1 april 2017

Klein geluk

Door Inge Meijer

Ik was in de Deventer Schouwburg. Op het toneel bracht Urban Myth, We hadden liefde, we hadden wapens, naar het boek van Christine Otten. Het was een ontspannen voorstelling over een beladen onderwerp. Er werd gezongen, er werden namen geroepen. Namen van gekleurde mensen die als gevolg van rechteloos geweld waren omgekomen: Michael Brown, Christian Taylor, Tamir Rice, Eric Garner, Akai Gurley, Trayvon Martin en Mitch Henriquez.

Die laatste sloeg er in, bracht het beladen onderwerp zeer dichtbij. Al wat van ver komt maakt onbekend, onvoorstelbaar. Ze riepen ook: ‘En het houdt niet op.’ En ik wist: het houdt niet op. Gekleurde mensen in verdachte omstandigheden blijkt een reden tot doden. Relativering is nodig om veranderingen en chaos het hoofd te bieden. Stefan Ruiters beschreef in zijn blog van deze week  hoe het heden vanuit een ander perspectief bekeken kan worden door het verleden te bezien: ‘De actualiteit kan minder indringend of verwarrend worden ervaren als je met enig historisch besef het heden beleeft en vervolgens beziet.’ Een mooi besef.

De voorstelling ging over Robert F. Williams (1925-1996), een actief strijder voor rassengelijkheid in het Zuid-Amerika van de jaren vijftig en zestig. In de geschiedschrijving van Amerika komt hij niet voor. Christine Otten hoorde over hem toen ze in 2008 naar Amerika ging voor het NRC, om verslag te doen van de presidentverkiezingen. Ze ontmoette daar de weduwe van Williams, Mabel.

‘We hebben geleerd ons koest te houden en hij wilde alles veranderen’, zei de weduwe. ‘Verandering is goed’, zei de rassengelijkheidsstrijder, ‘verandering is nodig.’ Maar niet alles moet veranderen. Het zou wel eens rustig zijn als je een keer wegkijkt’, zei de weduwe, daarmee een traditie van angst en onderdrukking in ruil voor klein geluk voorstaand.

Ik heb rassenongelijkheid nog nooit zo indringend ervaren als tijdens deze voorstelling. Natuurlijk kende ik het lied Strange fruit  van Billie Holyiday. ‘Southern trees bear strange fruit/ Blood on the leaves and blood at the root’. Maar soms wil je de dingen niet weten. Een film is vast erger dan de werkelijkheid kan zijn, dacht ik. Maar de werkelijkheid blijkt erger, want in tegenstelling tot een film, komt er geen einde aan.

Williams zag geweld, anders dan Marin Luther King, soms als noodzaak. ‘Het is altijd een onvervreemdbaar recht geweest van de Amerikanen, dat, als de staat het recht niet wil handhaven, de burger gewapend mag en kan ingrijpen als hij zichzelf moet verdedigen tegen rechteloos geweld,’ schreef hij in zijn boek Negroes with Guns (1962).

Ik las dat als je wel eens liegt er in je hersenen een stofje, dat ervoor zorgt dat je de waarheid vertelt, minder wordt aangemaakt. Dat de neiging tot liegen groter wordt naarmate dat stofje minder wordt aangemaakt. Ik denk dat er ook een stofje in de hersenen bestaat dat ervoor zorgt dat zwarte en witte mensen elkaar gewoon vinden. Dat we vergeten zijn dat stofje te activeren. Als we onszelf nu trainen in de gedachte dat verschillen normaal zijn. Dan wordt dat stofje vast aangemaakt en blijken we gewoon mensen van allerlei huidskleuren, geloven en ideeën te zijn. Niets om bang voor te zijn.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer