20 maart 2017

Lente

Door Martin Lok

‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’ dichtte Herman Gorter eind negentiende eeuw. Met als belangrijkste ambitie de schoonheid van de Nederlandse natuur en het leven te verheerlijken, in een mythisch gedicht vol elfen, saters en goden. Wat hij niet alleen meeslepend maar ook vernieuwend deed door zijn epos niet op te hangen aan een stoere mannelijke oorlogsheld, maar aan het gevoelige meisje Mei, dochter van de zon en de maan.
Zo’n slordige vier eeuwen eerder had Sandro Botticelli de schoonheid van de natuur en het leven al net zo mythisch en vernieuwend bezongen door La Primavera te schilderen, waarop hij voor het eerst sinds eeuwen de klassieke goden op groot formaat een podium bood. Dat had men sinds de Romeinen niet meer gezien! Wie dat tot zich door laat dringen beseft dat Botticelli’s schilderij bij zijn tijdgenoten vreemd moet zijn overgekomen. Want wie waren die wonderschone dames, die grijpgrage hulk, die wat afwezige edelman en dat schietgrage engeltje in godsnaam?

LN20170319 Botticelli-primaveraHet is een vraag die kunsthistorici al zo’n vijf eeuwen lang zonder definitieve overeenstemming van de straat houdt. Al lijkt de hoofdlijn wel duidelijk te zijn: Helemaal rechts vergrijpt de god van de wind Zephyros zich aan de nimf Chloris. Door de angst die Chloris daardoor bekruipt komen er bloemen uit haar mond en verandert ze in Flora, de godin van de lente en de bloemen, die Botticelli in een prachtige bloemrijke robe voor haar uit laat schrijden. En dat alles speelt zich af onder het goedkeurend oog van die godin der godinnen, Venus. Die overigens niet voor niets in een boomgaard vol sinaasappelen staat, het symbool van de Medici. Het schilderij was immers naar alle waarschijnlijkheid een huwelijksgeschenk voor één van die Medici. Ter viering van het leven, de liefde, het geluk en ter meerdere eer en glorie van het toekomstige nageslacht van deze roemrijke bankiersfamilie. Al met al een magistrale aankondiging van een nieuwe tijd, door klassieke goden weer eens op een groot podium te laten schitteren.

Dat het een gegarandeerde succesformule is, wist Donna Tartt vijf eeuwen later ook toen zij net als Botticelli de klassieken op het podium hees om haar eigen lente in te luiden. Een lente die één van de meest succesvolle debuutromans aller tijden voortbracht, The secret history, die begint met een moord maar desalniettemin net als Gorter’s Mei en Botticelli’s La Primavera vooral een viering van schoonheid is. Waarbij dood en schoonheid in elkaars verlengde blijken te liggen. Want “beauty is terror”, schrijft Tartt. “Whatever we call beautiful, we quiver before it.” Maar daarover niet getreurd. Want als schoonheid door angst gegrepen wordt komt er alleen maar meer schoonheid uit voort. Dat leren we immers van La Primavera, waar Chloris – als Zephyr haar grijpt – verandert in de godin van de lente en zo een nieuw begin inluidt. Zoals in de natuur de dood uiteindelijk altijd een nieuw begin inluidt. “Een nieuwe lente en een nieuw geluid”.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer