15 maart 2016

Woeste krullen

Door Inge Meijer

 

Op het perron van een klein station in het Oosten van het land stond ik op een vroege ochtend te wachten op de trein die me naar het Noorden zou brengen. Het stationnetje had twee perrons en was op mij na geheel verlaten. Ik voelde mij prima afgestemd op dit tijdstip, de stilte en mijn voornemen voor deze dag. Toen de trein binnenreed kwam een jongeman gehaast het perron op. Al lopende, tastte hij in de binnenzak van zijn lange jas. Stopte abrupt, liet zijn bruin leren tas tussen zijn voeten vallen en doorzocht alle zakken van elk kledingstuk dat hij droeg. De conducteur keek vanuit de openstaande treindeur naar de jongeman die nu steeds verwoeder, zijn tas doorzocht en begreep dat dit op niets zou uitlopen. Hij draaide aan de binnenkant van de deur een sleutel om waarna een schrille fluit klonk en de deuren van het treinstel zich sloten en vertrok.

De jongeman, die een aantrekkelijke bos woeste krullen had, keerde zich met een ruk om en liep richting fietsenstalling. Onderweg mepte hij een prop papier in een prullenbak waarmee het leek alsof hij de stop uit een volgelopen waterbak had getrokken. Hij gaf de prullenbak er van langs: ‘Tjeesus (knal!). Die kuttekop (ram!). Heeft ze weer (knal!) mijn portemonnee (knal!) bij zich (ram!) gehouden. Ik had het nog zo gezegd (knal!).’ Omdat ik het zelf wel eens bij de hand had gehad, meende ik te begrijpen dat zijn vriendin zijn portemonnee voor de boodschappen had gebruikt en die niet terug in zijn jas had gestopt. En dat het niet de eerste keer was. De jongeman sloeg nog één keer met zijn tas (ram!) tegen de prullenbak en liep verder, zijn krullen nog woester dan daarvoor.

Toen hij mij passeerde vroeg ik: ‘Gaat het?’
‘Ik hoop dat ik u niet geschokt heb’, verontschuldigde de woeste krullenbol zich en keek me daarbij aan alsof ik hem nu pas was opgevallen.
‘Oh nee hoor’, glimlachte ik. ‘Ik ben wel wat gewend, haha.’
Maar dat was ik  helemaal niet. Mijn lief probeert wel eens woedend te zijn maar dat lijkt nergens op. We zijn daar niet zo goed in. ‘Maar in de loop der jaren heb ik toch wel wat oefeningen gedaan,’ vertelde ik hem, terwijl ik mijn ogen niet van zijn krullen kon afhouden.

‘Daar lijkt u me veel te aardig voor om in woede uit te barsten,’ zei de jongeman.
Ik zei: ‘Ojee, dan heb je me nog nooit gezien bij het openen van een pakje Toscaanse vegaburgers die ik niet open krijg. Dan ontsteek ik van het ene op het andere moment in felle woede en voordat ik het weet trek ik een keukenmes uit de la. Die ik zonder pardon dwars door het  gesealde plastic van het onvermurwbare pakje steek en doorklief met één opwaartse beweging het strakgespannen plastic, als staat er een leven op het spel en met een woede, die stijgt als het water in de rivier na een lange winter, ruk ik de verpakking verder open met mijn handen om eindelijk die Toscaanse burgers te kunnen pakken.’
Mijn trein reed het station binnen.  De woeste jongeman lachte waardoor hij nog aantrekkelijker werd en zei: ‘Waar zouden we zijn zonder woede.’
‘Ja, zei ik, ‘Je hebt gelijk, wat woede op zijn tijd houdt het vuur brandende,’ en stapte in terwijl de zon over het perron scheen. Op naar het Noorden, naar de schoonste lucht van het land.

 

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer