10 november 2014

Mensje van Keulen ontvangt Constantijn-Huygensprijs 2014

 Realistische stijl van Mensje van Keulen bekroond

Literair nieuws

Mensje van Keulen (1946) staat bekend als één van de beste verhalenvertellers van het Nederlands taalgebied. Vanaf haar debuut in 1972 schreef ze meer dan twintig romans, verhalenbundels, kinderboeken, gedichten en autobiografisch werk. Haar titels werden genomineerd voor grote Nederlandse literatuurprijzen. Ze won er verschillende waaronder de Zilveren griffel (1986), de Nienke van Hichtumprijs (1991), de Annie Romeinprijs (2003), en daar is sinds vorige week de Constantijn-Huygensprijs aan toegevoegd.

Al op jonge leeftijd  wist zij met haar verzonnen verhalen haar broertje en zusje tot griezelen te brengen. Edgar Allen Poe, die ze op 12-jarige leeftijd las, was haar grote inspiratiebron. Haar eerste verhaal, Een bruiloft werd gepubliceerd in 1969 in Hollands Maandblad. Haar romandebuut Bleekers zomer verscheen in 1972. Daarover zei K. Schipper in de Haagse Post dat het lezen ervan om te genieten is. “Om het spel dat Mensje van Keulen met je speelt door nooit iets te geven wat je verwacht(…)”. De personen in haar romans en verhalen zijn vaak gewone, wat volkse mannen en vrouwen.

Het oeuvre dat Mensje van Keulen in ruim veertig jaar heeft opgebouwd getuigt, volgens de jury van de Jan Campertstichting, onder voorzitterschap van Aad Meinderts, van buitengewoon technisch meesterschap. Al haar verhalen zijn met precisie en fijnzinnigheid gecomponeerd. Ogenschijnlijk zijn ze gewoon en alledaags, maar de typische Mensje- van-Keulenverbeelding geeft er steevast een verrassende lading of onverwachte wending aan. Dat is het keurmerk van haar schrijverschap en daarmee vertegenwoordigt Mensje van Keulen een geheel eigen stem in de Nederlandse letteren.

De Constantijn-Huygensprijs is de belangrijkste van de vier Jan Campert-prijzen die jaarlijks door de gemeente Den Haag worden uitgereikt. Aan de prijs is een bedrag van € 10.000 verbonden. De drie overige prijzen zijn goed voor € 5.000.

De Jan Campert-prijs werd toegekend aan Piet Gerbrandy (1958) voor zijn dichtbundel Vlinderslag. “(…) een grandioze synthese van alle experimenten uit de vroegere bundels van Gerbrandy. Met een weloverwogen combinatie van verschillende genres zoals lyrisch gedicht, prozagedicht en poëticaal opstel, met behulp van gekunstelde taal, (…)”.

De F. Bordewijk-prijs werd aan Jan van Mersbergen (1971) toegekend voor zijn roman De laatste ontsnapping. “Van Mersbergen toont zich in zijn schitterende zevende roman een meester van het kleine gebaar en de onuitgesproken gedachte.”

En de tweejaarlijkse J. Greshoff-prijs voor essays is toegekend aan Bas Heijne (1960) voor Angst en schoonheid. Louis Couperus, de mystiek der zichtbare dingen. “(…) een ontmoeting tussen een bevlogen lezer, een auteur en een oeuvre.”

De prijzen worden volgend jaar, 18 januari, in Den Haag uitgereikt.

I. v/d Graaf

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer