12 november 2014

Maria Barnas wint de Anna Bijns Prijs

Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.
Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?
Het ontstaan een klont op mijn tong.

Nieuws van de redactie

Gisteravond werd  aan Maria Barnas de Anna Bijns Prijs voor de beste Nederlandstalige dichtbundel van de afgelopen vier jaar uitgereikt. Haar bundel Jaja de oerknal werd eerder dit jaar al genomineerd voor de VSB Poezie Prijs. De Anne Bijns Prijs is een tweejaarlijkse prijs voor de beste Nederlandstalige literatuur geschreven door een vrouw. Afwisselend worden proza en poëzie bekroond. Genomineerd voor deze prijs waren ook de bundels van Miriam Van hee (Ook daar valt het licht) en Anne Vegter (Eiland berg gletsjer).

De jury over de dichter en haar werk: ‘In het talige universum van Barnas kan alles een nieuwe plaats krijgen, past een oerknal in een mensenmond, kunnen mannen stromen en vrouwen meanderen, kan de ‘o’ geproefd worden als een soort toverbal des doods…’

De jury, onder voorzitterschap van Jeltje Van Nieuwenhoven bestond uit zangeres Eefje de Visser, VPRO-journalist Jeroen van Kan en dichter K. Michel. In 2009 kreeg Tjitske Jansen de Anna Bijns Prijs voor haar dichtbundel Koerikoeloem. Aan de prijs is een kunstwerk van Eric Don verbonden en een bedrag van 10.000 euro.

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer