30 december 2016

Nagekomen kerstvertelling

Door Inge Meijer

Toen ik daags na kerst de vuilcontainer aan de straat zette, kwam de vrouw die in het alleenstaande huis aan het einde van de straat woont, op me toelopen. Ik noem haar De vrouw van de Libelle, omdat ze opvallend vaak een onderwerp uit het gelijknamige damesblad erbij haalt (ik las in, heb uit,) als je met haar aan de praat raakt.  Want zo is ze, De vrouw van de Libelle, ze deelt alles met je wat haar bezighoudt. Op die dag na kerst vertelde ze me het volgende.

Ze was niet gelovig maar verheugde zich elk jaar weer op een moment van stilte tijdens de kerstnacht. Alles waar ze van hield en belang aan hechtte dat het zus of zo gebeuren moest om haar leven in stand te houden, werd relatief. Ze benadrukte dit verlangen enkel te kennen in de week voor kerstmis. Ik knikte en zei zoiets als: ‘Goh, bijzonder.’

Ze vertelde nogal uitvoerig over de keer dat ze die stilte voor het eerst beleefde. Ze was elf en haar moeder, die verder geen enkel opvoedkundig talent bezat, had het tot haar enige streven gemaakt haar kinderen met kerst iets van de heilige verhalen die al eeuwen de omloop deden, mee te geven. Zo las ze op kerstavond altijd een verhaal voor uit een W.G. van de Hulst-achtig boek. Zo ook die kerstavond. Met haar broers en zusjes schoof ze aan rondom moeders stoel terwijl een kan chocolademelk stond te dampen op de kachel. Het verhaal, herinnerde ze zich, ging over een blinde jongen die nergens bij hoorde en veel narigheid ten deel viel. Maar wat deze jongen wel kon, was ‘het’ licht zien. Ze herinnerde zich het gevoel van blijheid dat in haar opkwam. De kaarsjes in de kerstboom schitterden terwijl haar moeder het verhaal tot een einde las en in haar het verlangen ontstond blind te zijn. Te zijn als die jongen, die ‘het’ licht kon zien.

Die avond ontsnapte ze aan de drukte van het gezin en ging met gesloten ogen tastend door het huis. Tree voor tree beklom ze de trap, haar ogen dichtknijpend. Toen ze in haar slaapkamertje stond, ogen nog steeds gesloten, leek alles om haar heen te verdwijnen. Direct daarop werd ze een ‘verlichtend’ (ze gaf er zelf de leestekens bij door met twee vingers van beide opgestoken handen aan weerszijden van haar hoofd een knikje te maken) gevoel gewaar. Sindsdien leefde ze jaarlijks, zo gauw de dagen hun donkerste punt hadden bereikt, naar het licht, naar kraakhelder licht dat haar geest verruimde en die de rest van het jaar de moeite waard maakte. Het was, zei ze, zoiets als de smeerolie voor een goedlopende machinerie. Hoewel ik dat geen mooie vergelijking vond, begreep ik wat ze bedoelde.
Maar er was iets gebeurd, vervolgde ze, waardoor ze had ontdekt dat ‘het’ (weer die twee buigende vingers bezijden haar hoofd) niet alleen te vinden is in kerstgerelateerde dingen. Misschien kwam het doordat de hele wereld kantelde en alle waarden over en door elkaar buitelden.

Deze kerst wilde het niet lukken met de zo verlangde stilte. Het begon ermee dat ze geen boodschappen in huis haalde. In gedachten maakte ze het huis klaar voor de kerst, maar op kerstavond hing er nog geen dennentak aan de muur, biechtte ze me op. Ze liep in haar hoofd de gerechten na die ze zou maken voor het familiediner, (elk jaar hetzelfde) maakte indelingen voor de verschillende kamers, wie waar zou slapen, lijstjes voor wat aan spullen nog ontbrak en telde steeds opnieuw het aantal gasten die verwacht werden. ‘Ondertussen verlangende ik naar stilte, begrijp je. Naar rust en verlichting. Zo moest kerstmis toch bedoeld zijn?’

Ze bakte twee kerstbroden, (het recept had ze uit een Libelle). De spijs had ze de week daarvoor al gemaakt. In plaats van citroenrasp, raspte ze de schil van een sinaasappel en de rozijnen en krenten weekte ze, bij gebrek aan de daarvoor benodigde rum, in rode wijn. ‘Maar daar niet van,’ onderbrak ze zichzelf, ‘het werden heerlijke broden.’
Vlak voor de kinderen en kleinkinderen op kerstavond zouden komen, deed ze nog een poging om in verlichtende sferen te geraken. Ze zette een houten kerstboom op tafel en haalde  Jozef en Maria en het kindje uit de blokkendoos waar de kinderen vroeger mee speelden. Ze luisterde naar Angels and Shepherds van Bach op Spotify. ‘Och, dat is me toch een uitkomst dat Spotify,’ voegde ze me toe. Maar het hielp allemaal niet. Alsof ze te lang verslaafd was aan hetzelfde en het middel uitgeput was. Toen alle kinderen en kleinkinderen eenmaal binnen waren, werden de plakken kerstbrood met smaak verslonden. Ze droeg chocolademelk aan, liet de slagroom kloppen door het oudste kleinkind en prutste wat met het kerstdiner. De champignonbrioche werd ragout want ze had de juiste ingrediënten niet in huis. ‘Zo zie je maar weer,’ leerde ze mij, ‘dat wat het hoofd bedenkt, niet altijd gerealiseerd kan worden.’ Gelukkig had ik nog wat toastje in de kast en ijs voor het dessert in de diepvries, vervolgde ze met een vermoeide glimlach haar kerstverslag.

Het kerstverhaal, dat ze altijd zorgvuldig voorbereidde kwam niet van de grond en toen de jongste kleinkinderen in arren moede en met veel verzet naar bed werden gebracht, sloop zij naar het zolderkamertje waar nooit iemand kwam. ‘Daar staarde ik wat uit het raam de donkere avond in. Dacht aan de zin der dingen en pakte Een handige dromer van A. L. Snijders, dat bovenop het stapeltje boeken lag die van wijlen mijn man waren geweest. Ik begon de korte stukjes te lezen, (meer kan ik echt niet aan) en ze waren een weldaad voor mijn ziel,’ fluisterde ze, waarbij ze haar handen naar haar hart bewoog. Zo bevattelijk wat die man schrijft (Ik wilde haar niet onderbreken door te vragen wat zij bedoelde met bevattelijk.) Die zkv’s waren als kleine staalkaartjes voor haar geest en ziel. Ze zat op de zolder, terwijl het huis prikkelde en kreunde en overstroomde van hooggespannen verwachtingen en las de zkv’s van Snijders. ‘Zkv staat trouwens voor Zeer kort verhaal, verduidelijkte ze nog.’ En ik knikte, want ik kende ze wel, die onvolprezen zkv’s van Snijders.

Ze had er zo-veel-aan-gehad, zei ze. Telkens als het haar teveel werd verdween ze naar zolder en las een stukje. ‘Telkens voelde ik me door de eenvoud en helderheid, maar ook de leerzaamheid die erin verborgen zit, verlicht van geest. Hoe vindt u dat nu, riep ze tenslotte uit. ‘Je verlicht voelen door de zkv’s van A.L. Snijders! Vooral het zkv Vishaakje, dat las ik steeds opnieuw en het is nog niet uitgewerkt,’ waarna ze lachte van verrukking en haar ogen even dichtkneep.
Ik knikte en moest ondertussen weer eens naar binnen want had koffie opstaan. Ik wenste haar met terugwerkende kracht nog een soort van fijne kerst toe, dat ze dankbaar in ontvangst nam.

Binnen zocht ik het betreffende zkv op. Daarin schrijft Snijders dat hij niets van de natuur weet (was het hierdoor, ontstond de stilte doordat iemand ruiterlijk toegeeft ergens niets van af te weten?). Of nee, het mooiste in dat stukje is de bekentenis: ‘(…) ik weet alleen iets op het moment als ik het lees, daarvoor wist ik het niet, en daarna ben ik het weer vergeten, ik moet dus altijd een boek bij me hebben om contact met de wereld te houden.’  Contact houden met de wereld door literatuur. Dat moet voor De vrouw van de Libelle een verlichtende ontdekking zijn geweest. Ze veranderde in mijn ogen van een lichtelijk verwend persoon (Libellevrouwen leken mij nogal verwend) naar een zoekende in de duisternis. En een zoekende moet worden geëerd, de verlichting komt daarna vanzelf, dacht ik.

 

 

 

Recent

12 januari 2017

Een blik in de spiegel

11 januari 2017

Reis door het leven

10 januari 2017

Een echt Renaissance-mens

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 januari 2007

Uit een goed nest,Miriam Toews
Een lekker, optimistisch verhaal voor tussendoor

Knute en haar dochter Summer Feelin’ wonen in Winnipeg en alles gaat niet echt lekker. Knute begint voortdurend aan een nieuwe baan maar ze wordt steeds ontslagen. Niet omdat ze niet wil werken, niet omdat ze niet hard werkt maar het lukt gewoon niet. Summer Feelin' vindt het vreselijk op school, gaat er met moeite naar toe, ze is veel liever thuis. En dan komt er een telefoontje, of Knute terug wil komen naar haar ouderlijk huis.

Lees meer