21 oktober 2016

Leesclub 2

Elke club heeft zijn gemeenschappelijke ding. Bij voetbal is dat de bal en bij een leesclub het boek. Om met dat gemeenschappelijke ding (de bal, het boek) als groep om te gaan is een hele kunst. Na zo’n tien boeken die we lazen en bespraken was er deze keer iets van een ontdekkingstocht naar de structuur van een boek en de motieven van de schrijver ontstaan. We zaten met zijn zessen, (vrouwen, waarvan ik nog steeds niet weet welke naam bij wie hoort en zij mijn naam ook vergeten zijn), rond de tafel in die zeer goede boekenhandel in Arnhem. Dat van die namen stoorde ons niet. Belangrijker was het boek voor ons op tafel. Dit keer was het Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Waarvan werd gezegd dat het zijn meest autobiografische roman was. En dat maakte het nogal delicaat.

We vonden unaniem dat alles zo goed opgeschreven was (met uitroepteken) dat, als je het las, dacht: ‘Wat staat dat daar fijn beschreven.’ Zo hadden we de complexiteit van gevoelens en gedachten, waar de Thomas in het boek zeer aan lijdt, nog nooit beschreven zien staan. We gingen onszelf er in sommige opzichten beter door begrijpen. Door die complexe dingen heen zagen we een man die geen geluk verdragen kon. Dat kwam, zoals zijn moeder hem eens zei: ‘Dat het geluk naar hem toekwam. Hij hoefde er niets voor te doen.’

Ook bleek dat we allemaal en afzonderlijk van elkaar, bij dezelfde passage eruit geslingerd waren. Het boek was niet chronologisch opgebouwd, we sprongen van de ene naar de andere gebeurtenis, maar soit. Het was een mooi geschreven boek. Op bladzijde 145 raakten we er dan toch uit. De Thomas in het boek werd door een crimineel opgesloten in een leegstaand winkelpand. Waar een Laura aanwezig is. We hadden ieder voor zich op zeker moment zoiets geroepen als: Huhhh?’ Er waren veel namen van vriendinnen voorbij gekomen maar geen Laura. We bladerden terug naar een aanknopingspunt. We zaagden door over de betekenis van dit stuk dat ons zo vervreemdde van het boek. Iemand haalde er een recensent bij die had gezegd dat dit stuk een stijlbreuk was, dat het er niet inpaste. We waren geneigd mee te knikken tot iemand riep: ‘Maar er hing toch een affiche van Kafka in de wc van dat pand waar hij opgesloten zat.’

‘Aha’, wacht eens even,’ riepen we. En bladerden ons het boek weer in naar die betreffende passage. Er ging ons plots een licht op. ‘Het proces’. Natuurlijk. Het was een absurdistische gebeurtenis die als zo zijnde bedoeld was. En opeens bewogen we heen en weer in het verhaal van zijn leven op het punt wat wel een scharnierpunt genoemd wordt. Het was een hele beleving. En al hadden er twijfels geklonken of zijn huidige relatie zou standhouden –  omdat de man het geluk niet zoekt – wisten we opeens klip en klaar dat dit boek één grote liefdesverklaring was aan zijn vriendin Aimee.

 

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer