9 februari 2016

De hoed van tante Jeannot – Eric de Kuyper

Lang leve tante Jeannot!!!!!

Recensie door Huub Bartman

‘In The Red Shoes vraagt de dansproducer (die in de film Diaghilev moet voorstellen) aan de debuterende ballerina: Why do you want to dance? Zij antwoordt hem met de tegenvraag: Why do you want to live? Deze dialooglijn drong pas later tot hem door, toen hij de film opnieuw zag, maar de teneur ervan had hij als kind reeds gevoeld.’

De hoed van tante Jeannot is een prachtige titel van een autobiografisch boek, waarin filmregisseur Eric de Kuyper (1942) een beeld schetst van zijn kindertijd in de jaren veertig en vijftig in Brussel. ‘De grote as van hun leven bewoog zich tussen tante Jeannots rue Mexico en hun eigen woonstee in de rue Léon Mignon, tussen Molenbeek en dit grensstukje van Schaarsbeek. Als ze al in andere wijken doordrongen, dan deden ze dat in de vorm van een web dat ze rond de bekende as sponnen.’ Bij het lezen hiervan bekruipt je onwillekeurig het gevoel de kaart van Brussel ter hand te moeten nemen om dit alles op te zoeken. In zijn beschrijving is het een soort klein Parijs. Eric groeit daar op in een Tante Sidonia-achtige sfeer met warme familiebanden tussen tantes, nonkels, neven, nichten en commensalen, waar gelachen, geroddeld, gemusiceerd en natuurlijk gespeeld wordt. De omslagillustratie van Yves Chaland uit Le jeune Albert sluit uitstekend aan bij de toon van het boek.

Tante Jeannot is de held van de kleine Eric. Zij is rijk, onconventioneel, houdt van uitgaan, muziek en opera en natuurlijk vooral van mooie hoeden. Zij is de zus van zijn moeder. Zijn vader, Firmin, heeft hij niet gekend. Zijn moeder heeft weinig goede woorden voor hem over: “Ach Firmin……..’ Elke week gaat Eric met zijn moeder, broers en zus op bezoek bij tante Jeannot en nonkel Fons zoals tante op haar beurt elke week bij hen op bezoek komt. Dan luistert hij vol overgave naar de verhalen van de zussen over vroeger, toen zij als jonge meiden tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergebracht waren in Londen: ‘Weet je nog van onze geverfde benen (er waren in die dagen natuurlijk geen nylonkousen te krijgen), die uitliepen als het regende!’.

Robbedoes en Kuifje
De kleine Eric is een nakomertje, kwetsbaar. Hij is een dromer met een zwak gestel, gek op toneel en vooral ballet: ‘To move and to be moved. Beweging en emotie. Emotie die beweging is. Zoals tranen die langzaam over een wang rollen.’  Ja balletdanser worden, dat is zijn grote passie. Maar als hij na lang oefenen de pointes op zijn pantoffels kan dansen, krijgt hij te horen dat alleen danseressen dit doen. Zijn droom stort in. Hij is een toeschouwer die de wereld der volwassenen voortdurend met een fijn oog voor detail beschouwt en daarin zijn eigen positie bepaalt. Door hem zien wij hoe zijn lievelingszusje Annie zich eind jaren veertig, begin jaren vijftig door haar puberteit slaat en hoe Eric op zijn zolderkamertje toneelstukjes oefent met zijn grote vriend en klasgenoot George, de stoere, sterke George met wie hij samen de kinderjaren doorkomt en speelt op de squaretjes (pleintjes) in de buurt, George, van wie hij zo verschilt, maar met wie hij ook zoveel gemeen heeft: ‘George las elke week Robbedoes, en hij Kuifje.’ Later, toen zij naar een andere school gegaan waren en elkaar niet meer zagen, begreep hij dat hij al die tijd verliefd was geweest.

Welpenleider
Vol mededogen en liefde beschrijft Eric de Kuyper ook zijn moeder, Julienne. Zij is een praktische vrouw, lid van de R.K. Bond van Grote Gezinnen, maar geen kwezel. Zij staat voortdurend pal voor de belangen van haar kinderen met altijd het oog gericht op het huishoudboekje, want armoede is het ergste wat er is. Daarom houdt zij ook niet van de boeken van Dickens. Zij is geobsedeerd door kennis zoals tante Jeannot dat is door entertainment. Intimiteit en warmte krijgt de kleine Eric vooral van zijn zus Annie, die hem overal mee naartoe sleept. Via haar komt hij in contact met Balloo, een welpenleider bij de scouting en held van alle jonge meiden en hun ouders. ‘Van alle mannenbenen die zich in korte broek rond de communiebank schaarden, waren dit de mooist gevormde, de slankste en meest gespierde.’ Als Balloo, de twintigjarige Adonis, hem, het zevenjarige jongetje, vraagt samen met hem kerstinkopen te gaan doen, blijkt Balloo al veel over hem te weten, terwijl hij eigenlijk niets van Balloo wist. Later, als hij wat meer te weten gekomen is over pedofilie, vraagt Eric zich af hoe deze belangstelling te verklaren. Dan volgt eigenlijk een van de mooiste en meest liefdevolle passages uit het boek waarin Eric de Kuyper de begrafenis beschrijft van de bij iedereen zo geliefde Balloo op wie de Engel des Doods al een tijdje had zitten wachten. Waar vind je nog een schrijver die zulke mooie, gevoelvolle passages durft te wijden aan het droevige lot van een pedofiele jongeman?

Tijd
Het boek van De Kuyper is eigenlijk een ode aan de vrije mens, aan de vrijheid en onafhankelijkheid van denken en voelen. Hij verafschuwt de school als een ondraaglijke ingreep in zijn leven omdat het de tijd segmenteert in vrije tijd en niet-vrije tijd. En omdat hij begrijpt dat dit een afspiegeling is van het leven later als hij moet gaan werken, bevalt hem dat vooruitzicht evenmin. Hij is zich bewust dat hij op zoek moet gaan naar werk dat lijkt op het spel van nu, zijn kindertijd: ‘Spel leek hem trouwens veel serieuzer dan werk. Werk als spel?’  In zijn latere artistieke leven is hij daarin overigens als filmregisseur en schrijver goed geslaagd.

De Kuyper schrijft zijn boek vanuit het perspectief van een ‘hij’ om zo oprechter te kunnen zijn dan wanneer hij het geschreven zou hebben vanuit een ik-perspectief: ‘Immers, die ik ben ik voor een goed deel niet meer; het is een op afstand geworden ik. Iets als een hij.’  Hoewel je begrip kunt hebben voor deze keuze, werkt het tijdens het lezen enigszins vervreemdend, omdat het gaat om een autobiografie, en soms ook wel storend.

Eric de Kuyper slaagt er in de eigen jeugdherinneringen van de lezer te activeren. Dat is misschien wel het grootste compliment dat je als schrijver over je kinderjaren kunt krijgen.

De hoed van tante Jeannot
Eric de Kuyper
Taferelen uit de kinderjaren in Brussel
Verschenen bij: Uitgeverij Vantilt
ISBN: 9789460042331
224 pagina's
Prijs: € 18,95

2 reacties





 

Meer van Huub Bartman:

10 januari 2017

Een echt Renaissance-mens

Over 'Rusteloos en overal' van Michiel van Kempen
14 december 2016

Indrukwekkend historisch document

Over 'Zo zag de waarheid er op donderdag uit' van Victor Klemperer

Recent

25 mei 2017

De andere kant van het land van beloften

Over 'Amerika, of de verdwenen jongen' van Franz Kafka
24 mei 2017

Het extreemrechtse drama

Over 'Ik had me de wereld anders voorgesteld' van Anil Ramdas
23 mei 2017

De man die niet kon liefhebben

Over 'Een onberispelijke man' van Jane Gardam
22 mei 2017

Herrijzende ster van Vaandrager en de tijd dat poëzie op straat lag

Over 'Vaan nu' van Bertram Mourits e.a.
18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy

Verwant

9 februari 2016

Vrijheid is opgelegde keuzes van de hand wijzen

Over 'Minima Moralia ' van Eric de Kuyper
9 februari 2016

Kijk! Kijk! En blijf kijken!

Over 'Een makelaar in Pruisen' van Eric de Kuyper
9 februari 2016

Van Christusidentificatie tot euvelaapstraatstroo

Over 'Wit licht' van Eric de Kuyper