval constateren dat hij keurig op schema ligt.

Gedichten 1962 ? 1990

Auteur: Hans Faverey
Bezorgd door: Marita Mathijsen
Verschenen bij: Uitgeverij De Bezige Bij
Prijs: € 49,90

Recensie: Gedichten 1962 ? 1990
Hans Faverey
ISBN: 9789023458197

Meer van Albert Hogeweij:

18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy
2 februari 2017

Vormvast en elegant van stijl

Over 'Viviane Élisabeth Fauville' van Julia Deck

Recent

24 september 2017

What's in a design

Over 'Kluger Hans' van Redactie o.a. Jonas Vanderschueren, Anton Steen, Dorien De Vylder,
22 september 2017

Modiano's spel met de lezer

Over 'Trilogie van een beginnend schrijverschap' van Patrick Modiano
21 september 2017

Waar het surrealisme binnen dendert

Over 'Duizend vaders' van Nhung Dam
20 september 2017

In de huid van een leeuwin

Over 'De bekentenis van de leeuwin' van Mia Couto
19 september 2017

Nieuw leven beschreven

Over 'Het groeit! Het leeft!' van Marjolijn van Heemstra