10 juli 2008

Kaddisj voor een literair archeoloog

Door: Menno Hartman

Het Vlaams Tijdschrift Dietsche Warande & Belfort bracht in februari een themanummer uit over de Duitse schrijver ? of in de woorden van Hugo Bousset de ‘Brits-Duitse cult-auteur – W.G. Sebald. ‘Kaddisj voor een literair archeoloog’ luidt de ondertitel. In april verscheen bij de Bezige Bij De emigrés van W.G. Sebald, vertaald door Ria van Hengel. Een Brits-Duitse auteur door Nederlands-Vlaamse ogen bezien.

‘In zijn onvolprezen boek Onzichtbare steden beschrijft Italo Calvino de stad Zora, die je niet kunt vergeten omdat alles er gewoon uitziet. “Zora heeft de eigenschap plek voor plek in de herinnering te blijven: de opeenvolging van straten, van huizen in de straten, van deuren en ramen in de huizen, hoewel niets daarvan speciaal mooi of zeldzaam is”’

Het citaat is uit een essay van Rudy Kousbroek: ‘ Terug naar Kaifeng’ dat in Anathema’s V. Het meer der herinnering staat. Kousbroek schrijft in het essay over de Qingming shanhe tu, de benaming voor ‘gezichten op de rivier op de dag van het Qingming-feest’. Het gaat hier om een aantal panoramatekeningen van de stad Kaifeng die in het jaar 1118 zijn gemaakt. Later werd het een genre. Op de langwerpige tekeningen wordt in detail het uitzicht op de rivier weergegeven op een bepaalde feestdag. Waar het Kousbroek om gaat is dat je na duizend jaar op basis van wat de schilder als zeer gewoon ervoer, en waarvoor hij zich waarschijnlijk moeite moest getroosten om het werkelijk te zien, je kennis kunt ontlenen over hoe het daar werkelijk was. Kaifeng werd kort na het ontstaan van deze tekening met de grond gelijk gemaakt. Al in 1126 vormde deze tekeningen het enige wat restte van deze hoogbeschaafde stad. Kousbroek wordt daar nostalgisch van. En denkt zich in hoe de bewoners die naar het zuiden waren gevlucht veel meer nog die nostalgie moesten voelen. ‘Wat is nostalgie. Iets anders dan heimwee. Het is heimwee naar iets dat er niet meer is.’ De Qingming shanhe tu is een mooie bron waardoor iets van het wezen van die dag, die stad, dat feest, nog voortbestaat. Het levert Kousbroek een gevoel van nostalgie op, een ander misschen verrukking over de gedetailleerde informatie over de wijze waarop in die tijd bruggen werden gebouwd.

Sebald wordt in de uitgave van DWB een literair archeoloog genoemd. Iemand die met betrouwbare en onbetrouwbare bronnen iets achterhaald van hoe het geweest kan zijn. Iemand wiens ‘uitdrukkelijk subjectieve, gepersonaliseerde omgang met het verleden en het systematisch ondermijnen van de betrouwbaarheid van de historische representatie’ voor historici geen optie vormt ‘ maar tegelijk dwingen ze diezelfde historicus om na te denken over de gronden en het ethos van de historiografie zelf: wie neemt de geschiedenis het meest ernstig.’ Tom Verschaffel benadert het werk van Sebald vanuit deze zienswijze. Een boeiend uitgangspunt voor een historicus, in het artikel blijft Verschaffel alleen worstelen zonder zijn achtergrond los te kunnen laten. Vruchtbaarder is de benadering van de theoloog Erik Borgman, die het ‘heimwee’ bij Sebald onderzoekt en concludeert dat de teksten van Sebald de wanhoop levend houden. Maar het is de kleinste claim die het langst standhoudt: Jan Ceuppens, die promoveert over Sebald, behandelt een korte tekst van Sebald die aan het stuk vooraf gaat. Een weergaloos voorbeeld van gedurfd lezen levert Ceuppens hier. Het lijkt mij de beste introductie op het werk van Sebald, wellicht ook naar de vorm: niet een benadering vanuit de historiografie die Sebald reduceert tot een wonderlijk historicus. Noch een al meer tekstgerichte benadering die de wanhoop over een verleden waarin de holocaust plaatsvond wil tonen, hoe memorabel dit artikel ook is. Nee, een archeologische benadering: een poging dat wat oud is te leren kennen. Door er op verschillende wijzen naar te kijken, het te bevragen, het niet te snel in de richting van een interpretatie te drukken, maar door mogelijkheden lang open te houden. Kaddisj voor dit stuk wat mij betreft.

Kan je Sebald ook lezen zonder je voortdurend af te vragen wat echt is en wat niet? Ja, ik heb het perongeluk voortdurend gedaan. En werd na lezing van DWB ernstig met mezelf geconfronteerd: waarom is de gedachte dat de levens beschreven in de bundel De emigrés wel eens verzonnen kunnen zijn, nooit bij me opgekomen? Wordt je ? zoals ook in dit DWB nummer regelmatig gesuggereerd wordt ? voortdurend in de luren gelegd door het zogenaamde bewijsmateriaal van illustraties, tekeningen, vage foto’s kopieën van rekeningen etc, die Sebalds waarheidclaim kracht zouden moeten bijzetten. Nee, dat laatste is een misverstand. Als je door de vier grote epische essaywerken heenbladert: Austerlitz, Die Ausgewanderten, Die Ringe des Saturn en Schwindel. Gefühle. kan je niet langer denken dat Sebald een waarheidsclaim wil stutten met bewijsmateriaal. Sebald is een intermediair. Het verleden, wat er gebeurd is, grijpt hem. Hij wordt in zijn leven gegrepen door een wirwar aan verhalen die hem iets over het verleden te vertellen hebben. Een verleden dat zomaar verdwijnt en dat hij bewaren wil. Deze verhalen bundelt hij hecht aaneen in de hoop dat de eenheid iets meldt over wat er was en hoe het was. Hij wil het verleden helpen een anker, een weerhaak uit te werpen naar het heden, opdat het blijft of tenminste opdat de lezer zich het bewust blijft. Dan gaat het over grote zaken als Theresienstadt in Austerlitz, maar niet minder om de haringvangst in bijna weggespoelde dorpjes aan de oostkust van Engeland. Hij slaat een haak uit naar lezers om wat hij belangrijk acht over te brengen. Daarvoor gebruikt hij waar maar ook beeldmateriaal. Iets te zien kan net zo krachtig informatie geven als iets te lezen. Een facsimile van de handtekening van Roger Casement in Die Ringe des Saturn brengen de figuur Casement met een schok dichtbij de lezer. Een waarheidsclaim is voor een historicus interessant. Voor een literair archeoloog is het van belang hoeveel verleden hij uit een klein deel ervan kan puren. Een literair proces, het beeld van de werkelijkheid. En een deel ervan, voor het geheel. Pars pro toto. De vraag of de vier emigrés hebben bestaan is derhalve: ja. Misschien heetten ze wel anders, en woonden ze elders, en hebben ze Sebald nooit ontmoet. Elk voor zich vormen ze een beeld van de exil, van de tweede Wereldoorlog, van de Europese geschiedenis in de eerste helft van de 20-ste eeuw.

Sebald kent de weg van de fascinatie. Hij snoert de lezer vast op dezelfde wijze als waarop hijzelf betoverd werd. Je ontwaart een deel van een geschiedenis en kijkt of je de rest kunt achterhalen. Je kijkt nauwkeurig naar een stuk strand in Oost-Engeland om te zien of er nog iets te ontwaren is van het dorp dat hier ooit was. En wat je ervan waarneemt verbind je met dat verleden. Die verbindingen staan centraal in Sebalds werk. De figuren die hij beschrijft verbinden heden en verleden: een identieke tweeling in Italië die als twee druppels water op de jonge Franz Kafka lijken. (Schwindel. Gefühle) Emigranten in Engeland die de schrijver verbinden met waar hij vandaan komt: Duitsland en de Duitse geschiedenis. Vaak zijn het ook figuren die in hun persoon een heel amalgaam van geschiedenissen bijenbrengen. Zoals Roger Casement in Die ringe des Saturn de Ierse vrijheidstrijd, de eerste wereldoorlog in Duitsland, de geschiedenis van de Belgische overheersing in Congo, alwaar hij net als Joseph Conrad verbleef, en waar ook Casement tegen in opstand kwam. Via Casement komt de lezer dan bij de ongelooflijke levensgeschiedenis van Joseph Conrad, zijn jeugd in Polen, de verbanning van zijn vader in Rusland. Een voorbeeld van hoe Sebald aan de hand van 1 persoon een enorme geschiedenis uitgestrekt over half Europa bereisd.

Zora, Kaifeng, het Europa van Napoleon en Joseph Conrad, Stendhal en Kafka. Plaatsen die niet meer bestaan, maar die beschreven zijn en neergetekend.

‘Dietsche Warande & Belfort’ februari 2005 W.G. Sebald, Kaddisj voor een literair archeoloog
W.G. Sebald De emigrés. Vetaling: Ria van Hengel. De Bezige Bij, 2005
Rudy Kousbroek Het meer der herinnering Meulenhoff, 1984

13-05-2005

Recent

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

19 november 2007

Net niet spannend genoeg
Door Fatima Bajja

Het lijkt alsof Sylvia Houweling alles heeft wat haar hartje begeert. Ze is getrouwd met Eddie Kronenburg, heeft twee kinderen en woont in een prachtig huis in Amsterdam-Zuid. Toch is het allemaal niet zo mooi als het lijkt. Eddie werkt namelijk in de onderwereld, hij is verantwoordelijk voor het transport van drugs.

Lees meer