7 februari 2017

Ferdinand en Johanna – Elly Kamp

Portret van een huwelijk

Recensie door Vic Veldheer

De aantrekkelijkheid van het lezen van een biografie wordt onder meer gevoed door de interesse van de lezer – of misschien wel zijn fascinatie – voor de geportretteerd(n). Maar Bordewijk, vooral bekend van Karakter en van zijn fascinatie voor namen (voor-, achter- en straatnamen), schermde zijn privé-leven af tot in het extreme. Dat ging niemand iets aan, je moest hem via zijn schrijverschap leren kennen vond hij. Elly Kamp toont in deze biografie aan dat veel van Bordewijks werk voortvloeit uit wat hij in zijn privé-leven meemaakte, maar dat het voor haar bijna ondoenlijk was om feit en fictie in zijn werk te scheiden omdat hij zo’n grote verbeeldingskracht bezat.

Kamp houdt daarom heel vaak een slag om de arm. Ze gebruikt veel beschrijvingen als ‘misschien’, ‘waarschijnlijk’ of ‘naar het lijkt.’ De persoon Bordewijk komt daardoor niet echt tot leven in deze biografie.

Haar keuze om ook het leven van Johanna, de vrouw van Bordewijk, mee te nemen en een dubbelbiografie te schrijven waarin ook hun huwelijk een belangrijke plaats inneemt, is een goede. Zo ontstaat een boeiend portret van een kunstenaarsechtpaar, – Johanna is componiste- waar de liefde voor elkaar en voor de kunsten groot is. Bordewijk (ver)stopte kleine boodschappen voor Johanna in zijn boeken. En al zijn vrouwelijke (hoofd)personen kregen voornamen die eindigden op een a, volgens de biografe als eerbetoon aan Johanna. Je moet er maar op komen.

Schrijver – en advocaat – Ferdinand (1884-1965) en Johanna (1892-1971) zijn in karakter en sociaal opzicht elkaars tegenpolen, in cultureel opzicht elkaars maatjes. Ferdinand was een stijve, formele, introverte, geremde, sombere en ontoegankelijke man. Johanna was aardig, charmant, spontaan, opgewekt en extravert. Beiden hadden veel gevoel voor humor, maar waar Johanna in een spontane lachbui kon uitbarsten, ‘vangen we bij Ferdinand niet meer op dan een glimp van een glimlach’. Hun relatie was goed en werd gekleurd door hun bondgenootschap in de kunsten. Ze beoordeelden elkaars werk voordat het naar buiten werd gebracht en ze hebben twee keer gezamenlijk een werk gemaakt: een opera (Rotonde in 1941) en een declamatorium (Plato’s dood in 1949). Zij waren elkaar tot grote steun, vooral in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, toen hun werk de nodige kritiek ondervond en commercieel succes uitbleef. Pas eind jaren dertig en na de oorlog kwam de waardering.

Antipathie tegen Joden
In het werk van Bordewijk is zijn grote antipathie tegen Joden opmerkelijk. Kamp beperkt zich tot het vermelden ervan. Zo schrijft ze dat Bordewijk vindt dat de Joden tot een ander ‘ras’ behoren, met specifieke eigenschappen en uiterlijke kenmerken, waarover onbekommerd grappen gemaakt zouden mogen worden. Ze betoogt dat bepaalde antisemitische passages in bijvoorbeeld In de laatste eer over Querido’s grafrede, uit 1935, ‘in de tijd’ moeten worden geplaatst. Volgens haar ‘wordt die niet als antisemitisch beschouwd of dat wordt er niet in gelezen.’ In die tijd werd dat als betrekkelijk normaal gezien. Na de oorlog publiceert Bordewijk twee romans, Noorderlicht (1948) en De Doopvont (1952) waarin Joden voorkomen en de hoofdpersoon een antisemiet is. En ook in Bloesemtak uit 1955 speelt de verhouding tussen joden en niet-joden een belangrijke rol.

Voor Renate Rubinstein voldoende reden om Bordewijk antisemitisme te verwijten. Kamp vindt echter dat Rubinstein dit nergens hard maakt,  maar gaat er zelf ook niet verder op in en neemt geen stelling.

In het licht van de holocaust is het uiterst merkwaardig dat Bordewijk in zijn naoorlogse romans geen blijk geeft daar enig besef van te hebben. Cynisch gesproken: zijn antipathie tegen Joden lijkt niet te hebben geleden onder de oorlog. Later, in 1965, neemt Bordewijk publiekelijk afstand van zijn grove beschrijving van Joden en verwijdert hij De Joodse cel uit zijn selectie Fantastische vertellingen.

Kamp beschrijft dat allemaal getrouw, maar verbindt er geen conclusies aan. Ze lijkt niet goed te weten wat ze ermee aan moet. Naar de redenen van zijn antipathie tegen Joden blijft het overigens gissen, maar van een biografe mag je verwachten dat ze over een dergelijk onderwerp duidelijkheid verschaft, inzicht geeft in de achtergronden en de oorsprong.

Johanna had volgens Kamp ‘een scherp moreel kompas’, maar ze lijkt zich niet met Bordewijks houding jegens de Joden bemoeid te hebben, althans dat wordt niet vermeld. Kamp had dit moeten uitdiepen, nu ‘scheert’ ze er alleen maar over heen. Of Bordewijk heeft dit ook succesvol ‘ommuurd’…

Johanna
Als componiste is Johanna een autodidact, die zich in de jaren twintig van de vorige eeuw toelegt op het componeren van moderne muziek. In het begin krijgt ze daar weinig waardering voor, maar in de jaren dertig, wanneer de componist en dirigent Eduard Flipse (1896-1973) haar onder zijn hoede neemt, komt de aandacht voor haar werk in een stroomversnelling. Haar muziek wordt steeds vaker uitgevoerd en de waardering groeit, met name in en vlak na de oorlog.

Tegenwind ondervindt ze wanneer ze na de oorlog lid wordt van de Ereraad voor muziek, die collega-musici die fout zijn geweest in de oorlog moet vinden en veroordelen. Dat wordt haar niet in dank afgenomen en leidt zelfs enige tijd tot een boycot van de uitvoering van haar werk.

In de loop van de jaren vijftig begint Johanna geestelijk uit balans te raken. Zij zoekt spiritueel naar de zin van het leven. Ferdinand is voor haar een onvoorwaardelijke steun, maar voor Johanna is dat niet genoeg. Haar componeren lijdt er onder, in 1961 schrijft ze haar laatste werk.

Maar aan waardering geen gebrek: in 1960 wordt ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, in 1962 wordt ze samen met de componisten Hendrik Andriessen en Oscar van Hemel gehuldigd ter gelegenheid van hun 70ste verjaardag.

Waardering
Ferdinand Bordewijk is niet de meest interessante figuur voor een biografie, maar door Johanna wordt het interessanter. Ferdinand is een saaie man, die zijn privé-leven sterk afschermde. En zijn biografe slaagt er maar ten den dele in tot hem door te dringen. De vraag waarom Ferdinand zo’n hoge muur optrok om zich te beschermen beantwoordt ze ten dele. Over de antipathie van Ferdinand tegen Joden weet ze geen uitsluitsel te geven. Dat is onbevredigend.

Waar het gaat om het portret van hun huwelijk is het een mooie biografie, vooral omdat beiden hebben geleefd voor hun kunst, en ze ondanks hun grote verschillen tot aan Bordewijks dood gelukkig met elkaar zijn gebleven.

 

Ferdinand en Johanna
Elly Kamp
dubbelbiografie van schrijver F. Bordewijk en componiste J. Bordewijk-Roepman
Verschenen bij: Uitgeverij Bas Lubberhuizen
ISBN: 9789059374331
480 pagina's
Prijs: € 34,99

Meer van Vic Veldheer:

4 december 2016

Van de hand gods geslagen

Over 'Late dagen' van Bernard Dewulf
4 oktober 2016

Een bijbelse parabel 

Over 'Christus wordt weer gekruisigd' van Nikos Kazantzakis
17 augustus 2016

Wat als?

Over 'De man in het hoge kasteel' van Philip K. Dick

Recent

21 februari 2017

Nederlands migrantenleven in Amerika

Over 'Het purperen land' van Edna Ferber
20 februari 2017

Ironie en hilariteit spatten van de bladzijden af

Over 'Wederzijds' van Kees 't Hart
16 februari 2017

Clarice – de Braziliaanse Kafka

Over 'Clarice Lispector' van Benjamin Moser
14 februari 2017

Meevaren op de ingevingen en surrealistische beelden van Lehmann

Over 'Misbaksels, Nagelaten verhalen en tekeningen' van Louis Th. Lehmann
9 februari 2017

Gepassioneerde discussies

Over 'De rode anjer' van Elio Vittorini

Verwant