9 juli 2008

Marjo Starink

Door: Mike Naafs

“Op een academie leer je basisdingen. Wat is een letter, wat is de geschiedenis van de letter, wat zijn de verschillende karakters ervan? Daarnaast leer je letters schrijven, letters tekenen; Maar het meeste leer je kijken. Eerst moet je, ongeacht welk of wat voor een boek, weten hoe je moet kijken. Kijken naar indelingen, structuren, en verhoudingen. Vooral die laatste zijn belangrijk voor een boek. Groot, klein, wit, zwart. Het wit is vaak belangrijker dan de bedrukte gedeeltes.”

Verpakking

“Hoe begint u met een ontwerp? Gaat u eerst een boek lezen?

Soms is dat wel heel prettig, maar het is niet altijd nodig. Vooral als je een beeld moet bedenken voor de voorkant van een boek, dan moet je wel een idee hebben van de sfeer.

Voor Coppens&Frenks heeft u bijvoorbeeld voor Béalu en Ionesco gebruik gemaakt van foto’s van Eugène Atget (kijk hier )Waarom ?

Dat was omdat de uitgever daar dan een grote voorliefde voor heeft.

Dus in dit geval was het ook daadwerkelijk een samenwerkingsverband tussen de uitgever en u?

Heel vaak is dat zo. Bij George Coppens zeker, die is al veel langer met zo’n project bezig, en heeft daardoor ook al veel langer een idee van wat het zou moeten zijn.

Ook bijvoorbeeld hoe de lijnen lopen of hoe de titel staat gedrukt?

Nee, dat is wat ik bepaal. Ik zeg ook wel eens: die afbeelding lijkt me niks, daar kan ik helemaal geen tekst in kwijt; of als ik er tekst in zet dan kan je het plaatje niet meer zien.

Zijn er naast praktische bezwaren ook wel eens esthetische bezwaren? Wat is nu de wisselwerking tussen uitgever en vormgever? Hoeveel van de uiteindelijke omslag, is nu van u, en hoeveel van de uitgever?

Dat kan van honderd procent aan de ene kant tot honderd procent aan de andere kant verschillen. En alles daartussen in. Je hebt uitgevers die helemaal geen idee hebben wat ze willen en er zijn uitgevers die zeggen: dit is het plaatje en dat moet het worden. Daartussen is een breed spectrum.

Hoeveel boeken heeft u in totaal gedaan?

Heel veel.

Hoe groot is de kans in een redelijk gesorteerde boekhandel om een boek van u uit de kast te trekken?

Het is tegenwoordig iets minder, maar een paar jaar geleden lag er in de etalage altijd wel iets bij.

En ook allemaal voor verschillende uitgeverijen.

Ja, ja.

Is dat geen probleem voor hen? Willen ze geen eigen gezicht naar buiten uit dragen en daarom ook hun vaste vormgevers hebben?

Nee, gek genoeg niet. En ik werk er ook aan mee. Ik maak voor C&F hele andere boeken dan voor de Arbeiderspers. Je moet je ook een beetje kunnen inleven in het gezicht van zo’n uitgeverij. Vaak doe ik meerdere voorstellen voor een omslag of voor het binnenwerk. Bij omslagen krijg je alleen een kort resumé te horen, waar het over gaat en wat ze er mee willen.
Dit, bijvoorbeeld, is zo’n vrolijk boekje over een Engelsman die in Italië woont en schrijft over hoe gek de Italianen zijn. Dat moet er een beetje vrolijk uitzien. Voor der rest hoor je dan: we willen er eigenlijk mee dat de mensen die iets met Italië hebben dat zien liggen…

Het was bovendien een miniserie, het eerste boek was ook zo vormgegeven met die banen, alleen dan in de Italiaanse driekleur. Dan doe ik deze zo, dan hebben ze weer een relatie, dan kunnen de mensen die het eerste boek gelezen hebben zien dat dit de tweede is.

Denk u daar vaak aan, aan de blik in de boekhandel?

Daar gaat het om. In de boekhandel, op die tafel.

Niet in de boekenkast?

Nee, thuis in de kast heb je alleen maar ruggen. Je moet er geen hekel aan krijgen als het over tafel slingert, maar in eerste instantie gaat het erom dat het in de boekhandel opvalt. Je moet het oppakken, wordt altijd gezegd. Daarom loop ik ook wel eens de boekhandel in, doe ik net of ik gek ben, en dan ga ik kijken: wat zou ik nu oppakken? En waarom? Uiteraard is dat voor iedereen anders, maar in mijn vormgeving ga ik gewoon van mijzelf uit. Van iemand anders weet ik het niet. Wat ik daar dan al lopend denk is: je moet het in ieder geval wel goed kunnen lezen.

Hier is het woord roman anders moeilijk te lezen..

Ja, maar dat hoeft ook niet. De titel in glitters, dat is de blikvanger. Het ijskristal en het woord roman is slechts te lezen als je dichterbij komt. Het is goed als er een gelaagdheid inzit waardoor je geïnteresseerd blijft, waardoor je het niet meer weglegt. Eerst zie je de blikvanger, dan ga je kijken, en dan zie je: oh, er is nog wat mee.

Wat zegt u dan tegen het adagium: never judge a book by its cover?

Als je het niet ziet liggen dan kun je helemaal niets beoordelen.

Maar dat zou betekenen dat de meeste mensen boeken kopen door maar gewoon een boekwinkel binnen te wandelen…

Ach ja, je kunt ook zeggen: ik heb in de krant dit en dat gelezen in een recensie van die en die en dat vertrouw ik tot in mijn blinde ogen en dan ga je naar de boekwinkel, je ziet het niet liggen en zegt tegen de boekhandel bestel dat maar voor me. Dan weet je niet hoe het boek eruit ziet. Voor die mensen hoef ik eigenlijk helemaal geen omslag voor te maken, die kan ik gewoon blanco laten.

Maar een omslag is toch meer dan de prikkel tot het kopen?

Nee, het is verpakking. Je moet zorgen dat die bladzijden die daar binnenin zitten niet vuil worden, dat je het goed kan vastpakken, dat het niet uit elkaar valt, dat er geen ezelsoren aankomen, daarvoor is die kaft. En vervolgens is het ook nog handig dat je aan de buitenkant kunt zien wat er in het boek staat. Daarvoor is er bedrukking. Dus het is hetzelfde als een verpakking. Dat je aan de Brinta aan de buitenkant kan zien dat het Brinta is -en geen Vim- is wel handig. Er is wezenlijk niet zoveel verschil, toch? Kijk, het karakter van de bedrukking die je op de verpakking gebruikt, daar kun je nog van alles over zeggen. Dat moet bijvoorbeeld wel kloppen met wat erin zit.

Want het is natuurlijk ook zo dat je één keer iemand kunt verleiden om juist dat boek mee te nemen, maar als het dan niet klopt met wat er binnenin staat, dan werkt dat de volgende keer ook niet meer. Het moet wel kloppen. Maar het is niet erg om het er verleidelijk te laten uitzien, dat is geen doodzonde.”

Voorbeeld

“De laatste tijd doe ik minder omslag na omslag na omslag, en ben ik meer met lange termijnprojecten bezig, zoals deze catalogi van het Catherijneconvent

Doet u dan ook het daadwerkelijke handwerk?

Ja, ik doe alles. Ik maak het helemaal op in de computer, en bewerk de tekst, de beelden en de correcties zelf. Alles wordt meerdere malen gecontroleerd door de auteurs en de uitgever. Daar komen altijd weer dingen uit, dat kan zijn door het vorm geven en het zetwerk, of omdat er fouten inzitten. Dat hoort erbij. Maar daar ben je dus wel even mee bezig. Voor het Rijksmuseum heb ik nu een boek gemaakt van alle wandtapijten, daar ben ik denk ik acht maanden mee bezig geweest. Eerst krijg ik twee kratten vol met dia’s of cd’s, en de teksten. En dan moet ik daar vervolgens een boek van zien te maken.

Begint u dan gewoon?

Eerst ga ik kijken hoe het materiaal in elkaar zit. Ik heb zoveel plaatjes, zoveel tekst en dat moet ik op zo’n manier zien in te delen dat het allemaal klopt. Deze catalogus is een omvangrijk werk, het moet kloppen, als het kopje op een verkeerde plek staat, dan kan dat niet. Het is een doorlopende tekst, maar het moet wel passen.

U bent een soort chirurg?

Ja, ja.

Heeft u wel eens gesmokkeld?

Ik heb wel trucjes, waardoor het ineens wel past.

Vertelt u eens een trucje.

Bij zo’n vrije regelval, die niet is uitgevuld aan de rechterkant, maak ik wel eens de kolom stiekem een millimeter breder, wat je niet ziet, en dan heb ik een regeltje gewonnen, net het regeltje dat ik nodig had.

Deze paragraaftekens waren bijvoorbeeld om regels te winnen, want eigenlijk zijn dit allemaal verschillende kopjes met een stukje tekst eronder en daar moet eigenlijk wit tussen. Als je dat wit weglaat, dan gaat het teveel aan elkaar plakken. Je moet de geledingen kunnen blijven zien. Je hebt een titel, wat zakelijke gegevens, inventarisnummers, dan komt er een beschrijving, en dan krijg je allerlei steeds terugkomende kopjes, zoals Herkomst, Techniek, Staat, Opmerkingen. Het idee is dat je het beeld en de tekst samen moet kunnen zien en lezen. Maar ja, bij een boek heb je nu eenmaal het geval dat je moet ombladeren -dat is nu typisch een nadeel van een boek- en dan heb je dat sommige teksten op de volgende bladzijde komen te staan.”


Letters toen en nu

“Vroeger had je loodzetsel, bijvoorbeeld monotype…..

Loodzetsel?

Met loodzetsel ben ik begonnen. Eerst de auteur op typemachine, dan werd het gecorrigeerd met de hand, dan ging het naar de zetter toe, en die ging alles opnieuw overtypen. Loodzetsel was: losse letters of regels. Monotype had letters op losse staafjes in één regel. Alle regels onder elkaar waren een pagina, die werd met inkt ingesmeerd en gedrukt. Eigenlijk zoals het vanaf Johannes Gutenberg is gegaan.

Dat de vormgeving nu zo verschillend en bont is, komt hoofdzakelijk ook doordat alles kan. Alles wat je wilt kan gedrukt en gedaan worden. Dat is nog niet zolang.Alles wat wij technisch nu als vormgevers doen, is nog maar twintig jaar oud. Vroeger hadden boeken allemaal dezelfde kaften, prachtige leren banden. De mensen kochten de boeken zelf, zonder omslag, en gingen daarmee zelf naar een boekbinder die dat in hun stijl ging inbinden. Die boeken zagen er hetzelfde uit, je moest echt op de band lezen wat voor een soort boek het was. Je hoefde niet in de boekhandel te zeggen: koop mij, koop mij, want ik ben zo’n prachtig boek.

Heeft u een verlangen naar die tijd?

Nee. Maar wel naar de druk. Die is veranderd. Wat we nu hebben is allemaal offset druk en daar ligt de inkt eigenlijk plat op het papier, het wordt er niet ingedrukt. Bij loodzetsel komt er moet in.

Moet?

Ja, reliëf, waardoor het beeld iets levendiger wordt en de letter iets zwaarder. Dat is weg. Nu is alles glad. Wat ik daarom probeer is om een letter uit te zoeken die bij het papier past en die toch geen bleke indruk maakt; dat je dezelfde zwarting krijgt als die je vroeger bij loodzetsel had. Want over het algemeen zijn de letters tegenwoordig veel te dun.

Te dun?

Ja bijna alle letters zijn te dun, waardoor het te grijs wordt, te kaal, het hele beeld wordt kaal, slaat weg, veel kunstboeken hebben dat. Kijk hier kun je dat zien. Op zich is die letter wel goed, dat is de Bembo, dat was vroeger een van de meest favoriete letters, daar werd de hele serie privé-domein uit gezet, maar bij die serie is het mooi zwart, en hier veel te grijs.

Uit hoeveel lettertypen bestaat uw palet, of is het elke keer anders?

Nou je hebt wel je favorieten natuurlijk, waarvan je weet, daar kan ik altijd goed mee uit de voeten, bijvoorbeeld de Quadraat die hier gebruikt is, dat is een hele prettige letter, die doet het altijd goed. Toch probeer je het elke keer een beetje verschillend te maken.

Waarom?

Ik moest een keer een boek ontwerpen over stadhouder Willem III en Mary Stuart en toen heb ik een letter genomen die in de Engelse boekdrukkunstgeschiedenis thuishoort. Je zoekt de ideale eigenschappen van een letter voor individuele boeken.

Ik ben zo benieuwd naar uw persoonlijke voorkeur. Stel dat u net zoals vroeger met een boek zonder kaft naar de boekbinder zou gaan, met de technieken van nu, wat zou u dan zeggen?

Ik wil mooi papier, dat lekker aanvoelt, een mooie kleur, en verder alleen maar – heel rustig – auteur en titel. Klaar. In wezen is dat genoeg. Want wat er in dat boek staat, daarvan maak ik zelf wel uit hoe ik dat eruit vind zien.”

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Literair Nederland - 10 jaar geleden

29 oktober 2007

Roman met speelse cartoonachtige taferelen De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol. De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis. Steeds meer wetenschappelijke disciplines staan open voor datgene wat deze mensen over bijzondere ervaringen te vertellen hebben die men heeft opgedaan tijdens die crisis. In de westerse wereld zijn wetenschappers de laatste jaren er toe overgegaan dit soort ervaringen toch serieus te nemen en een onderzoek in te stellen naar de strekking ervan. Dat leidt tot uitermate belangrijk onderzoek. Wanneer kan worden aangetoond dat mensen werkelijk de grenzen van ruimte, tijd en sterfelijkheid kunnen overschrijden, zijn de consequenties daarvan voor de wetenschap, de theologie en dus ook voor het leven enorm. Simon Vestdijk schreef in zijn essay Berichten uit het hiernamaals (De bezige Bij , 1982, pg.11) het volgende: Op aarde acht men het psychisch leven gebonden aan de stof. Een dergelijke stoffelijke grondslag kennen wij hier niet. Geen lichaam, geen zintuigen, geen tastbaar denkorgaan, niets. Maar hoe wil ik dat bewijzen? Hoe overtuigend moeten mijn woorden wel klinken, willen zij de kluisters verbreken van wat zelfs ik nauwelijks een vooroordeel waag te noemen? Ik weet zeker, dat ik leef, al ben ik gestorven, en ik weet zeker, dat ik geen lichaam meer heb; maar het zou wel eens kunnen zijn, dat dit dan ook het enige is dat ik weet. Ieder van ons heeft wel eens momenten gehad, dat niets hem eenvoudiger leek dan u, aanstaande lotgenoten, met voorbeeld of beeldspraak uit te leggen hoe wij ons voelen in onze nieuwe toestand, wat er met ons aan de hand is, wie en wat wij zijn en niet zijn. Menige aardbewoner, zo meenden wij, kent uit eigen ervaring wel die dromerige stemmingen, waarin het rumoeren der buitenwereld niet meer tot hem doordringt, en zijn eigen bewustzijn de gehele horizon van zijn bestaan schijnt in te nemen. Dat komt overdag voor, en even voor het inslapen ervaart gij het gewoonlijk op zijn duidelijkst. En nu kunnen wij wel zeggen, dat gij hierin een vergelijkingsmaatstaf bezit, die nadere uitleg onzerzijds overbodig maakt, helemaal eerlijk zijn wij hierin niet, want voor zover wij ons de vroegere dagdromen nog herinneren, weten wij maar al te goed, dat de vergelijking hoogst misleidend is, en dat uw minuten van wegdrijven op innerlijke golven heel iets anders zijn dan onze bestaansvorm. Als gewezen dienaren der wetenschap zouden wij er dus verstandig aan doen onze nederlaag toe te geven. De schrijver Eric de Clercq waagt in zijn roman Het grote spel waterparadijs een poging deze thematiek uit te werken en te gieten in een verhaalvorm. In zijn relaas wordt een zekere Tim ten tonele gevoerd die zich uitgerekend door een sprinkhaan, Vioolpret geheten, laat vertellen dat hij een ongeval gehad heeft en in een comateuze toestand verkeert. Deze toestand zou gelijk staan met de dood. Blz. 17 : “ Je zal ondertussen wel vermoeden dat deze wereld jouw doordeweekse leventje niet is. En dat is het ook niet. Dit is de vijfde Dimensie. De dimensie waarnaast alle levende wezens na hun dood terugkeren. “ Tim wordt in het verhaal omringd door tientallen figuren, allemaal cartoons die de meest uiteenlopende insectensoorten vertegenwoordigen. Elke figuur stelt een soort voor dat het best bij zijn status, beroep of persoonlijkheid past. De figuren die hij tijdens zijn ronddolen ontmoet, komen hem steeds bekend voor. Hij krijgt mensen gepresenteerd die afkomstig zijn uit zijn geboortedorp en die door Tim een plaats toebedeeld krijgen in de vorm van als cartoons. Het stoort hem ook niet dat de figuren creaties zijn van zijn eigen geest. Pas aan het eind van het verhaal keert de rust in Tims’ wereld weer terug. Het feest en de avontuur zijn dan ook voorbij. De figuren van zijn wereld hebben zich teruggetrokken in hun woning op vioolpret na die nog in het rond kuiert..Tim vraagt zich ten slotte af wat de toekomst voor hem in petto heeft. Zou hij uit zijn coma ontwaken en terugkeren naar de aarde, of toch maar hier blijven en binnen afzienbare tijd voor een laatste maal reïncarneren, alvorens te promoveren tot de opperste tweede graad. In de roman gebeurt er van alles, varierende van taferelen die je je in de Efteling doen wanen tot taferelen die zoals Vestdijk schrijft: het eigen bewustzijn de gehele horizon van je bestaan schijnt in te nemen en dat je minuten van wegdrijven op innerlijke golven iets anders zijn dan het gewone bestaansvorm. Het lijkt alsof De Clercq met zijn romanvorm waar hij voor gekozen heeft een poging heeft gewaagd zijn eigen literaire conventie te exploreren en exploiteren. Hij laat je de literaire werkelijkheid met andere ogen bekijken, al is het maar voor eventjes. Desalniettemin kan ik niet concluderen dat De Clercq uitstekende en uitzonderlijke literatuur gecreëerd heeft, d.w.z. literatuur met een inventief beeldend vermogen. In elk hoofdstuk creeert hij een nieuwe bedrijvigheid , volop taal en hallucinerende beelden. Het is voor mij zeker niet bon ton om meewarig te doen over de literaire nijverheid van deze auteur maar als ik zijn literaire conventie serieus neem neig ik te kanttekenen dat zijn relaas veel weg heeft van pulp of zelfs van veredeld divertissement. Voor een serieus thema als reïncarnatie had hij een heel ander soort scéne kunnen bedenken en minder op het speelse en amusante gaan zitten. Het begin van het verhaal is in ieder geval zeer goed bedacht. Het is jammer dat hij voor de tragiek van zijn dramatische expressie gekozen heeft voor taferelen en bedrijvigheden die zijn thema, dat best wel zwaar op de hand is, in het frivole meesleuren. Het is ontmoedigend te moeten constateren dat de verhaallijn die met zoveel ijver en toewijding is geconstrueerd, waar de krachtinspanning ook duidelijk in voelbaar is, enkel de verbinding vormt van een reeks woorden , hoewel deze woorden op zich steeds een beeldenstroom met zich transporteren .Het streven om in deze roman een diepzinnig Oosters gedachtegoed weer te geven , is echter even utopisch als het streven van de schrijver alle aspecten van de zichtbare en verborgen in de reïncarnatie te vangen in een roman, te verklaren door speelse cartoonachtige beelden in de roman en tot slot de personages te willen verklaren door de sociale, de familiaire, historische, culturele, psychologische, biologische, linguïstische etc. van hun geschiedenis.

Roman met speelse cartoonachtige taferelen

De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol.
De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis.

Lees meer