28 mei 2014

Joseph Roth en de wachtkamer

Column: Inge Meijer

‘Wie leest, doet geen kwaad’, of, ‘elke dag zonder lach is een verloren dag’. Oneliners van mijn vader. Daar moest ik aan denken toen ik in de wachtkamer van de afdeling dagbehandeling in het ziekenhuis zat. Wachtend op mijn kleine vriendin die een ingreep moest ondergaan, (waar ik het verder niet over kan hebben want dat wil zij niet), maar waarvoor ze wel onder volledige narcose moest. Voor ik de deur uitging, pakte ik nog snel het boek Job, het verhaal van een simpel man, van Joseph Roth uit de kast. Om het wachten wat te helpen. Het was een komen en gaan in de wachtkamer. Mensen namen plaats, werden opgehaald, naar een zaaltje gebracht, waar ze gehuld in een blauw operatie gewaad en in een bed op wieltjes plaatsnamen en richting OK werden gereden. Een door de zon gebruind en geplooid echtpaar met vriendelijke gezichten en grijze krullen, kwam de wachtkamer binnen. Alsof ze hun verblijf, in een of ander zuidelijk gelegen pensionado gebied, hadden moeten onderbreken voor een opname op de dagbehandeling, zo bruin waren ze. De vrouw wilde het duidelijk wél over haar ingreep hebben. Net als de meesten die voor een dagbehandeling in de wachtkamer zaten. Alleen mijn kleine vriendin niet. En dat prees ik in haar. De vriendelijke man nam plaats en begon roffelend met zijn vingers op de leuningen van zijn stoel te trommelen terwijl hij de ruimte rond keek. De vriendelijke vrouw merkte met een schok op dat ze de tijd was vergeten en of hij die bij zich had. De vriendelijke man roffelde: ‘Waar geen tijd is, is geen haast.’ En ik moest aan mijn vader denken. Hij kon een rappe versie van De Radetzkymars van Johan Strauss met zijn vingers roffelen: tadadamtadadamtadadamtamtam…. Zijn neiging tot vingertrommelen, was verworden tot een stereotiepe uiting van een hardnekkig deuntje dat hij niet meer uit zijn vingers kreeg. De Radetzkymarsch, van Joseph Roth stond in zijn boekenkast en was sinds een jaar of tien in mijn bezit. Mijn vader was een stille man die het liefst in afzondering zijn boeken las. In de roman Job, dat ik geopend in mijn handen hield terwijl ik wachtte op mijn kleine vriendin, wordt Mendel Singer voortdurend door zijn vrouw op zijn kop gezeten. De liefde tussen hen was zo koud geworden als de winters in die tijd. Mendel verliest alles, zijn vrouw en zijn vier kinderen. Leven in een wereld waarin dat, wat je deed, nooit genoeg was. Mijn vader had het goed voor elkaar door aan een boekenkast te bouwen waarachter hij zich verschuilen kon. Een verpleger kwam me halen om met hem mijn kleine vriendin bij de OK op te halen. Ik stopte Job in mijn tas en liep naar de klapdeuren die de steriele ruimte van de bacteriële scheidden. Ze klapten open en het gezicht van mijn kleine vriendin vertrok tot een smartelijk huilen toen ze me zag. Waarna ze begon te lachen, te lachen,… zo blij was ze dat het voorbij was. Ook deze dag had ze weer gewonnen. Mijn vader daarentegen kende veel verloren dagen maar deed geen mens kwaad.

 

Recent

29 maart 2017

Jezelf terugvinden

27 maart 2017

Pulp of kunst

Literair Nederland - 10 jaar geleden

02 april 2007

In Ik woonde in een grot wordt het leven een bedoeïenen gemeenschap in het Midden-Oosten op een zeer eigen wijze wordt belicht.

In Ik woonde in een grot wordt het leven een bedoeïenen gemeenschap in het Midden-Oosten op een zeer eigen wijze wordt belicht.

Een westerse vrouw, met Nederlandse wortels, wordt opgenomen in een subgemeenschap in het Islamitische Jordanië. Een verhaal dat een deel van het Midden-Oosten belicht op een manier die zeer welkom is in Nederland op dit moment. Niets van het nu heersende beeld van onderdrukte vrouwen in het Midden-Oosten. Maar een avontuurlijk levensverhaal over een vrouw die, door zichzelf te zijn en te blijven, met haar eigen karakter wordt opgenomen in de gemeenschap en daar een belangrijke rol speelt in de gezondheidsvoorziening.

Lees meer