15 augustus 2009

Onlangs verschenen: deel 23 in de Perpetuareeks: Madame Bovary

De liefde moet ‘als een orkaan uit de hemel komen’, vindt Emma Rouault, die op het meisjespensionaat gezwijmeld heeft bij het lezen van de uiterst dweperige geschriften die daar de ronde deden. Maar haar behoefte aan een vurige liefde wordt niet vervuld in haar huwelijk met een goedmoedige plattelandsdokter Charles Bovary. Ook de gepassioneerde buitenechtelijke relaties waarin zij zich vol overgave stort schenken haar niet het geluk waarvan ze droomt. Flaubert tekent met een scherp oog voor de fijnere gevoelens het leven van een vrouw die te gronde gaat aan haar illusies. Voor deze uitgave in de Perpetuareeks heeft vertaler Hans van Pinxteren zijn vertaling geheel herzien.

Gustave Flaubert (1821-1880) staat bekend als een van de grootste stilisten uit de wereldliteratuur. Vanwege de beschrijvingen van het overspel en de scherpe maatschappijkritiek in de roman, werd er van overheidswege een proces tegen hem aangespannen. Flaubert werd vrijgesproken en zijn roman vond een enthousiast onthaal in heel Europa.

Lees hieronder het nawoord bij Madame Bovary door Thomas Rosenboom:

Grijnzen van woede
Er is veel geschreven over het grote belang dat Flaubert hechtte aan zijn stijl en over de uitputtende zorg die hij eraan besteedde, met name ook door hemzelf, in zijn correspondentie. In een tijd waarin het er nog niet zo erg op aankwam hoe een verhaal nu precies verteld werd, en de roman daardoor in lager aanzien stond dan poëzie of toneel, streefde hij naar een volwaardig artistiek, verfijnd, in zijn eigen termen aristocratisch proza, waarin de zinnen even ritmisch en welluidend waren als versregels. Door dat doel vervolgens te verwezenlijken heeft hij de romankunst geëmancipeerd tot een genre dat niet langer voor de andere literaire genres hoeft te buigen.
Aristocratisch proza dus, maar dan wel toegepast op het alledaagse onderwerp van overspel, al beoefent Madame Bovary dat met onmiskenbare verfijning, en aanvankelijk ook met een echte aristocraat. Maar hoe overspelig zij ook is, zij blijft ongelukkig, en aan het eind pleegt zij zelfmoord ? een dramatische geschiedenis kortom, al is de roman eerder een komedie te noemen dan een tragedie, want als je erop let zie je dat alles toewerkt naar de lach, terwijl Flaubert toch bekend staat om zijn negatieve mensbeeld, om niet te zeggen radicale misantropie. Waarom hij evengoed voortdurend moeite doet om de gehate en geminachte medemens aan het lachen te krijgen weet ik niet, maar het is een neiging die hij gemeen heeft met andere zwartgallige humoristen als Céline, Hermans, en Houellebecq.
Grappen maakt Flaubert niet: geen van de personages doet gevatte of rare uitspraken, de humor vloeit eenvoudig voort uit de scènes zelf, het zijn de zorgvuldig opgebouwde situaties die je keer op keer in schateren doen uitbarsten, vaak als je net geroerd bent door een voorafgaand voorval, weerloos tegen de onfeilbare contrasttechniek. Een paar voorbeelden van deze pure sitcom avant la lettre.
Wanneer Emma eist om met kind en al geschaakt te worden krijgt haar minnaar Rodolphe er genoeg van. Hij schrijft een in excuses gemarineerde brief waarin hij de verhouding verbreekt, en laat die door zijn knecht de volgende ochtend, op de bodem van een mand vol abrikozen, bij Emma bezorgen, precies zoals hij dat eerder met zijn liefdesbrieven deed. Emma vindt de brief dan ook onmiddellijk, leest hem ‘grijnzend van woede’ op zolder, maar moet dan toch naar beneden om met haar man Charles het middagmaal te gebruiken. Terwijl Emma nog nauwelijks rechtop kan zitten steekt hij opgetogen een abrikoos in zijn mond. ‘Heerlijk!’ zegt hij dan, waarna hij Emma de mand voorhoudt. ‘Hier, proef maar […] Ruik toch eens, wat een geur!’
Wanneer Emma na haar eerste vrijpartij met haar nieuwe minnaar Léon thuiskomt, met een van hem gekregen boeket viooltjes in de hand, heeft Charles net bericht ontvangen van het overlijden van zijn vader. Emma verkeert nog zó in haar roes dat zij haar man niets weet te zeggen, terwijl de gebroken aan tafel zittende Charles zich omgekeerd, dwars door zijn verdriet heen, manmoedig wél tot aandacht voor haar weet te brengen. ‘Wat heb je daar een mooi boeketje!’ merkt hij op, en nadat Emma met achteloos gemak heeft uitgelegd dat ze het van een bedelares heeft gekocht, pakt hij de viooltjes beet, koelt hij er zijn roodbehuilde ogen mee en ademt hij hun geur in, tot Emma ze resoluut afpakt en in een glas water gaat zetten.
Natuurlijk zou je om zulke dingen niet moeten lachen, maar als je het leest kun je niet anders, het is gewoon te erg. Intussen is wel duidelijk dat de scène met de abrikozen en die met de viooltjes, ondanks de tegenstelling tussen een beëindigde en een beginnende liaison, erg veel op elkaar lijken, zoals ook de beschrijving van Emma’s bruiloft en die van haar begrafenis, alles krachtens een voortdurend toegepast principe van spiegeling en herhaling. En dat betreft dan niet meer de alom geroemde en benadrukte stijl van het proza, maar de opbouw van de roman als geheel, die Flaubert in zijn correspondentie een even grote, misschien nog wel grotere betekenis toekent. ‘Boeken worden niet gemaakt als kinderen maar als piramides, volgens een van tevoren uitgedacht ontwerp, door ten koste van veel krachtsinspanning, tijd en zweet grote blokken op elkaar te stapelen,’ schrijft hij aan een vriend, en aan zijn geliefde Louise Colet, die vol lof reageerde op het in Flauberts eigen ogen gebrekkige manuscript van La Tentation de Saint Antoine: ‘Je hebt het over parels. Maar parels alleen maken nog geen collier; het gaat om de draad. […] Alles hangt van het werkplan af. Saint Antoine heeft er geen…’
Dat ontbreken van een werkplan zal hem niet nog eens opbreken. De improviserende werkwijze geeft hij op, Madame Bovary schrijft hij aan de hand van een vooraf bepaalde, en tot in de hoofdstukindeling uitgewerkte structuur. Die voorbedachte rade toont zich niet alleen in de talrijke, hierboven al genoemde spiegel- en contrasteffecten, maar ook in vele andere opzichten. Alles wat van belang zal blijken, krijgt al in een heel vroeg stadium zijn aankondiging, bij eerste lezing volkomen ongemerkt, en ook bij herhaalde lezing nog uiterst bedekt en subtiel. Zal Emma zwichten voor Rodolphe? Bijna honderd pagina’s eerder wordt die ontrouw al aangekondigd door de oude heer Bovary. Zal Emma door Rodolphe verlaten worden? Nog voor hij haar heeft verleid denkt hij al bij zichzelf: ‘Ze zou teder zijn, charmant… Ja, maar hoe kom je er later weer vanaf?’ Zal Emma haar man financieel te gronde richten? De koopman die haar het fatale krediet verleent verschijnt al als meedogenloze schuldeiser in beeld als zij nog een toonbeeld van huishoudelijke deugd is. Zal zij zichzelf aan het eind met arsenicum vergiftigen? Hoofdstukken daarvoor al laat Flaubert haar zien waar ze het gif kan vinden, in het met veel nadruk geïntroduceerde capharnaüm in de apotheek van de buurman.
Die bijna angstvallig geconstrueerde opbouw, gevoegd bij de uitputtende documentatie vooraf en de lijdensweg van de uitvoering, waarin nog zo veel te winnen en te verliezen is en de jacht op het ideale proza regelmatig tot razernij voert: het is niet bepaald het harmonieuze scheppingsproces van een begenadigde meester of een natuurtalent, maar veeleer een procédé waaruit de onmacht spreekt om iets anders te kunnen accepteren dan het volmaakte. Toen Flaubert de roman voor het eerst in druk zag schreef hij een vriend dan ook, eerder ontgoocheld dan trots: ‘Dit boek verraadt heel wat meer geduld dan genie, veel meer arbeid dan talent.’ Als dat waar zou zijn, dan is Madame Bovary een meesterwerk dat niet door een meester is geschreven, en daarmee nog uitzonderlijker dan andere meesterwerken.

Thomas Rosenboom

Gustave Flaubert, Madame Bovary. Athenaeum, gebonden, 360 p., € 32,50. Vertaald door Hans van Pinxteren

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer