21 maart 2015

Leesclub

Door Inge Meijer

Ik ben niet zo van de clubjes. Heb eigenlijk een hekel aan groepsvorming. Wellicht omdat ik ben opgegroeid in een soort van groepsgebeuren. Nooit een kamer voor mezelf gehad. Als jongste ondergesneeuwd door de expansiedrift van oudere broers en zussen. En wat dat allemaal teweeg bracht. Daar word je beschouwend van. We waren met zeven kinderen en een inwonende grootvader. En dan nog mijn ouders. Genoeg om nooit meer lid van een club te willen worden.

Toch beklom ik op een doordeweekse ochtend de trap naar de bovenverdieping van een vrij jonge, maar zeer goede boekhandel in Arnhem. Tussen de ruim opgezette boekentafels en lange wanden vol boeken zaten zeven vrouwen rond een tafel. Er was een staande kapstok, een bijzettafeltje en kannen koffie en thee. Nee, geen koekjes.

We hadden elkaar hiervoor één keer ontmoet. Om de boeken te kiezen en de data te plannen. Toen we uit elkaar gingen waren we een leesclub. Zo gaat dat. Dat was zes weken geleden. Mijn neiging af te zeggen (boek niet uit, geen tijd ) onderdrukte ik. Want ik was contactpersoon. Hoe dat zo gekomen was weet ik niet meer.
De helleveeg van A.F.Th. van der Heijden lag in meervoud op tafel. Ik pakte mijn exemplaar erbij. Tussen de bladzijden die ik tijdens het lezen van belang achtte, had ik gekleurde strookjes papier gestoken. Belangrijke dingen vervliegen snel tot onbeduidende dingen zo gauw je ze kenbaar wilt maken. Zo ging het ook deze ochtend.

Voor het gemak schreven we onze namen op dubbelgevouwen papiertjes en zetten die voor ons neer. Zo wisten we wie we waren. Toen zei iemand, ik keek op het dubbelgevouwen papiertje en zag dat het Lieke was. ‘Wat een afschuwelijk boek was het’. Ze kneep daarbij haar ogen dicht en schudde haar bovenlijf alsof ze het koud had. ‘Ik vond het taalgebruik zo grof’, voegde de vrouw die naast haar zat eraan toe, ik zag dat het Annet was. ‘Zo ga je toch niet met elkaar om.’ ‘Vergeet niet dat het in de jaren vijftig/zestig speelde’, zei iemand waarvan ik de naam niet kon lezen. ‘Ja, maar dan hoef je toch niet zo’n grove taal te gebruiken’, zei Lieke weer. Zo ging het een tijdje door. Er was geen compassie met de hoofdpersoon, tante Tiny, alias Tientje Poets. Altijd met haar poetsdoek in de weer. Altijd haar gelijk halend bij haar familie die ze de schuld gaf van haar mislukte leven.

Ik vond het een hilarisch en triest boek. Er sprak een droefheid der dingen uit. Over de gang van zaken die geen keer nemen. Toen vertelde iemand dat, toen ze op achtjarige leeftijd haar drie jaar jongere broertje verloor aan hersenvliesontsteking, haar moeder haar op het hart drukte vooral niets op school te zeggen. ‘Wat afschuwelijk’,  klonk het weer. Dat was in dezelfde tijd waarin Tiny uit het boek dat tussen ons in op tafel lag, opgroeide. Ook in Tiny’s leven was een geheim. Iets met misbruik door een huisvriend. Haar ouders hadden haar verboden hier iets over te zeggen. Zwijgen. Dat deden ze in die jaren. En vooral geen vuile was buiten hangen. Altijd bang voor de buren.

Ja, toen wisten we het weer. Dat afschuwelijke boek viel toch eigenlijk wel weer mee. Het was gewoon zoals het was geweest. Over zes weken verder. Met De verdovers, van Anna Enquist.

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer