10 maart 2016

Dichter, bokser koningsdocher – Delphine Lecompte

Poëzieorgie zonder grenzen

Recensie door André van Dijk

Het omslagontwerp van de nieuwste bundel van Delphine Lecompte is een doeltreffende vertaling van de geschreven woorden die aan de binnenzijde te vinden zijn. Op een helder blauw fond heeft de vormgever in schreeuwerige en haast oogverblindende typografie de titel en auteursnaam neergezet. Letters als aan- en uitflitsende neonverlichting, een kakafonie van verschillende indrukken, het is precies zoals de verzen van Lecompte overkomen op de lezer.

Dichter, bokser, koningsdochter is alweer de zesde dichtbundel van Lecompte die in 2010 met haar debuut De dieren in mij de C. Buddingh’-prijs won. Haar verzen zijn verhalend, vrijwel zonder structuur en met een veelheid aan indrukken opgetuigd. De ik-figuur is onderworpen aan verschillende angsten, overheersende machten om tegen te strijden, en probeert zichzelf daarvan te bevrijden.

 In mei leer ik een dadaïst kennen en niets verandert
Ik blijf ongepast, ik blijf obscene gedichten schrijven
Over sponzenverkopers en over vogelwichelaars,
Over gekwelde okapi’s en over uitgekiende meeuwen
Die mij vrede brengen, ik heb vrede met mijn barsheid.

Er lijkt geen rem te zitten op deze poëzie. De verschillende strofen worden steevast bevolkt door vreemde figuren als de robuuste kreeftenkweker, de necrofiele tegelzetter, de tirannieke bontmagnaat of de charismatische kriekenvreter. Als in de apocalyptische wereld van schilder Jheronimus Bosch laat Lecompte haar personages in de meest bizarre uitdossingen op het toneel verschijnen. Een haast mystieke werkelijkheid waarin de hoofdpersoon haar weg probeert te vinden en heden en verleden tracht te overdenken.

Die wereld wordt in krachtige zinnen beschreven. Een onafgebroken stroom vaststellingen die een bepaalde omstandigheid inleidt, om al in de volgende regels een scherpe wending te maken en in een geheel andere vorm uiteen te vallen. Slechts hier en daar is een lijn te ontdekken, maar al snel wordt de lezer weer losgelaten in een werveling van nieuwe ontwikkelingen.

Daar waar ik een staart zou moeten hebben kust
De oude kruisboogschutter mij innig, hij vindt niet
Dat ik een staart mis, hij vindt toch dat ik vreselijk onvolmaakt ben
Ik vind niet dat hij verwerpelijk is, ik vind wel dat hij een staart mist, ik bijt hem
In de straat wordt een touwslagersvrouw gewurgd door haar bipolaire schoonbroer.

Wanneer we opnieuw gekleed zijn zeg ik tegen de oude kruisboogschutter:
‘Ik wil opnieuw beginnen. Ik wil opnieuw analfabetisch zijn en dieren leren spellen…’
‘Welke dieren?’
‘Gekwelde okapi’s, balorige woelmuizen, onstuimige steenmarters, en spitsvondige orka’s.’
De oude kruisboogschutter zucht, eet een brok gruyère, trekt mijn kleren weer uit.

Het is de oude kruisboogschutter, die in veel gedichten opduikt als een vaste waarde, naar wie de ik-figuur telkens weer terugkeert. De man met wie ze seks heeft, die haar borsten beoordeelt en klaagt over het uitblijven van fellatio. De relatie is tweeledig: de hoofdpersoon lijkt zowel mantelzorger als geliefde te zijn. Een onaangename verhouding, waarbij lichamelijk contact en seksuele uitbarstingen haast terloops aan de oppervlakte komen, maar in iedere regel op de loer liggen.

De verwarring in deze gedichten is tegelijk een feestelijk spel met woorden: Lecompte is een groot liefhebster van de meest surrealistische adjectieven die ze met smaak in haar verzen verwerkt. Het versterkt de verhalende kracht en maakt dat de zinnen hardop gelezen willen worden; de beste manier om te proberen greep op deze poëzie te krijgen.

Toch krijgt de onderliggende tragiek in Dichter, bokser, koningsdochter de overhand als men zich door de hoofdstukken ‘moeder en kind’, ‘seks en werk’ en ‘liefde en brood’ heen werkt. De beschouwingen vliegen alle kanten uit en eindigen steevast in een onnadrukkelijke afloop. In de tussenliggende regels is telkens weer de speldenprik van narigheid aanwezig, de rauwe seks, al dan niet vrijwillig aangegaan door de hoofdpersoon. De zweem van kinderlijke zorgeloosheid, gecombineerd met een zakelijke vanzelfsprekendheid maakt ook ‘Ode aan pooier Benny’ tot een ongemakkelijke confrontatie:

Benny had geen gouden tanden, maar wel een grote auto
Met bespottelijke snufjes en onnodige airco
Het was nooit warm die zomer, ik mocht hem pijpen tijdens het rijden
Op de achterbank lag een zwaarlijvige pointer Pipo genaamd
Pipo was milder dan Benny, maar Benny rook lekkerder dan Pipo.

Benny rook naar vettige diademen en Portugese zwoerdslierten
Hij zei vaak lukrake dingen zoals: ‘Mijn moeder vond eens een punaise
In een gestolen preitaart.’ En: ‘Ik hou van het woord assegaai.’
En ook nog: ‘Toen ik acht was heb ik voor het eerst een zeepzieder naakt gezien.’
‘Ik ook, ik ook!’ Was mijn reactie op zijn voorlaatste uitspraak
Maar hij dacht dat ik op de naakte zeepzieder doelde.

Het razende tempo waarmee Delphine Lecompte haar enerverende leven aan de man brengt, maakt dat de lezer zich al snel verzadigd afwendt. Door de grillige opsomming van gebeurtenissen en uiterlijkheden veinst ze een soort luchtigheid die echter als een zware deken over de pagina’s ligt. Het zijn vooral de terugkerende scherven seksuele confrontatie waar de dichter naar toe lijkt te willen werken: een liefdeloze blootlegging van een beschadigde ziel. En toch, gelukkig, in een volgende strofe wordt opeens een gevoeligheid aan de dag gelegd die het gevestigde beeld weer helemaal doet kantelen:

Ik hoop dat niemand sterft vandaag
Niemand die ik ken aan een hersenbloeding
Of aan een bespottelijke verstikking in een marsepeinen misthoorn
Op een verlaten parkeerterrein, vooral wij niet
Ik hoop vooral dat wij blijven leven vandaag.

Lecompte blijft leven, zoveel is zeker. De poëzieorgie – zoals ze haar eigen dichtkunst noemt – is een uitbundig spel met woorden waarbij de fysieke relatie met anderen telkens weer tot, nauwelijks aanraakbare, realiteit wordt gemaakt.

 

Dichter, bokser koningsdocher
Delphine Lecompte
Verschenen bij: Bezige Bij
ISBN: 9789023496663
96 pagina's
Prijs: € 19,50

Meer van André van Dijk:

10 mei 2017

Poëzie als vette klei en onomwonden vruchtbaar

Over 'Splendor' van H.C. ten Berge
6 maart 2017

Observaties en prozaschetsen van een groot dichteres

Over 'Er was er eens en er was er eens niet' van Judith Herzberg

Recent

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken
13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Over 'Het intieme vreemde' van Jente Jong