4 september 2014

Masterclass voor beginners

Dilettant volgt masterclass

Column, Inge Meijer

Zondagnacht kon ik er niet van slapen dat ik zaterdag in aller vroegte op weg was gegaan naar een pand aan de Raamgracht in Amsterdam. Aldaar moest ik een Masterclass volgen. Nou ja, moest, moest… Het was natuurlijk geheel vrijwillig en ik betaalde er, ook geheel vrijwillig, een flinke smak geld voor. Maar, om het maar eens helder uit te drukken, ik had er een goed gevoel bij. Het zou zeker een waardige investering in mijn literaire dilettantisme zijn. Ik had me goed voorbereid op dit weekend. Toch raakte ik aan het dwalen op de Wallen. De buurt waar waarnemen en waargenomen worden de reden is om er rond te lopen. Ik was er niet om te kijken maar zag veel. Ik moest richting Nieuwmarkt. Terwijl ik over de Zeedijk liep, overviel me plotseling het verlangen daar deel van uit te maken. Van dat leven waarvan geen dag zeker is hoe de afloop zal zijn. Weg met de conventies. Een stap opzij doen, weg van de zekerheden die voor me liggen. Eén van die illustere cafés induiken waar voor tien uur ‘s morgens het bier op tafel staat. Maar die Masterclass kostte me een rib uit mijn lijf dus spoedde ik mij voort. Met mijn rugzak zwaarbeladen met tekst. Er werd op mij gewacht.
Hoewel gewacht. Toen ik een half uur te laat binnenkwam, was de zelfbenoemde Master aan het woord die, dat begreep ik later want hij is ook columnist en schreef er een column over, zichzelf niet serieus neemt. Ik, de dilettant schoof schielijk aan bij een getourmenteerd schrijfster, een recensielezer, een schrijvende bibliotheekdame, een zelden schrijvende computervrouw, een in het zwart geklede man, een postmodernistische dame, het meisje met de rechte rug en de neergeslagen ogen en een paar deelnemers die de hele class zwijgend doorstonden. Wat ik op zich heel knap vond. We hadden allen de verhandeling ‘Against Interpretation’ (1964), van Susan Sontag moeten lezen. Alsook een nog niet gepubliceerde roman van een schrijver die alleen maar over zichzelf schrijft, (zo oordeelde de gastdocent die zondagmiddag langs kwam), en daar een recensie over moeten schrijven. De Master vroeg wat we van het stuk van Sontag vonden. De getourmenteerde schrijfster riep dat ze het er niet mee eens was. Dat ze het regelrechte onzin vond wat Sontag beweerde. ‘Hum’, humde de Master en vroeg wat we van de roman vonden van de schrijver die alleen maar over zichzelf schrijft. Er was er één die het wel een leuk boek vond en verschillende deelnemers aan de Masterclass noemden dat, wat ze geschreven hadden, een boekverslag. De getourmenteerde schrijfster vond het een irritant boek, evenals de in het zwart geklede man. Ikzelf, de dilettant vond de roman een vermakelijke klucht, waarbij er nog net geen lijk uit de kast viel. Het werd hoe langer hoe gekker.
We leerden dat een recensent zich dient af te vragen: a) Wat bedoelt de schrijver, b) Slaagt hij daarin en c) Wat vind ik daar van. En dat je niet moet vergeten te laten weten wat een roman met je doet. ‘Dus als het me irriteert, zei de getourmenteerd schrijfster, dan kan ik dat gewoon opschrijven.’ En een titel is ook belangrijk, ‘doet dat de redactie dan niet’ zei de in het zwart geklede man met het specifiek vragende Groningse accent. Het meisje met de rechte rug en de neergeslagen ogen glimlachte een verholen glimlach. Steeds weer, op momenten dat ik wist dat ze ermee instemde met wat er gezegd werd, plooide die glimlach zich rond haar lippen. Het was van een schoonheid die me vredig stemde. Ik kon mijn ogen niet van haar af houden. De zelfbenoemde Master zag het meisje met de neergeslagen ogen niet zitten. Ik voelde me bevoorrecht. En toen zei de Master: ‘Oh ja! We hebben het nog niet over het perspectief gehad. Vanuit welk perspectief een roman geschreven is.’ En ik, de dilettant verlangde naar de borrel die ook op het program stond.

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer