4 juli 2008

Interview Tommy Wieringa

Onderstaand interview werd gedurende de periode 7 maart – 13 maart 2005 online afgenomen op het forum van de oude website van Literair Nederland. Interviewer was Coen Peppelenbos.

Welkom Tommy Wieringa op ons forum. Ik start maar met een wat algemene vraag. Hoe ziet jouw komende week eruit? Moet je veel ‘boekenweekdingen’ doen? Ga je naar het Boekenbal?

‘Het Boekenbal… de stichting CPNB trok vorige week mijn kaarten in. Omdat ik die avond tien minuten voorlees op Het Bal der Geweigerden. Mag niet, twee feestjes. Houden ze scherp in de gaten. De club van het kleine gebaar, dat CPNB. (Een geagiteerd telefoongesprek was overigens voldoende om de kaarten alsnog thuisgestuurd te krijgen.)
Veel voorlezingen deze week – o.a. op een school in Lelystad. Ik zou de leerlingen het liefst meenemen naar de luchthaven daar en ze de vliegscènes uit Joe Speedboot voorlezen in de hangar van Skyriders, waar ik de grondbeginselen van het vliegen leerde.’

Betekent dat dat je zelf ook vlieglessen en zo hebt genomen of heb je je alleen verdiept in het maken van vliegtuigen?

‘E.L. Doctorow in het Cultureel Supplement van vrijdag 4 maart: ‘Ik doe geen research. (..) Als je je in iemand verplaatst kun je met gezond verstand het meeste wel bedenken. Als je wilt weten hoe gangsters iemand met zijn voeten in beton gieten, hoe onderzoek je dat? Stap je op een gangster af en vraag je: Pardon meneer, hoe vermoordt u mensen? Je leeft je in zo’n situatie in. Dan is er niet zo veel verschil tussen denken en doen.’

Te weten dat een vliegtuig zoals beschreven in Joe Speedboot is opgebouwd uit eindeloos veel driehoeksconstructies, is van betekenis voor de latere relaties tussen de personages. Research is van essentieel belang. Op gangsters afstappen, inderdaad.
Ik nam vlieglessen in Zuid-Bohemen, in de zomer, wat uiteindelijk niet meer dan een klein hoofdstuk opleverde. Maar daarin wordt wel gevlogen.
Research moet natuurlijk wel onzichtbaar zijn in het werk, kunstig uit het zicht gemoffeld. Maar dat weet iedereen.’

Kun je iets vertellen over je keus voor een gehandicapte verteller. Iemand die niet kan praten, maar wel schrijven en zich voornamelijk in een rolstoel voortbeweegt. Is dat voor schrijver een ‘spannende’ constructie? En was je als schrijver niet bang dat je teveel op het sentiment zou kunnen spelen met zo’n hoofdpersoon? (Niet dat dat zo is, maar het gevaar bestaat levensgroot).

‘1. Ik ben niet zo bang voor sentiment. De dofheid van de lezersziel ermee wegpoetsen.
Verslag van een worsteling hierover (Elias Canetti): ‘”Sentimenteel”, wat een woord! Ik heb gevoelens en zal er niet voor schamen. Ik wil ze niet onderdrukken, ik wil ze hebben. Het zijn er zeel veel, ze spreken elkaar tegen, men moet niet proberen ze tot een mediaan te reduceren. Wanneer ze te heftig uitslaan, mag men ze ter kalmering optekenen.’
(Mediaan:<statistiek> middelste van de naar grootte gerangschikte waarnemingen)

2. Een niet-sprekende en nauwelijks-bewegende verteller als Fransje Hermans heeft me voor veel problemen gesteld (wie houdt van dialogen en hardloopwedstrijden in de literatuur moet ik doorverwijzen) maar was technisch gezien een interessant experiment en een noodzakelijk tegenwicht voor de onmatige ‘bewegingsfilosoof’ die Joe Speedboot is.’

Ik kan me voorstellen, dat je tijdens het schrijven juist ook voordelen ontdekt van zo’n verteller. Klopt dat? En welke voordelen zijn dat dan?
Nog een vraag voor als je net wakker bent geworden: hoe was het boekenbal?

‘Een razende kermis. De blik kan zich nergens lang aan hechten, de weg naar de bar is lang. Een keer per jaar is genoeg. Alleen, waarom moet dat in de winter? Vrouwen moeten in niemendalletjes over straat, mannen waaien uit dungeweven pantalons.’

‘Iemand die nauwelijks handelt, moet het van zijn waarnemingen en gedachten hebben. De verteller praat niet maar schrijft wel aan zijn almaar uitdijende kroniek Geschiedenis van Lomark en haar bewoners. Voor een gezonde jongeman valt zoiets af te raden, voor de verteller is het zijn redding. Voor mijn boek ook.’

In de kritieken werd gewezen op een verwantschap met de boeken van John Irving. Vind je dat ook een goede schrijver, heb je daar ook daadwerkelijk iets van gelezen of is het slechts toeval?

”Garp’ las ik in een gietijzeren wastobbe, twintig jaar geleden. Verkwikkend als badzout. ‘Bidden wij voor Owen Meany’ (de titel vertaalt mooier dan het origineel is) las ik met tussenpozen van soms een jaar – dik boek, dunne plekken. De mateloze Irving. Ik zou hem niet – zoals Pieter Steinz suggereerde in NRC Handelsblad – als inspiratiebron noemen. Jorge Amado wel (‘Gabriela, cloves and cinnamon’), Herman Melville wel, Isaak Babel wel, Joseph Roth wel, Boeli van Leeuwen en Tip Marugg wel. Grote literatuur ook, de laatste twee. Toen G. Meijsing in 1988 de AKO-literatuurprijs won en niet Tip Marugg met ‘De morgen loeit weer aan’, kocht ik een hoed en at hem op.’

Ja, die vreselijke AKO-uitreiking herinner ik me ook. Marugg was veruit de beste schrijver en had de prijs moeten winnen. Ik ben wel verbaasd dat je hem als inspiratiebron noemt.
Ik denk dat Steinz een vergelijking met Irving maakt (ik ook) omdat in Owen Meany ook een jong iemand voorkomt met messianistische trekken. Je uitgeverij ziet ook het verlossingsmotief als een van de belangrijkste elementen in je boek. De vraag is echter wie verlost wordt. Is dat alleen Fransje? 

‘Er wordt niemand verlost want er is geen verlosser, alleen een verlangen en een projectie. Fransje vestigt zijn hoop op Joe, die zichzelf echter niet als verlosser beschouwt en – uiteindelijk – een rol speelt die noodzakelijkerwijs op een ontgoocheling uitdraait. De wetten van de wereld.
Autocitaat:
“De hoop die Joe’s komst eens veroorzaakte is gedoofd, wij zijn weer wat we waren en altijd zullen zijn. Joe is een verlosser zonder belofte; hij heeft geen vooruitgang gebracht, alleen beweging.

– We doen ons best, zei hij lang geleden, we bouwen een vliegtuig om het geheim te zien, maar dan kom je erachter dat er geen geheim is, alleen een vliegtuig. En dat is mooi.

Hij heeft onze wereld betoverd maar na een regenbui spoelen de kleuren er gewoon weer af.”‘

‘En vanwaar je verbazing dat ik de visionair Marugg noem als bron?’

Toch heeft Joe wat geheimzinnigs, bijna mystieks, wat je er volgens mij niet zonder reden hebt ingezet. Hij komt haast uit het niets het verhaal binnengedenderd (letterlijk) en hij verdwijnt met een vliegtuig in het niets op het einde. Daarnaast zit er nog een passage in dat hij tijdens de rally afdwaalt in Egypte (om zijn stiefvader te zoeken is de suggestie). Door ook dat vaag te laten laat je de suggestie open voor een meer mystieke, ja Bijbelse interpretatie. Of zit ik nou te literatuurderig te doen?
Ik zie niet meteen overlappen met zijn verhalen. Mijn verbazing is eerder een soort blije verrassing omdat niet veel mensen Marugg lezen.

 

 

Nog een heel concrete vraag (ik moet zo naar Rotterdam voor een bundelpresentatie van Peter de Groot): in je boek komt een vreselijke scène voor waarin een arm gebroken wordt tijdens het armworstelen. Op internet circuleert al heel lang een filmpje waarin dat te zien is (gruwelijk, gruwelijk). Had je die ook gezien?

‘Niet gezien – breekt ie tijdens een armworsteling? Vertel me waar het te vinden is… misschien nuttige toevoeging voor de derde druk.’

‘Joe is een stoïcijn. Hij volbrengt zijn werken met de kalmte van een fietsenmaker en legt niemand de achtergronden uit. Eerder rationeel dan hartstochtelijk, zonder zich te bekommeren om opvattingen, moraal en zwaartekracht.
Je hebt overigens gelijk wat betreft de bijbelse interpretatie: wanneer Joe tijdens de Paris-Dakar in de Sinaï verdwijnt met zijn raceshovel, is dat niet voor niet in de buurt van het Katharinaklooster waar Grieks-Othodoxe monniken elke dag het wonder gedenken van het brandend braambos. Hun klooster om een enorm braambos, enig in zijn soort in de Sinaï, heengebouwd. Daar vlakbij had Mozes later zijn gesprek met God, op de berg die nu Djebel Musa heet (Mozesberg). Hij kwam beneden met de Stenen Tafelen – de rest weten we.’

‘Laten we Boeli van Leeuwen niet vergeten. Dat zou een fout zijn.’

Heb even zitten zoeken maar op deze pagina vind je het filmpje (broken arm).(het derde filmpje) Ik kan er niet naar kijken. http://www.funnydaze.co.uk/video/index.htm
Een paar jaar geleden ben je overgestapt naar uitgeverij De Bezige Bij. Wat gaat er nu gebeuren met je oude werk? Laat je dat in de vergetelheid wegzakken of neemt De Bij je backlist over?

‘De vergetelheid Coen, de vergetelheid.’

Als je naar de laatste bladzijde kijkt van je roman (de nieuwe snelweg is aangelegd rond het dorp, waarmee het dorp min of meer geïsoleerd is komen te liggen) schrijf je: ‘maar verder heeft de wereld ons aan het zicht onttrokken. Maar daarachter zijn wij niet gestorven, noch zijn wij van gedaante veranderd. Wij zijn hier nog.’
Kun je jouw roman ook opvatten als een protest tegen de vooruitgang, die over het hoofd van de bevolking wordt doorgevoerd?

‘De snelweg in het boek die het dorp aan het zicht onttrekt, is het gevolg van een autonoom proces, langzaam en massief, waartegen de individuele wil machteloos is. Verzet is een inspraakronde geworden, een formaliteit, schijndemocratie.
Intussen dreigt er een echte verbindingsweg langs mijn echte huis te worden aangelegd tussen de A6 en de A9. Mijn fictie achtervolgt me tot aan de voordeur. Ik schilder een tekst van Nescio op een bord (‘De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ’t kan een beetje hardhandig.’), daar blijft het bij. Vooruitgang bestaat niet, zegt Joe Speedoot, alleen beweging.’

Dank Tommy Wieringa voor de antwoorden deze week op alle vragen. Voor de mensen die Joe Speedboot nog niet hebben gelezen waren je antwoorden misschien een aansporing om het boek te kopen, voor mensen die het boek al kenden waren je antwoorden verhelderend. Nogmaals dank, en veel succes met het boek.
Groet, Coen

Het genoegen was geheel aan mijn kant.
Goed gaan, Tommy W’

 

 

 

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer