2 februari 2017

Ondertiteling

Door Els van Swol

Vriendelijk vroeg ik de oudere heer een paar stoelen op te schuiven omdat hij op ‘mijn’ plaats zat. Morrend deed hij dit en zei: ‘Dat zei die mevrouw daarachter net ook al.’ Het voorprogramma begon en terwijl hij de Filmladder nauwkeurig bestudeerde, stampte hij met één voet het aanstekende ritme van Ne na na na van Christel Samson mee. Ik hoorde twee dames achter me overleggen wat ze met hem aan moesten als hij dit onder de voorstelling ook bleef doen. Ze slaakten een zucht van verlichting toen hij pal voor de film begon, aankondigde dat hij verkeerd zat en weg beende. Maar zo vroeg op de ochtend draait er nog geen andere film, zodat hij binnen een mum van tijd, nog steeds even kwiek, weer terugkeerde.

De film begon. Frantz was het. Ik hield mijn hart vast, want de film opent met een muziekkorps dat door de straten marcheert. Gelukkig, zullen ook de twee dames achter me hebben gedacht, stampte hij niet de maat mee. Sterker nog: kort daarna hoorde ik gesnurk rechts van me. Dat was opgelost. Tot hij op een gegeven moment wakker schrok en lachte om een bepaalde scène. En klikte met de tong om uiting te geven aan zijn empathie. De dames achter me hielden zich stil. Eigenlijk is het best leuk zo’n meelevende bioscoopbezoeker. Voer voor sociologen. En dan niet als er in een film een hondje of zo doodgaat, want dat brengt een hele zaal altijd in beroering, maar gewoon – bij andere dingen die niemand koud laten.

Ik moest denken aan een openbare repetitie twee jaar geleden van de adaptie van Shakespeares King Lear door Tom Lanoye tot Queen Lear, voor Toneelgroep Amsterdam. Het was interessant om een stuk vorm te zien krijgen, en een ster als Gijs van Scholten Asschat in een setting als deze te zien zoeken hoe het nóg beter zou kunnen.
Twee mensen voor ons voorzagen het gebeuren op het toneel, waar we met ons neus opzaten, van commentaar. Degene met wie ik de repetitie bezocht, vroeg op een gegeven moment nogal hard: ‘Stoor jij je aan dat gepraat?’ Waarop ik – recalcitrant als ik soms ben – al even hard én gemeend antwoordde: ‘Nee, ik vind het juist leuk te horen wat mensen ervan vinden.’ Ze hield prompt haar mond en de bezoekers voor ons gingen onverstoorbaar verder.

Waarschijnlijk had ik het niet meer leuk gevonden als ze dat commentaar onder een ‘echte’ voorstelling hadden gegeven. Al schijnt dat authentiek te zijn; ik hoorde regisseur Nina de la Parra – onder meer assistent bij Toneelgroep Amsterdam – onlangs zeggen dat dit in de tijd van Shakespeare heel gewoon was. En bij concerten was dat ook lang zo; er stonden in het Amsterdamse Concertgebouw zelfs tafeltjes. Maar zó authentiek hoeft het voor mij nu ook weer niet. Een met zijn voet stampende, tong klikkende en op z’n tijd lachende meneer tijdens een film en commentaar leverende mensen bij een openbare repetitie is op z’n tijd leuk, maar niet altijd.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer