18 april 2017

Ondergang en opstand

Door Inge Meijer

Het was een fantastische week, de week voor Pasen. Hoewel ik van hot naar haar vloog (met trein en fiets) las ik alsof mijn leven ervan af hing. Ik las een roman van een dichteres, de tweede roman van een debutant, twee vertaalde romans waarin ik halverwege was en een roman die met de post binnenkwam en dan ook nog elke dag de krant, nu ja, stukjes daaruit. O ja, en nog wat verhalen uit Teveel geluk, die ik al eerder las, van Alice Munro. Mijn lief vroeg me waar ik de tijd vandaan haalde, ik wist het ook niet. En of ik al die verhalen niet door elkaar gooide. Zodat je de protagonist uit het ene verhaal laat zitten met de keuze van die uit het andere verhaal. Dat zou dan weer een nieuw verhaal kunnen opleveren. Wat een van de redenen is waarom ik lees; verhalen voor mezelf te laten spreken.

Zo kun je in het verhaal Dimensie van Munro blijven zoeken naar de betekenis, naar een verhaal dat uit dat verhaal komt. Er is iets vreemds met dat verhaal. Jong meisje krijgt relatie met een veel oudere man. Kort achter elkaar krijgen ze vier kinderen. De man, Lloyd,  blijkt een potentaat; heer en meester over zijn kleine gemeenschap van vrouw en kinderen. Zoals veel personages in de verhalen van Munro, lijkt het meisje niet zo met het leven dat haar geboden wordt (en zich in dit geval behoorlijk vreemd ontwikkeld) – te zitten. Als ze voor het eerst een nacht niet thuis komt, vermoord Lloyd hun kinderen. Hij verdwijnt in een inrichting. Zij gaat hem daar opzoeken. Waarom doet ze dat?

Betekenissen hangen bij Munro boven de tekst; je voelt dat ze er zitten maar kunt ze amper pakken, alsof je betoverd wordt. Boven dit verhaal hangt een sfeer waardoor je wilt uitroepen: ‘Het is niet normaal zoals hij je behandelt; maak dat je wegkomt.’ Ik moet het opnieuw lezen om te weten wat het is dat me de adem beneemt.

Is haar gedachte: “Wie behalve Lloyd zou zich nu nog de namen van de kinderen herinneren, of de kleur van hun ogen.” de reden om hem te bezoeken? Als ze voor de zoveelste keer onderweg is met de bus naar  de inrichting, steekt een pick-up onverwachts de weg over. Een jongeman vliegt uit de auto. De bus stopt, zij snelt zich eruit en knielt bij de jongen neer. Plotseling herinnert ze zich alle eerste hulp handelingen die Lloyd – om in geval van nood haar kinderen te kunnen redden – haar heeft geleerd. Potverdorie, het kan niet dieper gaan. Eigenlijk  is het ongelofelijk wrang dat zij het leven redt van die jongen dankzij de man, die haar eigen kinderen vermoordde. Zou Munro dat beoogd hebben vraag ik me dan af. Of was het verhaal haar ontglipt, was het een voor zichzelf sprekend verhaal geworden. Na dit voorval bezoekt ze Lloyd niet meer. Hoe meer ik over dit verhaal nadenk, hoe meer betekenissen er uit voortkomen.

.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer