11 juni 2014

Lange zinnen…

Column: Inge Meijer

Nog nooit scheen de wereld me zo overzichtelijk als in de week dat mijn leven zich beperkte tot de zolderkamer waaruit ik mijn Lief verdreven had met koorts- en niet te verdragen hoestaanvallen. Vanonder mijn schedel zette de koortsaanval met vreemde rillingen in en veranderde me in een mum van tijd in een trillend espenblad. Wanneer na verloop van uren de koorts geweken was, bezag ik de ruimte om mij heen met andere ogen. Een karaf water op het tafeltje naast mijn bed, een drinkglas en een boek, Romeinse koorts van Edith Wharton. Dit alles bood een geruststellende aanblik. Het boek was me toegezonden in dezelfde week dat ik het virus opgelopen moet hebben dat me buiten de tijd plaatste en me nu het gevoel gaf dat de wereld rondom mij volledig in overeenstemming met elkaar was. Op dat moment, toen ik een eenheid met mezelf en de dingen om me heen beleefde, ging de deur van mijn slaapkamer met een lichte piep open. De dokter, die nog nooit ons huis bezocht had, laat staan de zolderkamer waar ik ziek lag te zijn, stapte op stevige wandelschoenen binnen. Hij stak mij zijn hand toe en zei: ‘Hé, Romeinse koorts. Dat heeft mijn vrouw ook. Goed Boek?’ Hij sprak beide woorden uit met hoofdletters. Ik zei: ‘Het is Meesterlijk’, ook met hoofdletter. En omdat ik het wel een mooie manier vond om elkaar beter te leren kennen, las ik hem de openingszin van het titelverhaal voor. Evenwel met een enkel kuchen onderbroken maar het kwam er verder wel goed uit.
“Twee al wat oudere, maar goed verzorgde Amerikaanse dames liepen van het tafeltje waaraan zij de lunch hadden genoten naar de overkant van het imposante terras van  het Romeinse restaurant, waar ze, leunend op de balustrade, elkaar even aankeken en toen met eenzelfde blik van onbepaalde maar welwillende goedkeuring uitzagen over de uitgestrekte pracht van de Palatijn en het Forum.”
‘Hm, hm, humde de dokter, prachtige zin,’ en vroeg zich vervolgens af hoe een blik van ‘onbepaalde maar welwillende goedkeuring’ er uitziet. ‘Ja, zei ik, dat kun je je afvragen maar het mooiste is om je bij zulke zinnen niets af te vragen. Ze er gewoon te laten zijn.’ ‘Ah, ik zie het al, zei de dokter. Dit is duidelijk een geval van grensvervagende observaties.’ Het duizelde me even en ik liet me achterover in de kussens zakken. De dokter greep mijn koortsige hand en telde mijn polsslag waarna hij vervolgde: ‘Geen gezond mens geniet van zo’n lange openingszin. Ik voor mijzelf, houd ervan. Mijn vrouw ook, vermoed ik, maar in mijn praktijk en kennissenkring ken ik niemand die het heeft op lange zinnen. Het moet tegenwoordig allemaal kort en vooral niets verbloemend zijn. Zodat er aan eigen beeldvorming niets hoeft te worden overgelaten.’ Hij pakte het Boek op en las me nog enkele passages voor. Als verdoofd hoorde ik toe. Sinds mijn kindertijd had niemand mij, met uitzondering van de luistercd’s die ik bezat, meer voorgelezen. Ik moet in een koortsslaap zijn weggezakt want ik werd wakker toen mijn Lief de kamer binnenkwam met een klein kommetje vanille yoghurt. Ik vertelde hem over de lange vriendschap tussen de twee oudere Amerikaanse dames. Dat ze die hele vriendschap lang een ernstig geheim, ieder voor zich, met zich meegedragen hadden. Dat het verhaal zo Meesterlijk goed in elkaar zit. En dat een lange zin je de tijd geeft om het beeld dat opgebouwd wordt en weer  verandert, waar heden, verleden en toekomst in verborgen zit, in eigen tempo kunt laten ontstaan. En dat de vrouw van de dokter ook Romeinse koorts heeft…. Hij legde een koud washandje op mijn voorhoofd en vroeg: ‘Welke dokter?’

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer