9 maart 2016

Onverwachte poëzie

Stefan Ruiters

Hoe ik mij op een avond met heel veel plezier verloor, ergens in een verkavelde Noord-Hollandse polder, in een oneigentijdse collectie van dichtbundels van een gestorven hoorspelregisseur.

Op een regenachtige maandagavond reed ik terug vanuit West-Friesland naar Amsterdam met een fijne buit aan honderden dichtbundels van voornamelijk Nederlandse poëzie. Een hoorspelregisseur was overleden en liet een flinke boekencollectie na. In een jaren vijftig ruitjeshuis van een van de nabestaanden stond ik de bundeltjes te tellen: 328 in totaal. Ik nam ook nog een aantal kunstboeken mee en aan de wand zag ik een mooi schilderijtje hangen van een stadsgezicht in de avondmist dat me deed denken aan de Londense schilderijen van de Tachtiger Willem Witsen (1860-1923). Zo gek bleek mijn associatie niet te zijn. De opa van de dame die zich had ontfermd over de boekenerfenis bleek de schilder van dit werkje en hij verbleef in dezelfde periode als Witsen in Londen, zo rond 1890.

Ik zakte weg in de tijd en vertoefde met de vaak prachtig grafisch vormgegeven poëzie in een dichterlijke dimensie die nog eens versterkt werd door het schaarse licht in huis en de waaiende duisternis buiten. Namen en titels van vergeten, bijna vergeten, tijdelijk bekende en beroemde dichters gingen door mijn handen. Ik lees van Paul Rodenko (1920-1976) in zijn verzamelde gedichten het gedicht Vreemdeling, dat begint zoals ook zijn biografie heet:

Ik ben een vreemdeling,/ ik sta apart./ Elk ding/ zwelt tot een klam gezicht./ Ik tors het licht./ Het is stijf als een drenkeling./ Ik ben alleen./ Mijn moegerekte hart/ staat steil gericht:/ een meterhoge klarinet./ Maar geen geluid haalt grond in het/ star zwijgen om mij heen.

Maurice Gilliams (1900-1982), Guillaume van der Graft (1920-2010), Catharina van der Linden (1909-2002), wie kent ze nog? Wie leest ze nog? Alsof hun poëzie eigenlijk al te verstoft is, te stoffig, te oneigentijds . Misschien is dat de reden dat ik van deze gedichten houd. Zoals ik graag naar een foto kijk, van een straat uit de jaren vijftig, waar zoveel nog niet is, de volheid van nu afwezig is, pas later wordt ingekleurd. Ida Gerhardt (1905-1997), ook zo’n type dichter, die bij wijze van spreken al ouderwets of te klassiek was toen mijn opa en oma de nieuwe tijd omarmden van auto, televisie en vakantie. Maar haar kosmisch-religieuze gedichten mogen soms wel reactionair klinken, tegen mijn hedendaagse ik in, ik kan niet ophouden ze te lezen. Zoals ook Marsman mij boeit en zelfs, aiai, Adriaan Roland Holst met zijn gezwollen taal. Stiekem, ik doe er een, van Van der Graft (ps. van Willem Barnard):

De wind zo langademig in de bomen/ als liefde die nachtenlang niet inslaapt/ maar aldoor dezelfde naam herhaalt,/ onachtzaam voor anderen, onverstaanbaar,/ zodat men kan zitten in de kamer/ van één eigen leven mensvormigheid/ maar buiten dit lichaam verlopen er tijden/ en worden er levens gedrenkt in de regen/ en zoeken er doden een naam als een klok.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer