Rob Groenewegen – Te leven op duizend plaatsen

Overal een buitenstaander

Recensie door Joost van der Vleuten

Te leven op duizend plaatsen is een biografie met ambitie. Ruim 800 bladzijden lang doet Rob Groenewegen zijn best Jo Otten gestalte te verlenen en zijn waarde voor literair Nederland recht te doen. Ondanks degelijk onderzoek, leesbare tekst en royale context lukt hem dat niet echt. Niet de biografie is mislukt, maar het leven van Jo Otten.

Jo Otten was een matig getalenteerde, stilistisch zwakke, vaak haastige schrijver. Hij was arrogant en egocentrisch, humorloos en bang. Hij maakte twee vrouwen diep ongelukkig en was het zelf ook. Veel biografisch materiaal ging verloren in de Tweede Wereldoorlog en weinig collega’s schreven over hem na zijn dood (met Constant van Wessem als uitzondering). Ondanks de grondigheid van de biograaf vertoont het levensverhaal van Otten dan ook grote gaten.

Desondanks is Te leven op duizend plaatsen het lezen zeker waard. Bijvoorbeeld omdat Groenewegen alle moeite doet om de wereld van de schrijver tot leven te wekken. Hij geeft een beeld van Rotterdam in de eerste decennia van de twintigste eeuw, dat zich schoksgewijs ontwikkelde tot wereldhaven. Hij beschrijft het culturele leven: het was de tijd van de filmliga, de charleston en de grammofoonplatenfeestjes, de tijd ook van nieuwe zakelijkheid, vitalisme en futurisme. Groenewegen schetst de gecompliceerde veelvormigheid van de Nederlandse literatuur uit die tijd, met allerlei avant-gardebewegingen die over elkaar heen tuimelen. En hij doet een verdienstelijke poging de waardering van Otten en vele anderen voor het fascisme en andere autoritair-populistische stromingen te begrijpen in de context van hun tijd.

De vraag is echter in hoeverre Otten een kind was van die tijd. Zijn hele leven lang was hij een buitenstaander, zowel binnen als buiten de republiek der letteren. En dat was tragisch. Want hij wilde zo graag en hij probeerde zoveel. Hij was de zoon van een geslaagde architect in Rotterdam, groeide op in herenhuizen met personeel en behoorde tot de plaatselijke elite. Maar Rotterdam had groeistuipen en was één grote bouwput, van de havens tot de arbeiderswijken. Veel oude glorie werd gesloopt. Bioscopen, danszalen en winkelstraten verdrongen chique wandelpromenades en concertzalen. Rotterdam verpauperde ook, door de grootscheepse import van berooide plattelanders die aan de slag konden in de uitdijende haven. Otten was een gevoelige en introverte jongen. Je krijgt de indruk dat hij bang was voor die massa, die herrie en die dynamiek. Hij droomde achter gesloten gordijnen weg in teksten vol 19e-eeuwse verfijning: Wilde, Gide, Baudelaire en andere ‘elitaire’ en ‘decadente’ schrijvers.

Tussen Baudelaire en Bordewijk
Otten wilde kunstenaar worden, en natuurlijk was zijn vader daartegen. Die stuurde hem naar de plaatselijke hogeschool (nog net geen universiteit), die juristen en bedrijfskundigen leverde aan de Rotterdamse industrie. Otten was geen geliefd corpslid, maar debuteerde wél in de Rotterdamsche Studenten Almanak, met teksten die meer met Baudelaire dan Bordewijk van doen hadden. En hij vulde zo’n beetje in zijn eentje het kwakkelende Rotterdamsch Studentenblad. Even leek het de goede kant op te gaan, toen Joris Ivens en Arthur Lehning zich in het studentenleven begaven en de Rotterdamsche Studenten Federatie werd opgericht, die de kloof tussen corpsleden en ‘anderen’ zou moeten overbruggen. Maar al snel verlieten ze de stad, om de wereld te veroveren: Ivens als filmmaker, Lehning als Bakoenin-archivaris en oprichter van internationaal avant-garde tijdschrift i10.

Zijn leven lang bleef Otten zoeken naar geestverwanten en kringen waar hij bij kon horen, maar dat lukte zelden. Forum wees hem af, De Stem en Vrije Bladen publiceerden hem wel. Als bestuurder van de Filmliga mocht hij meedoen met de grote jongens als Ter Braak, Van Wessem en Ivens, maar hij maakte zich er onmogelijk. Otten trok op met Wagener, Stroman, Schuitema en andere Rotterdamse vertegenwoordigers van Nieuwe Zakelijkheid en socialisme, maar kon zich niet vinden in hun politieke program. Otten mocht bij uitgeverij Stols een prachtuitgave maken van liefdesbrieven van Keats, maar kreeg groot gedonder met illustrator John Buckland-Wright (nu was dat ook een onmogelijke man). Het is een constante in Ottens chaotische leven: hij kreeg gedoe, en werd afgewezen of trok zich terug.

Literaire beulen
Otten werd geen aanhanger van een van de vele avant-garde bewegingen, die probeerden het moderne leven te vangen in steeds weer nieuwe vormentalen; van abstract tot fotomontage, van sociaal-realistisch tot vitalistisch, van nieuw zakelijk tot expressionistisch, van reportage tot prozagedicht. Wie dat in een of andere vorm wél deden waren van Ostaijen, Marsman, Van den Bergh, Van Wessem en Bordewijk. Zelfs Nijhoff, met zijn Baudelarisme en klassieke literaire vormen, stond evident in contact met de tijdgeest. Otten zweefde er zo’n beetje tussendoor, met teksten die noch roman, noch verhaal waren, die zwenkten tussen de 19e en 20e eeuw, en tussen fictie en ego-document. Tot in de titels toe is die tweeslachtigheid te marken: Bed en wereld, Mobiliteit en revolutie, Muizen en demonen. Groenewegen betoogt dat Otten het slachtoffer werd van Ter Braak en Du Perron (de harde kern van het tijdschrift Forum), de literaire beulen van het interbellum: de ‘romantische’ Otten versus de cerebrale en rationalistische Forum-mannen. Maar de afwijzing en het gebrek aan succes lagen ook aan de kwaliteit van zijn werk.

Opstand der horden
Otten bleef een overgevoelige telg uit de elite die bevangen door angst neerziet op de oprukkende arbeidersmassa.

Dat brengt een andere constante in het vizier: de enige ideologische positie die Otten blijft fascineren is die van het fascisme. Hij keurde de terreur af waarmee het in de praktijk gepaard ging, maar hij vond het wél een geschikt politiek-bestuurlijk systeem om de maatschappelijke spanningen in goede banen te leiden. Lees: om ‘de massa’ te disciplineren (en zijn eigen angst voor die massa te bezweren). Otten wijdde zijn proefschrift aan het fascisme. Desgevraagd verklaarde hij geen fascist te zijn, maar ‘internationalist’. Wél zou hij er – op zoek naar een publiek – over publiceren in niet altijd even koosjere blaadjes en erover spreken op rechts-populistische bijeenkomsten. Daar weet hij overigens maar weinig enthousiasme los te weken, want hij blijft een afstandelijke, arrogante, té goed geklede intellectueel met een zwakke stem. Zijn angst voor de massa en zijn vrees voor een grote oorlog van allen tegen allen maken hem tot geestverwant van cultuurpessimisten als Spengler (Untergang des Abendlandes) en Ortega y Gasset (Opstand der horden).

Wat hem in het maatschappelijke leven niet lukte, mislukte ook privé. Otten trouwt met Dity en krijgt een dochter waar hij dol op is. Het huwelijk mislukt echter en hij hertrouwt jaren later met Jetty, zonder met haar te gaan samenwonen. Hij krijgt opnieuw een dochter, waar hij opnieuw dol op is, maar neemt om de haverklap en onaangekondigd de wijk naar het buitenland – Parijs, Berlijn en god-weet-waar. Het is tot op heden een raadsel waar hij precies uithing en wat hij dan deed. Da’s vreemd. Dezelfde raadselachtigheid omhult de informele vriendenclub tijdens zijn studiejaren: een groep vrienden die bijeenkwam in ‘het Prieel’; een ‘Byroneske’ locatie aan de Leuvenhaven, waar het volgens buitenstaanders niet pluis was. Men dweepte met literatuur, met het fin de siècle en de decadentie, en deed ‘dingen die het daglicht niet altijd konden verdragen’. Maar wat precies blijft onduidelijk. Groenewegen suggereert drugsgebruik, maar misschien spelen ook seksualiteit in enige vorm een rol, gezien de cultus van Wilde, Couperus en Casanova, en het werk van ‘de wereld-eroticus’ Hanns Heinz Ewers, die opzien baarde met artikelen en boeken over (homo)seks, drugsgebruik en zelfs een biseksuele vamp.

Aan Ewers wijdde Otten een van zijn vele artikelen over een baaierd aan onderwerpen. Hij publiceerde onder meer in Den Gulden Winckel, De Nieuwe Rotterdamsche Courant en het (antidemocratische) Haagsch Maandblad. Otten werkte ook als vertaler en tolk bij de rechtbank. Hij schreef boeken over Keats, en Machiavelli, en waagde zich aan een nooit verfilmd scenario, dat hij omwerkte tot de mislukte roman De schat van de Lutine. Zelfs als broodschrijver met bijbanen had hij de financiële steun van zijn vader nodig om het hoofd boven water te houden.

De mensen dwingen goed te zijn
Rob Groenewegen heeft het allemaal grondig uitgezocht, opgeschreven en met gulle hand van illustraties voorzien. Da’s mooi, maar het is wrang dat je je afvraagt of Otten wel een schrijversbiografie waard is. In een afsluitend hoofdstuk gaat Groenewegen daar uitgebreid op in. Jazeker, zegt hij, want Otten is literair-historisch misschien niet zo belangrijk, maar wel echt een kind van zijn tijd, en juist in figuren van het tweede garnituur wordt een tijdperk, een culturele code en een literaire stroming vaak veel beter weerspiegeld dan in de gezichtbepalende hoofdfiguren (zoals Marsman, Ter Braak, Du Perron, Nijhoff) die zelf hun stempel drukten op die tijd, in plaats van andersom. Je zou willen dat het waar was.

Ottens dood was wrang. Hoewel hij financieel aan de grond zat, leek hij eindelijk volwassen te worden. Het huwelijk met Jetty was minder labiel, hij had als tweede secretaris van De Vereeniging van Letterkundigen een positie binnen het literaire establishment, en vertoonde een grote productiviteit: recensies voor het Haagsch Maandblad, een ‘essayistisch-biografische schets’ Machiavelli. Sleutel van onzen tijd, inclusief een vertaling van De vorst, en het kinderboek De avonturen van Jammerpoes. Dat laatste was een jolig verhaal dat zich afspeelt in Muizenland, dat wordt beheerst door ene Muizolini….  In het Haagsch Maandblad waarschuwde hij nog in 1940 voor ‘de dwaaste oorlog van alle oorlogen’ en in een lezing combineerde hij ideeën van Mussolini, Machiavelli en Multatuli om te pleiten voor een machtsuitoefening die de mensen zou ‘dwingen goed te zijn’. Dat was een duidelijke stap weg van het fascisme, dat er van uitgaat dat de mens slecht is en ‘bedwongen’ moet worden.

De laatste maanden van zijn leven werd Otten geplaagd door nachtmerries: ‘Ik kan je wel zeggen dat ik vannacht de bom al op mijn kop heb gevoeld’ zei hij tegen Jetty. Een paar maanden later was het zover. Op 10 mei 1940 werd Otten in Den Haag getroffen door een Duitse bom. Hij was al duizend doden gestorven.

 

 

 

 

Omslag Te leven op duizend plaatsen - Rob Groenewegen
Te leven op duizend plaatsen
Rob Groenewegen
Jo Otten 1901-1940
Verschenen bij: Knipscheer, Uitgeverij In de
ISBN: 9789062656653
832 pagina's
Prijs: € 39,50

Meer van Joost van der Vleuten:

Recent

10 december 2018

René Appel stelt de lezer niet teleur

Over 'Dansen in het donker' van René Appel
9 december 2018

Mussen met longen als vliespinda’s

Over 'Wat huid is' van Peter du Gardijn
5 december 2018

Gevoelloos ronddwalen aan de zelfkant van Kopenhagen

Over 'Sus' van Jonas T. Bengtsson
4 december 2018

Verglijden van de tijd

Over 'Vogels, vlinders en andere vliegers' van Hans van Pinxteren
3 december 2018

Er was eens ...

Over 'Venushaar' van Michaïl Sjisjkin

Verwant

Vijf eeuwen politieke inspiratie

Over 'De vorst, sleutel van onze tijd - Eerste integrale editie' van dr. J.F. Otten, bezorgd door Rob Groenewegen