15 november 2010

Recensie: De Weldoener – P.F. Thomése

Recensie door: Albert Hogeweij

Recensie door Albert Hogeweij

Welgedaan in de verbeelding, afgedaan in de werkelijkheid

Op de achterflap van de zesde roman van Thomése staat het heel simpel: ‘Man redt meisje van de dood en besluit haar voor zichzelf te houden. Een liefdesroman.’ Ja ja, maar wie de roman besluit te lezen zal spoedig merken: de enige die werkelijk gelooft dat dit een liefdesroman is, is de hoofdpersoon zelf. De verteller ziet deze hoofdpersoon namelijk heel anders dan hoe hij zichzelf ziet. En helaas voor de hoofdpersoon is hij in een boek beland waarin de verteller nog de macht heeft over zijn personages. De eerste regels zetten wat dat betreft al meteen de toon: ‘De man over wie dit boek gaat is na lange omzwervingen teruggekeerd in de provinciehoofdstad H***. Hij wil opnieuw beginnen, maar dat gaat niet meer. Als een vreemde doolt hij door de straten, de miskende zoon van hier, en de straten kijken niet terug. De tijd is er stil blijven staan, maar duidelijk niet om op hem te wachten.’ De man in kwestie blijkt een componist te zijn, ene Sierk Wolffensberger ‘want zo heeft hij zich genoemd.’ ‘Theo Kiers heette hij vroeger, voordat hij zich om artistieke redenen Sierk Wolffensberger is gaan noemen, wat toch heel wat beter klinkt. Sommigen worden onder hun ware naam geboren, anderen moeten hem eerst zelf zien te vinden.’ Met deze man, ‘onze allerlaatste romanticus’ zal de lezer het de rest van het boek moeten uithouden, want behoudens enkele uitweidingen die de alwetende verteller zich permitteert, beleeft de lezer het verhaal hoofdzakelijk door de ogen van dit miskende genie. ‘Niets is de mens en niets zal uit hem worden. Alleen onze held zelf ontkomt, dunkt hem. (…) Op een dag zal zijn ware gedaante aan de mensheid onthuld gaan worden. Dat weet hij. Daar gelooft hij in.’ Mooi is hoe het perspectief van de verteller haast ongemerkt in een enkele zin overgaat in dat van de hoofdpersoon, waardoor er een fijne ironische distantie in het verhaal ontstaat, dat zich vlot laat weg lezen. En dat zich in grote lijnen ? zoveel zijlijnen zitten er overigens niet in ? als volgt laat schetsen: Sierk Wolffensberger, een in de werkelijkheid sterk gefrustreerde en gemankeerde componist van vijftig die het des temeer van zijn verbeelding moet hebben, heeft speciaal voor Goede Vrijdag, een meerstemmig muziekstuk Duisternissen gecomponeerd. Op de dag voorafgaand aan de uitvoering stuit hij in de kerk waar hij zijn repetities houdt, bij toeval op het lichaam van een meisje van twintig dat daar voor dood ligt na een mislukte zelfmoordpoging. Ze blijkt echter nog in leven, en Beertje Wehry te heten. Dochter van een andere componist, jegens wie Sierk Wolffensberger redenen heeft afgunstig te zijn, al was het maar omdat deze meer erkenning geniet dan hijzelf. Sierk ontfermt zich maar al te graag over haar, omdat hij in haar een nieuwe kans, een nieuwe doorstart van zijn leven ziet. Hij eigent zich het meisje toe als zijn eigen creatie. Zij reageert er wat onwennig op, laat het zich allemaal wat aanleunen. Duidelijk is dat Sierk hoog inzet, en zich van alles in zijn kop haalt. Hij maakt zich van alles wijs, omdat hij meent dat zijn verbeelding het vetorecht heeft over de werkelijkheid. Hij gaat weliswaar met haar naar het ziekenhuis, maar meldt niet aan haar ouders of bekenden dat ze terecht is. Ergens halverwege het verhaal (dat uit drie, qua omvang, ongelijke delen bestaat), komen enige tegenstemmen aan bod: zoals de moeder van Beertje, haar vader en de vrouw van Sierk. De lezer komt via deze perspectieven aan de weet hoe de vork in de steel zit. Geen overbodige luxe in een verhaal dat de lezer bijna exclusief krijgt voorgeschoteld door de blik van iemand die sterk bezijden de werkelijkheid leeft. Beertje blijkt inmiddels als vermist opgegeven. Ze repeteerde nota bene bij Sierk in het koor (zonder dat Sierk haar daarvan in eerste instantie herkende overigens) Ze blijkt kortstondig iets met Sierks zoon gehad te hebben. Haar zelfmoordpoging valt dan ook te relateren aan de afgewezen liefde van diens zoon. Maar dat beeld kan vader Sierk niet verdragen. Zijn zoon is immers een talentloze, door puberhormonen geleefde nietsnut. Hij kan en wil de dingen niet anders zien dan hoe zijn verbeelding ze schept. Hij meent dat ‘zijn’ Beertje juist graag door hem gevonden en gered wilde worden. En zoals het een door zijn fantasie gegijzelde man betaamt, sluit hij zich steeds verder af van de realiteit. Tot er geen terugweg meer mogelijk is en hij schaakmat komt te staan. Het is een ongeschreven wet om in een recensie de afloop niet te verklappen, en ik ben ook niet van zins die wet met voeten te treden. Wel wil ik graag kwijt dat de allerlaatste romanticus zal ondervinden dat de relatie tussen zijn fantasie en de boze buitenwereld geen wederkerige is.

De stijl in deze roman houdt de vaart erin, maar het verhaal zelf kruipt als een slak door het boek. Want in de 349 pagina’s die het telt, verglijden slechts twee dagen. En aan echte flashbacks wordt niet gedaan (dat komt de vlotte, recht-toe-recht-aan stijl van dit boek overigens zeer ten goede). Dat dit boek ondanks het magere verhaal zich toch als een pageturner kan gedragen, is geheel toe te schrijven aan de stijl van Thomése. Die is gewoon goed getroffen. Je blijft als lezer geboeid naar…ja, naar wat? Of Beertje zich toch aan hem zal geven? Hoe het afloopt? Tja, misschien uiteindelijk toch wel. En dankzij de ironie valt er onderweg het nodige te lachen. Wat bijvoorbeeld te denken van de passage die volgt op de vraag van de zojuist ‘geredde’ Beertje naar wie haar redder eigenlijk is? ‘Ik ben je redder, meisje, ik ben degene die je opvangt wanneer je valt. Ik ben degene die je troost als je het zelf niet meer weet. Ik ben het die je opraapt en weer op weg helpt, naast je loopt en je zorgen voor je draagt. Ik ben de man op de rand van het bed als het licht uitgaat. Ja, zulke dingen wil hij zeggen (…) maar dat gaat nu eenmaal niet (…) “Ja, we zullen ons maar even aan elkaar voorstellen, niet?” Meteen noemt hij zijn naam. Ze knikt, wat hem het gevoel geeft dat ‘Sierk Wolffensberger’ ook onder de jeugd een begrip is. “Zeg maar jij tegen me”, zegt hij erachteraan.’
Mooie one-liners tref je ook aan: ‘In principe is hij een man die de waarheid dient, in de leugen blijft hij een beunhaas die er niets te zoeken heeft.’ Een boek dat het voornamelijk van zijn stijl moet hebben, verdient het ruimhartig geciteerd te worden. Daarom volgen hier wat langere passages. Aangekomen in een chique wijk van H*** , lezen we: ‘De eigenaren, of pachters of wat hun status ook moge zijn, zijn een familie die De Graaf of De Greef heet of zo ? een onaanzienlijke naam in elk geval die geheel niet voldoet aan de omgeving. Het zijn luidruchtige vertegenwoordigers van de ‘nieuwe elite’, zelfbedachte barbaren met grote glimmende auto’s, die van de toekomst houden omdat die net zo leeg is als zijzelf. Mensen die hij niet begrijpt ? liever niet! ? en die hem niet begrijpen. Hoe zouden ze? Muziek is een taal die zij niet spreken. Gelukkig zijn ze meer dan de helft van het jaar ‘voor zaken in het buitenland’. Verder heeft hij met deze mensen god zij geloofd niks te maken.’

