Dubravka Ugrešić – De vos

Het totemdier van de schrijvers

Recensie door Adri Altink

Wie het boek achteloos openslaat en begint te lezen zal snel de indruk kunnen krijgen met De vos een nieuwe bundel persoonlijke beschouwingen in handen te hebben van Dubravka Ugrešić, de in Amsterdam woonachtige Kroatische auteur van de verzameling opstellen Europa in sepia uit 2015. Toch staat op het voorplat duidelijk vermeld dat het om een roman gaat. De vos is beiden: een knap in elkaar gestoken verzameling overdenkingen, gebed in fictie, die uiteindelijk componenten zijn van één verhaal over hoe verhalen ontstaan, hoe ze tot ons komen, hoe ze worden opgebouwd en uiteindelijk hoe we er zelf deel van zijn.

Qua compositie dringt zich de vergelijking op met een zesdelige symfonie. Het thema, ‘Verhaal over hoe verhalen ontstaan’ wordt breed uitgemeten in het eerste deel om daarna in allerlei variaties terug te keren in de volgende vijf. Als verbindende figuur loopt daar in wisselende gedaantes de vos doorheen, waarvan Boris Pilnjak (over wie hierna) schreef: De vos is de belichaming van sluwheid en verraad. Als de geest van de vos zicht vestigt in een mens, is het geslacht van die mens vervloekt. De vos is het totemdier van de schrijvers.

Maar de delen grijpen in meerdere lagen op elkaar terug. Zoals Deel 4 over de Russische schrijver Dovjber Levin een heel nieuwe lading geeft aan Deel 2, waarin hij nog een mysterieuze achtergrondfiguur is in heel een andere stemming. En zoals Deel 5 weer een contrapunt op dat tweede deel vormt.

Sproeier
Dubravka Ugrešić werd in 1949 geboren in Kroatië (toen deel uitmakend van Joegoslavië), maar ontvluchtte het land tijdens de Balkanoorlogen van 1991 tot 1995. Ze ging wonen in Amsterdam, maar bleef in het Kroatisch schrijven. Ze ontwikkelde zich tot een breed gewaardeerde essayist en romancier, die door veel Kroatiërs echter wordt ‘uitgespuugd’.

In De vos keren twee thema’s uit deze levensloop voortdurend terug, de moeite van de emigrant om zich ergens thuis te voelen en de verhouding tot de gebeurtenissen in de jaren 90 van de vorige eeuw. Ze bepalen voor een belangrijk deel de kleur van De vos en de keuzes die Ugrešić maakt.

De al genoemde Russische schrijver Boris Pilnjak (1894 – 1938) duikt op verschillende plaatsen in de roman op, maar is in De vos het meest prominent aanwezig in Deel 1. Dat opent al met een prachtig motto: Het echte literaire genoegen begint wanneer het verhaal aan de controle van de verteller ontsnapt, als het zich gaat gedragen als een ronddraaiende sproeier in een gazon en zijn druppels alle kanten op stuurt; en als het gras niet gaat groeien om het water, maar uit verlangen naar een nabije bron van vocht.

Ugrešić schreef ooit een dissertatie over Pilnjak en voert hem nu op als auteur van Verhaal over hoe verhalen ontstaan uit 1926. Het is een complexe raamvertelling over een fictieve Japanse schrijver Tagaki die de Russische Sofija trouwt en meeneemt naar Japan. Daar schrijft hij zonder dat ze dat weet een succesvolle roman over haar, waarvan ze de inhoud niet kent omdat ze het Japans niet machtig is. Als ze later van een Rus de inhoud hoort laat ze zich scheiden en keert ze terug naar haar geboorteland.

Wij als lezers krijgen deze geschiedenis te lezen in de bewoordingen van Ugrešić, die haar versie geeft van wat Pilnjak vertelt, die zich op zijn beurt baseert op Sofija’s autobiografie én een vermoeden van de inhoud van Tagaki’s roman. Het verhaal van Pilnjak is terug te vinden in de bundel Moderne Russische verhalen, (2009, Uitgeverij Atlas) en beslaat daarin amper 11 pagina’s.

Voetnoot
Volgens Pilnjak deed Sofija met haar terugkeer naar Rusland ‘afstand van de rang van vrouw van een beroemd schrijver’ en dat contrasteert met het tweede deel van De vos. Daarin ontmoet Ugrešić (die we in deze roman, met zijn weliswaar hoge autobiografische gehalte, liever de ‘ik’-figuur noemen) op een congres in Napels over het Europese migratieprobleem de Weduwe (met hoofdletter!) van de Russische avant-gardistische schrijver Dobvjer Levin. Weinig lezers zullen van hem gehoord hebben, maar de Weduwe die nauwelijks een verdienste voor zijn werk lijkt te hebben gehad en niet meer dan een voetnoot was in het leven van de Rus (1904 – 1941 of 1942), blaast zich tot gigantische proporties op. Ze vindt zichzelf een literaire celebrity, die zegt ‘haar plaats te kennen’: Ik diende en bediende gehoorzaam het literaire talent van een man, ik diende een mannelijke geest. Maar in werkelijkheid houdt ze een uit stereotypen opgebouwd imago in stand. Ze zou zichzelf buiten spel zetten als ze dat opgaf. En dan duikt in dit deel weer de vos op als symbool voor illusie en bedrog. De Weduwe creëert haar verhaal en blijft er tegelijk in gevangen zitten: De Weduwe schiep Levin, en niet andersom, hij was haar aanvankelijk verwaarloosbaar kleine kapitaal, dat ze door verstandig te investeren in de loop der jaren wist te vergroten. Ondertussen stemt ze de ‘ik’ tot nadenken over haar eigen plek in de wereld als schrijfster.

In Deel 5 treffen we weer een andere voetnoot uit de schrijverswereld. Ugrešić haalt daarin Dorothy Leuthold voor het voetlicht. Ze was in het leven van Nabokov niet meer dan een toevallige ontmoeting met de auteur van Lolita en Bleek vuur (dat eveneens is opgebouwd uit voetnoten). Ze chauffeerde Nabokov en zijn vrouw en kind naar de Grand Canyon, maar maakte op die trip een grote indruk op hem. In een passage die tintelt van de sensualiteit beschrijft Ugrešić hoe Nabokov een onbekende vlinder vangt die op haar lichaam is geland. Hij gaf hem de naam waardoor die van Dorothy vereeuwigd werd: Neonympha dorothea.

Landmijnen
Wie de Dobvjer Levin uit het leven van de Weduwe was is onderwerp van Deel 4. Ook deze vertegenwoordiger van de Russische avant-garde is in de literatuurgeschiedenis slechts een voetnoot, stelt de ik-figuur (maar: ‘We zijn allemaal voetnoten’, merkt Ugrešić later op). Ze is opnieuw op een congres, deze keer van slavisten, waar ze Irina Ferris (een naam ‘die klonk als een goed bedachte schuilnaam’) ontmoet met wie ze schrijvers uit de avant-garde in Rusland bespreekt. Ook nu duikt de vos weer op als Ferris vertelt hoe hij af en toe haar Londense tuintje aandoet. ‘Vossen zijn erg op zichzelf’, zegt ze.

Het middendeel van de roman wordt gevormd door Deel 3, waarin een onbekende liefhebber van het werk van de ik-figuur haar een huisje in Kroatië nalaat. Ze besluit er te gaan kijken en vindt het bewoond door de kraker Bojan. Hij voert de vos die de tuin regelmatig bezoekt kippen; ‘Ik probeer hem tam te maken’.

Bojan was ten tijde van de Balkanoorlogen rechter, maar ruimt nu landmijnen op. Er ontspinnen zich indrukwekkende dialogen tussen haar en hem over hoe iedereen uit de oorlog is gekomen. Duidelijk wordt dat de schoften van toen nu in vredestijd als helden rondlopen terwijl de onschuldigen zijn gestraft. De oorlog is nooit opgehouden. Dat wordt nog eens schrijnend verbeeld op de monumenten, die ooit werden opgericht ter herdenking van de Joegoslaven die vielen tussen 1941 en 1945, maar nu zijn vervangen door patriottische herinneringen aan de Balkanoorlogen van 1991 tot 1945. Op de sokkels zijn de cijfers 4 vervangen door de 9.

Het zesde en laatste deel zet in met een kinderliedje over de vos die weduwe werd. Het gaat grotendeels over de vraag hoe de ‘ik’ het verhaal van haar door de oorlog getekende leven vertelt aan haar nichtje van zeven jaar. Maar ook over de vraag hoe je oude verhalen vertelt aan een kind dat opgroeit met de moderne vluchtige media. Het eindigt met een mooie gedachte dat de grote verhalen pas ontstaan als de verteller een risico voelt. Zoals Sheherazade wel moest vertellen omdat ze anders de volgende dag niet meer zou leven.

Ugrešić is in De vos aanwezig als vanouds. Met haar herhaalde gemopper, zoals over lastposten in een vliegtuig: ‘Mopperen is een vorm van mentale fitness’, schrijft ze ter verdediging.

En Ugrešić is er ook weer met haar ironie, haar scherpte, haar vileine analyses en haar prachtige uitgebalanceerde zinnen. De verleiding is groot om er een aantal te citeren, maar laten we het houden bij één. Hij staat waarschijnlijk niet toevallig op de helft van de roman en vat samen wat we over mensen als voetnoten, over de gedaantes van de vos en onze in verhalen verpakte ervaringen in deze prachtroman te lezen krijgen: Sommige mensen zijn zo teruggetrokken dat ze zelfs hun schaduw in hun graf meenemen, terwijl anderen van hun leven een museum maken waarin zelfs de naald waarmee ze de knopen aan hun kleren zetten, een ereplaats krijgt.

 

Omslag De vos - Dubravka Ugrešić
De vos
Dubravka Ugrešić
Vertaling door: Roel Schuyt (uit het Kroatisch)
Verschenen bij: Nijgh & Van Ditmar
ISBN: 9789038802657
352 pagina's
Prijs: € 22,50

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *





 

Meer van Adri Altink:

Recent

14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa
11 december 2017

Niet alles hoeft begrepen om te zien hoe prachtig het is

Over 'Finisterre' van Eugenio Montale
8 december 2017

Over de grenzen tussen feit en fictie

Over 'Broeder, schrijf toch eens!' van Rinus Spruit

Verwant