27 januari 2016

Tegen gewenning

Door Inge Meijer

 

Vanmorgen schrok ik wakker uit een droom. Er stond een agent voor onze buitendeur met een mitrailleur in zijn handen. Wijdbeens, alsof hij daar voor eeuwig geplant was. Glurend door de brievenbus aanschouwde ik dit donkere silhouet in de ochtendschemer. Hij stond met de rug naar ons huis, onbeweeglijk maar aan de intensiteit van zijn aanwezigheid, was te zien dat hij zo onopvallend mogelijk de straat observeerde op verdachte bewegingen. Onze Marokkaanse buurvrouw liet uit schrik haar man via de achterdeur naar zijn werk gaan en de kinderen hield ze thuis van school. Dat is het mooie van dromen, dat je alles ziet wat je eigenlijk niet kan zien. Tegen mij fluisterde ze: ‘Er moet een tegenwicht komen, er moet een tegenwicht komen.’

Ik draaide me op mijn rug en hoorde me zelf zeggen: ‘Ja, je hebt gelijk. Het is klaar nu.’ Maar ja, wat moet je. Om nog een actiegroep in het leven te roepen tegen ophangen van slachtvee, gebruik van afkortingen die rijmen op ‘Nee’ en ‘ermee’ (assertiviteits-trainingen uit de vorige eeuw hebben hun sporen nagelaten) en zwaarbewapende agenten op straat, zal niet werken. Een goeie existentialistische roman uit de tijd van Sartre en zijn tijdgenoten kan nog wel eens helpen de mens terug te werpen op zichzelf en zijn daden te overwegen. Maar het zijn geen boeken die je even tussen tussen neus en lippen door leest. In een tijd waar het ene beeld een nog heftiger volgende beeld oproept. We grossieren in overtroevende en angstaanjagende beelden en berichten. Een gewoon boek komt er niet meer aan te pas. Ik wil dan ook voorstellen ons te bekeren tot de boekenkast. Dat is wat we dus nodig hebben, rust om afstand te creëren. Dan zie je wat er speelt.

Wie The walking dead kijkt, moet wel tot het verlichtende inzicht zijn gekomen dat écht alles went. Hakgeluiden in zompig vlees, bloedrochelende keelgeluiden en hoofden afhakken van levende doden (jaja, levende doden), we knabbelen er gerust een blok chocolade bij weg. Je raakt zo gewend aan het inhakken op lichamen dat als je buurman op die wijze vermoord wordt je er niet van opkijkt. Ons gewenningspatroon kent geen grenzen. Een boek tegen de gewenning is Van muizen en mensen van John Steinbeck (1902-1968).

Het is een klassieker in de wereldliteratuur maar meer is het een verhaal over mensen die menselijke dingen doen. Al is het niet allemaal leuk wat er gebeurt. Maar wie zegt dat het leven leuk moet zijn. Het speelt tijdens een crisis, zoals wij die nu wereldwijd kennen, in de Verenigde Staten van de jaren dertig. Mensen raakten op drift, op zoek naar een menswaardig bestaan (ook dat kennen we). De twee dagloners (zzp-ers), George en Lennie proberen het hoofd boven water te houden. Zij trekken van farm naar farm volgens een plan dat door George bedacht is. Lennie is zwakzinnig (verstandelijk beperkt heet dat nu) en kent zijn eigen kracht niet. In zijn hartstocht drukt hij muizen, honden en zelfs mensen dood. Hun grote droom is een eigen stukje grond met een boerderijtje en wat vee. Maar eerst moeten ze geld verdienen en dat lijkt niet zo te lukken. Ze komen op een farm waarvan de boer nogal opvliegend is. De domheid van Lennie kan hij dan ook niet verdragen. En ramp oh ramp, Lennie wordt verliefd op de boerin. Na een handgemeen met de boerenzoon en ook de boerin zit in het spel, komt Lennie in grote moeilijkheden. Het einde zal ik niet verklappen, alleen dat het geen fraai einde is.

Wel kan ik verklappen dat er een groot medeleven met de personages in dit verhaal zal zijn. Maar het medelijden met de doodgeknepen muisjes zal groter zijn.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer