2 februari 2015

Lunchpauzegedichten en Roofbloem – Jan Arends

Er is een touw om je nek

Recensie door Maarten Buser

Poëzierecensie door

Jan Arends (1925-1974) heeft, onder meer door zijn uiterst kale taalgebruik, veel bewonderaars. Een van hen is Oscar van Gelderen, uitgever bij Lebowski. Bij die uitgeverij verschenen vorig jaar verschillende (her)uitgaves van Arends’ werk. Naast twee verhalenbundels en een biografie, zijn er ook weer gedichten van Arends verschenen. Lunchpauzegedichten (1974) is heruitgegeven, en er is een nieuwe poëziebloemlezing uitgebracht: Roofbloem.

Roofbloem is een ietwat overbodige uitgave. De selectie kent namelijk een aanzienlijke overlap met Lunchpauzegedichten, en is ongeveer even dik. Roofbloem had daarom beter een dikkere bundel kunnen worden, met meer werk dat niet in de eerstgenoemde bundel staat. De meest geïnteresseerden zullen Lunchpauzegedichten immers aanschaffen wegens de goed reputatie van die bundel, en wellicht Roofbloem als supplement kopen.

9200000036183455De toegevoegde waarde van Roofbloem zit in de reeks fraaie liefdesgedichten voor Haleine, en ook in Arends’ vroege werk. Die eerste gedichten missen scherpte en zijn vrij traditioneel, rijmende gedichten, maar ondertussen zijn ze wel duidelijke voorecho’s van de latere Arends:

Vandaag ben ik mijzelf niet meer,
ik ben het geraamte van mijn broer,
die gisteren is dood gegaan;
de dood staat altijd op de loer.

De dood staat altijd op de loer
en met hem zeven zonden,
die mij wel slepen naar de hel
als zij mij vinden konden.

Maar ik sta illegaal op straat
te wachten in de regen,
te wachten tot mijn zonden gaan,
maar straks zijn het er negen.

Ik durf mijn huis niet in te gaan;
de dood staat altijd op de loer;
ik sta in de regen op de straat
in het geraamte van mijn broer
.

Een fantastisch gedicht is het allerminst (let op de rare zinsvolgordes, onnodige herhalingen en de rijmdwang ‘regen’-‘negen’). Bovendien zit het tegen Hendrik de Vries-epigonisme aan. En toch, ‘[het] geraamte van mijn broer’ is een aangrijpend beeld, veel aangrijpender dan dat matige ‘de dood staat altijd op de loer’ (bovendien, men staat niet maar ligt op de loer). Daarnaast doet de dood in dit gedicht ook gelijk denken aan een van Arends’ latere, mooiste gedichten: ‘Je / ligt in bed. // Er / is een touw / om je nek. // Het / leven is goed. // Het / brood is vers. […] Je / gaat naar bed. // Er / is een touw / om je nek.’

Arends bedient zich van een opvallende, om niet te zeggen merkwaardige verstechniek. Elke strofe is bij hem een zin en andersom. Elke regel bevat hoogstens vier, vijf woorden. Dat doet enigszins denken aan de manier waarop poëzie vaak geparodieerd wordt: woord enter woord enter woord enter woord. (Zie ook Jules Deelder: ‘Ge- / dich- / ten / zijn / vaak / lang / en / smal’.) Arends weet echter heel goed wat hij doet. Hij zet de lange, smalle vorm op uitstekende wijze in: hij bouwt vaak langzaam een gedicht op en gebruikt daarbij vaak herhalingen (zie bijvoorbeeld ‘Zo / is hout’ en ‘Zo / is het woord’). Daardoor krijgen de gedichten iets mantra-achtigs. Rustig bouwen de beelden zichzelf op, en ze worden nergens vaag.

Wat overigens ook verloren gaat bij Roofbloem: het poëticale openingsschot van Lunchpauzegedichten. Weliswaar is ‘Voor Gerrit Kouwenaar’ in beide bundels opgenomen, maar in Lunchpauzegedichten wordt rond beelden uit dat gedicht een duidelijke poëzieopvatting naar voren geschoven: de poëtica van de destructie. Laten we het gedicht erbij pakken (en let ook op die fraaie mantra-achtige herhalingen):

Wie / een boom / tekent / laat / het weten / zien.

Een / boom / is geen taal.

Een / getekende boom / is taal.

Een / bijl maakt hout / van de boom.

Zo / is / een omgehakte boom / een daad / van de taal.

Alles / wat zegt / dat de boom / bestaat / is / taal.

Een / bijl / maakt hout / van de boom.

Zo / weet / de bijl / van boom / en hout / en bijl.

Zo / spreken / de handen / van de mens / van de boom.

Zo / is hout / de taal / van het huis.

Zo / is het woord / de woning / van / de / mens.

Als je / eindelijk kunt zien / hoe de boom / vertakt / dan is het winter.

Het gedicht roept de associatie op met bomen die gekapt worden om tot papier verwerkt te worden: als ondergrond voor taal. Om te scheppen dient er vernietigd te worden. Vervolgens duiken er steeds vaker bomen en bijlen op in Lunchpauzegedichten, waarbij het beeld van de boom gelijkgesteld lijkt te worden aan de poëzie zelf. Arends heeft het verderop in de bundel immers over ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen.’ Deze strofe wordt dan ook geregeld geciteerd als er over Arends geschreven wordt (zo ook in de nawoorden bij Lunchpauzegedichten én Roofbloem). De bijl duikt onder meer op in een indringend titelloos gedicht:

Wat
geeft dat toch
een angstig gevoel
van vrede
als vader
zijn bijl slijpt.

Het fijne aan Lunchpauzegedichten is dat er allerlei dwarsverbanden gelegd kunnen worden. Een gedicht als bovenstaande zorgt op zichzelf voor vragen (waarom slijpt de vader de bijl? waarom geeft dat een angstig gevoel van vrede? wat is een angstig gevoel van vrede?), en daarin zit voor een deel de charme van het gedicht, maar lees het eens in het licht van een andere Arends-klassieker, die begint met de regels ‘Ik ben / vijftig jaar / en geen / aardige man.’ Over deze man leren we dat hij geen vrouw en kinderen heeft, dat hij ‘veel geonaneerd [heeft]’,  het brood besmeurt en ellende bezorgt waar hij komt. En dan volgt de wending van het gedicht:

Misschien
kom ik morgen
bij u
met een bijl.

Maar
schrikt u niet
want ik
ben god.

Alweer een bijl die opduikt. En wijst die ‘schrikt u niet’ op een angstig gevoel van vrede? Er heerst een constante dreiging in Arends’ poëzie, die van de opzichtig aanwezige dood is veranderd in bijlen en stroppen, die tegelijkertijd concreet en ongedefinieerd is. Dat maakt deze gedichten behoorlijk beklemmend, maar tegelijkertijd zijn ze door hun verrassende vorm en opbouw ook erg uitnodigend.


Lunchpauzegedichten
en Roofbloem

Jan Arends

Blz.: 67
Prijs: € 12,50
Uitgegeven door De Bezige Bij en Lebowski

 

Lunchpauzegedichten en Roofbloem
Jan Arends
ISBN: 9789023485285

Meer van Maarten Buser:

2 januari 2017

Roman of essaybundel

Over 'Vertrouwde en vreemde dingen' van Teju Cole
11 november 2016

Edward Hopper schilderde geen deur naar buiten

Over 'De eenzame stad' van Olivia Laing
16 augustus 2016

Poëzie van de 21e eeuw als 'work in progress'

Over 'Dichters van het nieuwe millennium, Nederlandse en Vlaamse poezie in de 21e eeuw' van Redactie: Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre

Recent

16 januari 2017

Sprookjes hebben geen woorden nodig

Over 'Sprookjes van Grimm zonder woorden' van Frank Flöthmann
12 januari 2017

Een blik in de spiegel

11 januari 2017

Reis door het leven

Over 'De tere bloemen van het verstand' van Myrte Leffring
10 januari 2017

Een echt Renaissance-mens

Over 'Rusteloos en overal' van Michiel van Kempen
9 januari 2017

Berichten uit het bezemhok

Over 'Zonder rampspoed valt er niets te melden' van Frans Pointl

Verwant

2 februari 2015

Een koor van ikken

Over 'Niemand had er enig idee van wat er aan de hand was ' van Jan Arends