Armando – Recensie 'Berlijn'

Feindbeoachtung zolang er nog één nazi leeft

Deze essays die eerder in 1982, 1983 en in 1988 in boekvorm verschenen, zijn gebundeld ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van de schrijver. De uitgeverij pakt groot uit met ook nog een nieuwe gedichtenbundel en het prozawerk Eindelijk. Misschien voelde men zich schuldig dat men eerder niets aan een jubileum deed. Armando klaagt namelijk in het derde deel van deze bundel dat het volk geen aandacht besteedde aan zijn vijftigste verjaardag.
Het eerste deel uit 1982 is beschouwend, in het tweede deel laat hij de mensen zelf meer aan het woord en in het laatste deel uit 1988 bezoekt hij ook andere Duitse steden en maakt daarvan nogal oppervlakkige portretten.
Volgens het nawoord van de samenstelster woonde Armando in de jaren tachtig regelmatig in Berlijn. Na de val van de muur vond hij het leven daar minder inspiratief. De splitsing gaf de stad een extra geladenheid. Voor Armando was de oorlog nog steeds aan de gang. Overal waar hij kwam hing er nog die geur. Gebouwen waren niet van steen, maar plekken waar een partijlid gewoond had of waar iets opmerkelijks gebeurd was. Armando ziet het als zijn taak de vijand te ‘beoachten’, zoals dat zo mooi in het Duits heet. Bij oudere mensen vraagt hij zich meteen af wat die in de oorlog deden. Oude vrouwen, die wuiven naar een panda in de dierentuin deden dat eerder naar Hitler.
Van de jongeren met hun anti-amerikanisme moet hij weinig hebben. Ze denken dat ze beter zijn dan de vorige generatie, maar ze lijden onder zelfhaat, zegt Armando. Ook heeft hij een scherp oog voor de verschillen tussen oost en west: ordelijkheid en gehoorzaamheid versus pluriforme chaos en protest. Dissidenten, die vanuit het oosten naar het westen kwamen kregen weinig steun van de linkse intellectuelen en vroegen zich af wat men hier met de vrijheid had gedaan. Armando zelf vindt alles altijd een warboel. Er is geen uitweg, zegt hij. De mens is een wormstekig wezen. We mogen blij zijn met onze democratie en dat wij niet onder het mom van vrijheid uit onze huizen gesleurd worden. Bij dit alles bedenk ik dat hij schreef in de tijd van de Raf, toen de verhoudingen in Duitsland zeer gepolariseerd waren.

Armando is een onafhankelijk denker, die zijn eigen werk eerst zelf goed moet vinden voor hij het naar buiten brengt en de respons heeft daar dan geen invloed meer op. In deze bundel hoor je bijna zijn wat sombere stem en zie je zijn wat loenzende, melancholische blik, zoals die heel mooi liet kennen in de documentaire van Cherry Duyns uit 2005. Hij schrijft zoals hij spreekt, maakt soms zinnen niet altijd af, slikt woorden in.

Zijn stijl is die van een bokser die na de wedstrijd de ring niet kan verlaten, omdat hij zo’n liefhebber van zijn sport is. Zelf noemt hij een van zijn eerdere boeken hoekig, een toepasselijke term in dit verband. Hij geeft soms ook een fantastische draai aan een verhaal zoals wanneer de ik-figuur na een wandeling het bos uit komt en een hond (de ‘hij’ in dit fragment) ziet:

‘Hij zette zijn bril af en begon te blaffen. Ik heb even naar ’m gezwaaid, toen hield ie op met blaffen. Hij keek verlegen de andere kant op. Hij vond het, geloof ik, gek dat ik zwaaide. Ik liep enkele passen door en keek nog es om, hij was alweer aan het lezen in zo’n goedkoop romannetje met een gekleurd omslag vol moddervlekken, je weet wel. Teruggekomen in Berlijn besloot ik dienst te nemen in het keizerlijke leger, maar men vond mij te oud. Bovendien was ik, zei men, veel en veel te laat. De keizer was lang geleden gestorven en lag in een graf. Men had mij en m’n harnas, dat ook nog in goede staat was, niet meer nodig. Ik heb maar gedaan alsof ik het geloofde, toch was het wel een teleurstelling.’

Armando heeft iets met een bos, zoals hij ook in de documentaire over kamp Amersfoort vertelde. Het bos is getuige, de bomen fluisteren, zijn schuldig, de harsgeur ruikt naar de oorlog.

Armando zelf blijft zich over de mensheid verbazen. Kunst deugt niet, maar hij houdt er heel erg van. Hij weet het zelf ook allemaal niet. Hij schrijft met relativering, ook over de Duitsers die niets tegen hun kinderen over de oorlog zeiden. ‘Gewoon omdat het mensen waren met ochtendpap en avondbrood, mensen met handremmen in hun hoofd, je denkt toch niet dat wij die niet hebben.’

Zelfrelativering is hem niet vreemd. Een opstel over Bayreuth vindt hij nogal belerend uitgevallen. ‘Dat is eens en nooit weer.’
Soms neemt hij zichzelf op de hak. Hij vindt het eigenlijk zinloos zich bezig te houden met vergankelijkheid. Het leven is bont en het protest tegen de tijd is een verdwaald protest. Armando legt zich daar weemoedig bij neer. Dat levert mooie beschouwingen op die ik met veel genoegen heb gelezen.

Door Rein Swart

Armando, Berlijn. Augustus, paperback, 288 p., € 20,00.

Omslag Recensie 'Berlijn'  -  Armando
Recensie 'Berlijn'
Armando
ISBN: 9789045702865

Recent

18 januari 2018

Laatste edities literaire tijdschriften 2017 - Parelduiker, Tirade en Terras

Over 'De parelduiker 2017/5: Jan Cremer' van Hein Aalders
17 januari 2018

Rusland, mijn Rusland

Over 'Tsjaikovskistraat' van Pieter Waterdrinker
16 januari 2018

Toverboek als inspirerende gids

Over 'Nachtefteling' van Martijn Benders
15 januari 2018

Ingewikkelde verschijnselen en processen voor leken verklaard

Over 'De rivier van het bewustzijn' van Oliver Sacks

Verwant

Portretten van gewone joodse lieden, uit het leven gegrepen Deze Jiddische verhalen komen voornamelijk uit de bundels ‘Treinverhalen’, waarin reizigers in de derde klasse hun levenservaringen uitwisselen en uit ‘Monologen’, waarin ? zoals duidelijk mag zijn ? één persoon het woord voert. De verhalen spelen zich af aan het begin van de vorige eeuw in het toenmalige Rusland, waar pogroms tegen de joden geen uitzondering waren. De schrijver wil het leven treffen en zoals hij zelf ironisch opmerkt: geen zoete romantiek schrijven zoals onze helden in Jiddische prachtromans doen. ‘Mijn muze is arm maar wel vrolijk,’ luidt zijn motto. In de verhalen figureren veel handelaren. In het openingsverhaal wacht een verstrooide en berooide makelaar op zijn trein en zet zich op een bank naast een hoogwaardigheidsbekleder met een bijpassend hoofddeksel. De makelaar valt in slaap en schrikt wakker als de trein op punt van vertrekken staat. Hij is zijn hoed kwijt en zet per abuis het bijzondere hoofddeksel op, waarna hij tot zijn verbazing door de conducteur en zijn medereizigers met veel egards wordt bejegend. Sommige verhalen ontroeren, zoals dat over joden die in het verre Rusland begaan zijn met de Franse Dreyfus; een ander verhaal is actueel, zoals dat over een dokter die niet naar een patiënt luistert en meteen een medicijn wil voorschrijven. De taal is verrijkt met joodse termen en uitdrukkingen zoals: ‘En van joods medelijden krijg je stroeve tanden, nebbisj.’ De sfeer wordt versterkt door de vertrouwelijke toon: ‘En in het winkeltje van mijn vrouw (mijn vrouw heeft namelijk een winkeltje)…’ of door zijdelingse opmerkingen zoals in: ‘Hij heeft zijn handen in zijn zakken en hij kijkt een beetje scheel. God in de hemel, denk ik, bezit dat een miljoen? Maar ja, probeer maar eens met God te redetwisten.’ Maar ook door regelmatige toevoegingen als ‘hij zei gezegend’ of ‘moge het boze oog niet over hem komen’. In veel verhalen komen steeds dezelfde stoplappen voor. ‘Ik ben echt zo klaar,’ zegt de eerdere genoemde patiënt steeds tegen de dokter en in een ander verhaal zegt een vrouw steeds: ‘U weet wat ze van vrouwen zeggen: ze kletsen je de oren van je kop.’ Of een man, die elke gedachtegang afsluit met: ‘Maar hoe kom ik daar nou op?’ Eerst is het allemaal heel vermakelijk, zoals het verhaal over een schrijver die gek wordt van het gezeur van een jongeman die het niet kan uitstaan dat zijn vrouw altijd heel vrolijk wordt van het bezoek van een jonge dokter. De jongeman blijft de schrijver maar aan zijn kop zeuren of hij nou wel of niet moet scheiden en als de schrijver ten slotte in woede ontsteekt en hem toeschreeuwt dat hij inderdaad maar moet gaan scheiden merkt hij dat hij nog meer van slag is dan de jongeman en dat de rollen min of meer zijn omgedraaid. Hier is het gebrek aan plot niet erg, maar gaandeweg gaat dat toch tegenstaan. Het wordt allemaal een beetje hetzelfde, met steeds weer kolderieke uitweidingen; te veel verhalen kennen geen einde zoals het relaas over een joodse man die in de trein onder het anti-semitische Bessarabische Nieuwsblad ligt te slapen en bij ontwaken twee dubbelgangers ontwaart, waarop ze samen een liedje inzetten. De lezer van tegenwoordig is te verwend om genoegen te nemen met zo’n kneuterige sfeer, maar de volkse portretten, die oude volksziel, vind je in dit boek als een antiekstuk nog terug. Mooi is het titelverhaal, dat meteen ook het langste is, over een vader die heel blij is met zijn zoon die op het gymnasium studeert en later dokter zal gaan worden, maar dat een heel andere wending neemt. Onvergetelijk is ook het verhaal over een vrouw die voedsel verkoopt in de trein en zich boos maakt over haar concurrent die ten slotte haar echtgenoot blijkt te zijn. Als ik er zo op terug kijk zie ik hoe sterk het beeldend vermogen is van de schrijver, die het pseudoniem Vrede zij u heeft aangenomen.

Over 'Recensie 'Een lot uit de loterij' ' van Armando