De boeken van Thomése zijn van lieverlee garant gaan staan voor een vette lach. Maar wat dat aangaat is dit boek subtieler dan zijn voorganger J. Kessel: The Novel. De romantische held is bijvoorbeeld allerminst een schuinsmarcheerder die op zoek is naar zijn Lolitameisje. Sierk is niet geslepen, noch is hij aandoenlijk vanwege zijn praktische onhandigheid. Op echt medeleven heb ik mij niet kunnen betrappen ? daarvoor staat de eigendunk van de hoofdpersoon te veel in de weg, al krijg je in de volgende passage wel met hem te doen. Als hij zich prepareert voor hun eerste nacht samen en Beertje intussen onder de douche staat, lezen we: ‘Hij ruikt zijn eigen zweet, hij voelt het plakken in spleten en plooien. Altijd weer die walging om het eigene, constateert hij. Komt hij daar dan nooit vanaf? Dat overbewustzijn van eigen imperfectie dat hem op het gevraagde moment verhindert zich te geven. Zijn leven lang zit hij al gevangen in zijn eigen onvoltooidheid, met uitzicht op een heden dat onbereikbaar voor hem blijft. Hij hoopt dat zij een oplossing voor hem heeft, betoverend uit de damp oprijst en alles vanzelfsprekend maakt. Nu hij te ver is gegaan, hoopt hij met heel zijn hart dat hij gered gaat worden, dat zij de waargebeurde droom is waarin zijn leven eindelijk werkelijk plaats kan vinden. Hoe dat in zijn werk zal gaan: geen idee. Moet hij zich alvast gaan uitkleden bijvoorbeeld? Alles plakt en knelt en zit hem in de weg. Hij liefst zou hij niet alleen zijn kleren uittrekken, maar ook zijn huid, het liefst zou hij, licht als zijn ziel, uit dat kleine, zware lichaam stappen. Om een begin te maken ontdoet hij zich alvast van zijn jas en knoopt hij zijn schoenen los. Ruikt de bedompte lucht die eruit opstijgt.
Roept ze hem? Hij verstond het niet. “Riep je?” vraagt hij. Ze hoort hem niet in het klaterende watergeraas. Daarom staat hij op en loopt naar de douchecel. “Riep je me?” Ze draait de kranen dicht. “Handdoek” zegt ze, alsof het een ritueel betreft dat ze al jaren samen opvoeren, de komedie van intimiteiten die elk huwelijk is. Maar zij kennen elkaar pas een dag. Of ligt het aan hem? Wordt dit een armzalige huwelijksimitatie, enkel en alleen omdat hij niet anders kent?
Als hij de grote ruwe badhanddoek galant voor haar wil openspreiden, plukt ze hem uit zijn handen. En voordat hij ook maar iets van haar naaktheid heeft kunnen ervaren, klapt ze de beslagen schuifdeur weer dicht. “En ook nog graag een kleine voor mijn haren.”
Als hij klaar is met douchen, ligt zij al onder het dekbed. Ze slaapt. Of ze doet alsof ze slaapt. Nu durft hij wel, nu durft hij wel bij haar te gaan liggen, tegen haar aan te liggen wanneer het bed niet breed genoeg blijkt te zijn. Ze mag alleen zijn opwinding niet opmerken, houdt hij zich voor. Hij is haar redder, niet haar belager. Hij is geen chauffeur, geen Poolse proleet die ter plekke toeslaat. Daar is hij veel te gevoelig voor. Een laatste overlevende uit de Romantische School, zo ziet hij zich graag. Een man van vormen, van verschijningsvormen om precies te zijn. Een transcendente persoonlijkheid die pas zichtbaar wordt wanneer hij de banale werkelijkheid heeft overstegen.’

Als Beertje eerder op de avond een tijdje alleen is gelaten, omdat Sierk acte de présence moest geven bij de repetitie van zijn eigen stuk in H***, heeft ze blijkbaar sigaretten gebietst. Hij leest een Pools merk op het pakje sigaretten. Het fijne ervan krijgt hij niet te weten. Beertje is niet zo’n prater. ‘Hij denkt aan het pakje Opal, hij kijkt weer naar haar billen. Er bekruipt hem een raar verdriet om de onbereikbaarheid van alles. Wat heeft hij al die jaren gedáán in zijn leven? Vastgezeten in een droom, een luchtbel die boven de dingen zweefde. En nu weet hij niet meer hoe hij erin moet komen, hoe hij het geluk moet grijpen. In plaats daarvan gaapt er in hem een gemis. Wat hij mist, is zichzelf, hij is zelf de grote afwezige in deze situatie. De enigen die handelend optreden, zijn Poolse vrachtwagenchauffeurs die gotweetwat hebben uitgehaald met Beertje. Kusje voor een sigaret, effe voelen, isse goed? Beertje, denkt hij, verdomme Beertje, wat is er gebeurd?’
Zo ontvouwt zich de roman: alles meebelevend door de ogen van de hoofdpersoon.

Zo’n dertig pagina’s voor het einde treedt de alwetende verteller, die het verhaal slechts op de eerste pagina’s op gang hielp (en soms even in een tussenzinnetje liet weten dat hij er was: ‘Raar dat binnen een dag zoveel kan veranderen, maar dat denkt hij niet’), opeens weer uit de coulissen. Als Sierk Wolffensberger slaapt, grijpt de verteller namelijk zijn kans om even het woord tot de lezer te richten. Op een subtiele manier, die knipoogt naar wat Thomas Mann met Hans Castrop in Der Zauberberg deed. ‘Nu hij slaapt, kunnen we het even over hem hebben. Als we de balans opmaken, zouden we zo langzamerhand mededogen met hem dienen te voelen, al kunnen we hem eerlijk gezegd moeilijk volgen. (…) Ach het is een dunne scheidslijn tussen meelijwekkend en lachwekkend. Laat hem nog maar even slapen, de arme ziel. Hij heeft het nodig.’

Welke vorm van kritiek zou gepast zijn op dit boek? Terugbladerend in mijn exemplaar zie ik de meeste potloodstreepjes die ik bij mooie, treffende passages pleeg te zetten, voornamelijk in het eerste deel geplaatst. Dat kan erop wijzen, dat je als lezer wat verzadigd begint te raken van die redeneertrant van onze allerlaatste romanticus. Het verhaaltje is te mager om op iedere pagina een nieuwe gedachte bij hem tevoorschijn te toveren. Vandaar dat de lezer nog wel eens op een herhaling van zetten wordt getrakteerd. Weliswaar onvermijdelijk voor een personage dat in zijn eigen belevingswereld rondtolt, maar de lezer loopt de kans het op gegeven moment wel te gaan geloven. Wat dat betreft is het goed dat het boek nog een ontknoping kent waar je U tegen zegt. Eentje die verantwoord is. En die hard aankomt. Maar wel recht doet aan het hele boek. Dus toch een mooi boek? Jazeker, een heel mooi boek! Want het is geen geringe prestatie van Thomése om een stem zo overtuigend een boek lang vol te houden. Daarvoor moet je een groot stilist zijn.

De weldoener

Auteur: P.F. Thomése
Verschenen bij: Uitgeverij Contact
Prijs: € 19,90

Recensie: De Weldoener
P.F. Thomése
ISBN: 9789025435431

1 reactie

  • Zilvervis schreef:

    Beste Albert,

    Wat fijn om je terug te zien, ditmaal op de website van Literair Nederland, in dit geval met een uitvoerige recensie van De Weldoener van Thomèse. Afgaand op je recensie schrik ik toch terug voor lezing; er zijn zoveel uitmuntende andere boeken die ik niet gelezen heb.

    Alles naar wens?

    Zelf houd ik sinds eind augustus een weblog bij. Ik streef ernaar, alle artikelen die ik gepubliceerd heb en die ook na jaren nog de moeite van het lezen waard zijn, hierop te herpubliceren.
    Leuk als je ook een kijkje neemt.

    Vriendelijke groet

    Frank





 

Meer van Albert Hogeweij:

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman

Verwant

15 november 2010

Recensie door: Marleen Ferket

Over 'Recensie: Grillroom Jeruzalem ' van P.F. Thomése
15 november 2010

Openhartig portret van een Amsterdamse familie

Over 'Nooit ziek geweest' van P.F. Thomése
15 november 2010

Verzin iets