10 mei 2017

Splendor – H.C. ten Berge

Poëzie als vette klei en onomwonden vruchtbaar

Recensie door André van Dijk

Op ongeveer tweederde van de bundel Splendor staat een strofe die zo’n beetje allesomvattend voor het werk van H.C. ten Berge genoemd kan worden. Een vorm van persoonlijke kwalificatie, een helder inzicht in eigen materie:

Ik ben de nominalist
die alles met woorden bekleedt en benoemt.
Ik zeg de naam en eigen mij de dingen toe.
De woorden & de dingen: gist voor de geest,
een zingen om het zingen, splendor –
feest van licht, een gloed door de gebrande ramen.

De dichter als ‘nominalist’ die zich dingen toeëigent, ze een naam geeft en alles met woorden bekleedt. Dat gebeurt zonder noemenswaardige emotie, in een spel vol begrip en betekenis, maar wel met een plotselinge opleving: gist voor de geest, dát zijn de woorden & de dingen. Het is zingen om het zingen, en zelfs – splendor! – een feest van licht. Zo uitbundig tref je Ten Berge zelden of nooit, en zeker niet over zijn eigen poëzie (aangenomen dat hier een zweem zelfreflectie heeft plaatsgevonden). Zijn verzen kenmerken zich juist door een afgemeten thematiek die op grondige wijze met woorden wordt vormgegeven. Splendor is daar een lichtend voorbeeld van.

De wonderlijke aanvang ‘Ik vlieg door de dertiende eeuw’ is meteen een boeiende binnenkomer. Het prozagedicht over middeleeuwse mystica – verlichte geesten in diepgaande adoratie voor en lichamelijke versmelting met Christus – is een opsomming van de bizarre eigenaardigheden van historische vrouwen in hun religieuze dweepzucht. ‘Het bloedend hart van Christus wekt hevig hartzeer/ bij de vrouwen van de vrije geest’, zo steekt de dichter van wal om daarna een opsomming te geven van de lichamelijke extravagantie waarmee het ‘hartzeer’ gepaard ging. Met het nodige cynisme wordt de vaak gruwelijke levensloop van deze ‘bruiden van God’ beschreven, waarbij telkens fijntjes wordt aangestipt hoe het hemelse licht niet vanzelfsprekend tot verlichting leidde.

De grondige werkwijze van Ten Berge wordt goed zichtbaar in het tweede hoofdstuk onder de noemer ‘O de aarde’. De woordspeling, die het geheel als een ‘ode’ laat klinken, zal hier niet toevallig geplaatst zijn. Met een intensiteit die zinderend door de regels stroomt, laat de dichter voelen hoe de aarde als basis van onze existentie een levensader is. Hij zoekt doorlopend naar nieuwe woorden en samenstellingen om substantie uit te beelden. Poëzie als vette klei – onomwonden vruchtbaar:

Op de aarde, in een bad
van modder, dompig slijk –
in de bagger plat voorover, poel
van venig nat.
Jouw aangezicht besmeurd,
verkild, een grijns verstard in drab.
Ook dit is de grond
waarop je leeft en ligt
en lijdt.

Dompig slijk en venig nat, een wereld van zintuiglijke werkelijkheid. De materie wordt op haast zinnelijke wijze voelbaar gemaakt. Dat is de intense vorm waarmee Ten Berge zijn verzen ‘met woorden bekleedt’. Eén simpele beschrijving is niet voldoende, dat worden er al gauw twee of drie, telkens in een andere andere weergave, sterker en versterkend. Geen kwestie van herhaling, maar een driftig zoeken naar nóg krachtiger formuleringen die het geheel tot een diep gevoelde eenheid maakt.

In de ‘aarde’-gedichten komt tegelijkertijd een sterk pleidooi voor de zorg voor het klimaat en milieu naar boven. ‘Is de wereld de aarde te machtig?/ Is de mens haar nog waard?’ vraagt de dichter zich af. Dat leidt tot een duistere uiteenzetting waarbij hij de dystopische voorspelling hier en daar nog weet te neutraliseren door een flinter licht toe te laten. Minimale splendor in een inktzwarte wereld, veel donkerder kan de toekomst niet worden.

Toch vloeit opeens weer de schittering van de poëzie over de bladzijden in het onderdeel ‘Splendor of de metafysica van het licht’. Een prachtige serie verzen over de weergave en uitwerking van het schijnsel in zowel melancholische als opbeurende gedachten:

Bijna tastbaar brandt de zon haar licht
in hoge, smalle vensters van de kathedraal.
Onaards de bron en toch op deze plaats
door glas en ruimte omgevormd
tot weerspiegeling van een wereld
die niet meer bestaat.

De middeleeuwse bouwmeesters worden genoemd als aardse scheppers van het licht in hun kathedraal ‘bedwongen door gotieke slankheid, luchtbogen, glas/ en wat bouwlust met ruimte vermag,/ droeg een lofzang op het licht’. Het is een doorlopende ode aan de kunsten, waarbij de splendor, de briljante verschijning van inval, tevens aan andere kunstvormen wordt gekoppeld. Muziek (koorzang), schilderkunst (William Turner) en poëzie (Herman Gorter) zijn bij uitstek onderwerpen waar de glorieuze schittering een zintuiglijke ervaring wordt. Gorter krijgt van Ten Berge een eigen gedicht, fraaie regels over de dichter van de ‘allerindividueelste emotie’:

De liefde is overal, lichtsplinterfijn –
‘Uw schoudertjes zijn zoo mooi,
om u is lichtgedooi.’
Herman gaat op ‘in den schijn’
die uit ogenvuur straalt;
zijn ‘hooge beenen riemden het spikklend spatzilver er uit’ –
Jawel, het leven spat in licht uiteen,
zijn liefdesbuit eet hij alleen
om ‘de zuiverheid van het mooi’ voor de mensheid
in gloedvolle taal te verklaren.

Ook heeft H. C. ten Berge in deze bundel de ‘zuiverheid van het mooi’ in gloedvolle taal vormgegeven. Zijn aanhoudende zoektocht naar de verwoording van een intense ervaring, het fonkelen dat alles overtreft, krijgt in Splendor een lumineus slotakkoord: Er is een leven dat krimpt en verkwijnt. / Er is het licht dat verblinkt noch verdwijnt.

 

 

 

Splendor
H.C. ten Berge
Verschenen bij: Atlas Contact
ISBN: 9789025449049
96 pagina's
Prijs: € 21,99

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *





 

Meer van André van Dijk:

6 maart 2017

Observaties en prozaschetsen van een groot dichteres

Over 'Er was er eens en er was er eens niet' van Judith Herzberg
19 januari 2017

Lawaaidichter en lawaaimakers

Over 'Radeloos en betoverd' van Pat Donnez
14 november 2016

Begenadigd dichter maar geen avonturier

Over 'Er loopt een gedicht voor mij uit - Bloemlezing door Ingmar Heytze' van Guillaume van der Graft

Recent

25 mei 2017

De andere kant van het land van beloften

Over 'Amerika, of de verdwenen jongen' van Franz Kafka
24 mei 2017

Het extreemrechtse drama

Over 'Ik had me de wereld anders voorgesteld' van Anil Ramdas
23 mei 2017

De man die niet kon liefhebben

Over 'Een onberispelijke man' van Jane Gardam
22 mei 2017

Herrijzende ster van Vaandrager en de tijd dat poëzie op straat lag

Over 'Vaan nu' van Bertram Mourits e.a.
18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy