18 mei 2017

Gebogen planken – Yves Bonnefoy

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Recensie door Albert Hogeweij

Een bundel van een levende dichter op de verplichte leeslijst voor middelbare scholieren? Als je dat leest weet je één ding zeker: dit gaat niet over Nederland. Inderdaad, het betreft Frankrijk en de dichter is inmiddels overleden. Maar in 2005 viel Yves Bonnefoy (1923 – 2016) als eerste levende dichter die eer te beurt met zijn in 2001 verschenen bundel De gebogen planken. Was het voorheen dichter en vertaler Jan Mysjkin die diverse bundels van Bonnefoy voor het Nederlandse taalgebied ontsloot, recentelijk heeft Kiki Coumans het vertaalstokje overgenomen met een integrale vertaling van De gebogen planken (Les planches courbes) als resultaat.

 

Mysterieuze gedichten
Het oeuvre van Yves Bonnefoy, die naast poëzie ook essays schreef en o.a. Shakespeare, Keats en Leopardi in het Frans vertaalde, is consistent in zijn vorm, ondergedompeld in hetzelfde geluid en toon alsook in zijn karakteristieke onderwerpen die in een mengeling van gedroomde en werkelijk beleefde werelden gesitueerd zijn. Zijn geliefde en steeds terugkerende motieven als vlammen, wind, rivier, oever, stenen, bomen, boot en schaduw lijft hij in en ijkt ze tot eigen symboliek. In een taal die zich beperkt tot die van essenties in plaats van eigentijdsheid. Maar liefst negen gedichten in deze bundel zijn simpelweg getiteld Een steen. Een taal die eigenzinnig, dromerig en abstract is. Het maakt zijn gedichten mysterieus. Als schilderijen van De Chirico met hun eigen luciditeit van dromen, een eigen logica en losheid van beelden. De poëzie van Bonnefoy lijkt afgesneden van de tijd waarin ze is geschreven en oogt daarmee enigszins tijdloos. De gedichten worden bevolkt door schimmige, vervliegende, verre van concrete figuren of slechts vertolkt door lichaamloze stemmen.


Vergeten woorden

Wat ik schrijf zijn veel meer verzamelingen, samenhangende, samengebalde stukken waarvan het afzonderlijke slechts een fragment is’, beweerde hij ooit. De omvangrijke bundel De gebogen planken is dan ook geconstrueerd uit met elkaar samenhangende afdelingen en reeksen waarin thema’s worden uitgewerkt of gevarieerd; een stem haakt aan bij een tegenstem. Er zitten lyrische reeksen tussen, maar naar het einde toe waaiert de bundel uit naar meer meditatieve prozaverzen waarin de dichter met zijn eigen gedachten in gesprek treedt. Eén zo’n prozavers is een aangrijpend sprookje waarin een reusachtige veerman niet overweg kan met de smekende vragen van een klein, bangig jongetje die hij naar de overkant brengt. Samen zijn ze echter te zwaar en de boot met ‘de gebogen planken’ loopt vol water. Maar zinken doet hij niet, ‘het is eerder alsof hij oplost in de nacht.’ De reus gebiedt het jongetje zijn verlangens, ‘alle woorden’ te ‘vergeten’, waarna zij in elkaar lijken op te gaan en zwemmen ‘door de eindeloze ruimten van botsende stromingen, gapende afgronden, sterren.’ Toch herkent men op iedere pagina dezelfde linguïstische en emotionele grondtoon, opgevoerd in dezelfde bezwerende taal, in die eindeloze zoektocht naar de ‘klank (…) waaruit woorden willen ontstaan’ die de ‘wereld weer nieuw zou maken’. Bonnefoys zinnen pendelen vaak tussen aanwezigheid en afwezigheid, een wereld die voorbij is en een wereld die opkomt. Waarin immanentie en transcendentie keerzijden van dezelfde medaille lijken. Tegen de onvermijdelijke eindigheid lijkt het verzet gestaakt en plaats te hebben gemaakt voor gelatenheid.

‘Zijn, niet zijn. // En lopen, over dit pad / Of dat andere’. Zijn poëzie breekt een lans voor het levende, het scheppende. Is meer op herboren gericht dan op afsterven. Het scheppende als tegenhanger van de chaos, van de dood. Laatste zin van de bundel luidt: ‘en altijd weer was er die lach’.


Het hier en nu

Ofschoon zijn werk zich heeft ontwikkeld, is de toewijding aan het hier en nu gebleven. Fascinatie voor het zijn, het aanwezig zijn. Het zich verbazen over de wereld als verschijning, en daar de woorden op laten aansluiten. De kostbare momenten van zuivere tegenwoordigheid, aanwezig stellen in gedichten. ‘Echt is alleen de trillende hand die / De belofte van een andere hand aanraakt’.
Zijn zinnelijke voorstelling van werkelijkheid verbindt zich met woorden als reinheid, eenvoud, volheid, onmiddellijkheid. Het gaat in deze poëzie om de onmiddellijke ervaring tussen mens en wereld, en niet om de reflectie daarop. De taal van de dichter moet de ‘tegenwoordigheid’ (présence) zien terug te geven aan de ervaring. Poëzie is voor Bonnefoy de werkelijkheid bevrijden uit de kerkers van het vastgeroeste begrip. De werkelijkheid vanuit een niet vooringenomen wijze, vanuit een niet door begripsmatige taal gecorrumpeerde wijze tegemoet treden. De zuiverheid van vóór het taalbegrip (‘Glimlachend als voor / Het ontstaan van de taal’ ) wordt door Bonnefoy gethematiseerd. ‘In ons overal niets dan nederige leugens / van woorden die niets meer bieden dan dat wat is.’ Maar de taal zelf heeft genoeg potentie. Bonnefoy heeft ‘het woord, dit zesde en meest volmaakte zintuig’ genoemd. In de afdeling, onmineus getiteld In het drogbeeld van de woorden, neemt de dichter het op zich de poëzie te verdedigen:

‘Poëzie / Ik kan het niet laten je naam te noemen‘. Poëzie is ‘het uitgeworpen anker’, ‘de wankele stappen in het zand, / Het hout dat gesprokkeld wordt, de vonk / Onder natte takken, en in het rusteloze wachten / Op een aarzelende vlam / Het eerste woord na een lange stilte, / Het eerste vuur dat ontbrandt in een dode wereld.’

Poëzie met de levenskracht van een Feniks. Voor Bonnefoy was de dichtkunst sinds Auschwitz er eerder noodzakelijker op geworden dan onmogelijk.


Milde hoofdknik

Dat deze dichter geen vernieuwer qua vorm is geweest, bewijst ook deze bundel. Toch is zijn poëzie bevreemdend, verrassend en na een tijdje zelfs, merkwaardigerwijs, vertrouwd. Kiki Coumans heeft met haar consciëntieuze en aanvoelende vertaling van deze schitterende bundel de Nederlandse poëzieliefhebber een grote dienst bewezen. Het is poëzie die meer naar herkennen dan begrijpen staat. Al is het natuurlijk de vraag of er voor de hedendaagse, Franse middelbare scholier veel te herkennen valt in Bonnefoys universum, gespeend van ringtonen en twittertaal. Het vanzelfsprekende wordt buiten de deur gehouden, maar af en toe duikt er een enkel groot woord op: ‘De schoonheid zelf op haar geboorteplaats / Wanneer ze alleen nog waarheid is.’ Maar de duiding die ermee beoogd is, is meer die van de milde hoofdknik dan van de priemende vinger. Bovenal is deze Franse dichtersreus thuis in serene eenvoud:

Onze handen vol of leeg,
Dezelfde overvloed.
Onze ogen open of dicht,
Hetzelfde licht.

 

 

Gebogen planken
Yves Bonnefoy
Vertaling door: Kiki Coumans
Verschenen bij: Vleugels - Franse reeks
ISBN: 9789078627265
136 pagina's
Prijs: € 27,95

Meer van Albert Hogeweij:

2 februari 2017

Vormvast en elegant van stijl

Over 'Viviane Élisabeth Fauville' van Julia Deck
15 december 2016

Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

Over 'Poèmes secrets / Geheime gedichten' van Guillaume Apollinaire
9 december 2016

Romantiek en bikkelharde realiteit in prozagedichten

Over 'Daedalea - Een vertelling in gedichten en prozagedichten' van Tomas Lieske

Recent

25 juli 2017

Een Limburgse Rémi

Over 'De dagen' van Frans Budé
21 juli 2017

Vast in het ijs

Over 'Dwars door het ijs' van Cormac James
19 juli 2017

Kijk, lees en geniet!

Over 'Wonderwezens' van Ingrid Biesheuvel, John Rabou
17 juli 2017

Terug naar vroeger

Over 'Hier kom ik weg' van Annette Maas
14 juli 2017

Het barre landschap van de menselijke geest

Over 'Beest' van Paul Kingsnorth

Verwant

18 mei 2017

Op de tast naar liefde

Over 'In de trein ' van Yves Bonnefoy
18 mei 2017

Een huis is te groot om door de deur te passen

Over 'Opmerkingen' van Yves Bonnefoy