12 april 2016

Over tederheid

Door Inge Meijer

Je hebt er geen idee van wat je allemaal in je meedraagt aan klank, kleur en taal. Door gebeurtenissen des levens worden opgeslagen herinneringen gekoppeld aan een klank of taal  die in je zelf bezonken is. De dingen raken elkaar, worden speciaal en gaan klinken in je hoofd.

In mijn hoofd klinkt sinds een week het melancholieke deuntje ‘Verdomme Kees’, van Frans Halsema. Het is in mijn hoofd geslopen en wil er niet meer weg. Ik doe de dagelijkse en ondagelijkse dingen, leg mijn bestek neer als mijn bord leeg is, schuif een stoel achteruit, haal broden uit de oven, kijk hoe goudbruin ze daar liggen te dampen op het rooster. Dan als ik me omdraai, mijn jas op hang, het boek dat ik lees weg leg of de krant dichtvouw, mijn fiets op slot zet, dan zingt er een plotseling ‘Verdomme Kees’ door mijn hoofd. Op de nagalm van deze tedere tune ga ik verder met de dingen tot ik me weer omdraai, een la dicht schuif of de kat naar buiten laat en er opnieuw ‘Verdomme Kees’ door mijn hoofd gaat en ik stil sta. Maar niet te lang. En je weet dat het door ‘Wim’ is dat je ‘Verdomme Kees’ in je hoofd hebt.

Wat helpt is lezen in De duimsprong van Miek Zwamborn. Het is een van de mooiste en zachtmoedigste boeken die ik in jaren heb gelezen. Een roman rijk aan verhalen over personen die de aarde in  kaart willen brengen. Haar manier van schrijven is onderzoekend maar vooral helder en maakt van elk persoon, hoe moeizaam de levensloop ook, een oprecht geaard mens. Ze beschrijft mensen die een doel hebben, ook al is dat doel het einde van het leven. De rode draad in De duimsprong is een jonge vrouw die, nadat ze hoort dat haar klimvriend Jens is verdwenen, wil achterhalen wat er gebeurd is. In de hoop hem te vinden gaat ze opnieuw de klimtochten maken die ze eerder met hem maakte, ze zoekt op alle plekken waar ze samen zijn geweest. De ontroering ontspringt uit de poging de tijd stil te zitten, te geloven dat hij daar is waar ze hem gezien heeft, waar ze samen waren.

Op de een of andere manier geloofde ik door naar de plekken te gaan waarover hij me had verteld dichter bij zijn verdwijnpunt te komen. Ik vertrok naar Engeland. Toen ik net als Jens langs de stronken van het Fossil Forrest liep en me op de terugweg over het strand van de Hoefijzerbaai liet blazen ontdekte ik in een van de straten dwars op de baai een boom met daarin buitensporig veel plastic emmertjes en schepjes, aangespoeld waarschijnlijk, verzameld door de zee zelf of achtergebleven op het strand. Daar onder die boom heb ik voor het eerst om Jens gehuild. Al die vermiste voorwerpen bijeen in de boom deden me beseffen dat ik hem wellicht nooit meer terug zou zien.”

Miek Zwamborn werd door Wim Brands geïnterviewd in 2013, ik vond het een van de mooiste interviews. Brands geniet zichtbaar hoe ze vertelt over de uitgangspunten en ontdekkingen die haar tot het schrijven van dit boek hebben aangezet. Genieten is een vorm van tederheid. En dan zingt het weer in mijn hoofd ‘Verdomme Kees’, bij wie moeten nu al die jonge schrijvers, voor wie het het toppunt van waardering is ooit in Boeken met Brands te mogen zitten, waar moeten die nu heen? Nog liever dan met een DWDD-sticker te worden opgescheept werden ze, zeker weten, liever door Wim Brands uitgenodigd om over hun boek te komen praten. ‘Dat zegt iets, naar ik vrees…’

 

Kijk hier de uitzending met Miek Zwamborn: vpro.nl

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer