4 juli 2008

Interview Ronald Giphart

Vanaf maandag 23 mei 205 was Ronald Giphart een week te gast op ons forum en kon iedereen zijn vragen stellen. Moderator: Coen Peppelenbos.

Yoyogro: Heb je het gehoord? Afgelopen zaterdag was Van Aartsen op de radio en hij zei; “OPPIJPEN”. De radiopresentatoren (Spijkers met koppen) schrokken ervan. Giphart heeft zomaar een nieuw woord in de politiek geintroduceerd. Gefeliciteerd, Ronald!

Giphart: Dank voor uw felicitatie, maar u wuift mij teveel eer toe. Het woord ‘oppijpen’ staat gewoon in Van Dale, in maar liefst drie verschillende betekenissen: opdoffen, opspelen en opblazen. Maar het blijft een prettig woord.

Yoyogro: Oké. Toch heb ik het vermoeden dat u vaker in de Van Dale kijkt dan Jozias van Aartsen.  Zou u graag taalvernieuwer zijn? Nieuwe woorden in de Van Dale willen zien die van u afkomstig zijn?

Coen: Ja, dat is mooi. Zomaar een beetje beginnen. Daar gaat mijn welkomstwoordje van morgenochtend.

Giphart: Excuses, Coen, dat was inderdaad wat al te gretig. Ik hou mijn cursor tot jij deze site morgenochtend hebt opgepijpt. Tot dan!

Coen: Goedemorgen Ronald. Welkom op ons forum. Laat ik maar beginnen met een makkelijke vraag voordat we de diepte induiken: hoe is het om een broer te zijn van de bekende Karin Giphart?

Dat valt erg mee, ik kan goddank nog over straat. Mijn zus is een bijzonder meisje, dat altijd al multigetalenteerd door verschillende kunstzinnige disciplines is gewapperd. Ze speelde klassiek gitaar en wilde films maken, ze zong en schreef in het Engels science fiction verhalen. Nu heeft ze een roman geschreven en in eerlijkheid: dat heeft nog lang geduurd. Of er ooit een tweede roman komt durf ik echter niet te voorspellen. Als schrijfster heeft ze het nadeel dat ze mijn achternaam heeft, maar aan de andere kant is dat ook haar voordeel. Er verschijnen vijftig debuten per jaar, boeken die alle een evolutionaire strijd voeren om aandacht. Tot slot: ik heb er geen enkele moeite mee een schrijvend familielid te hebben. Joost Zwagerman heeft destijds enigszins gereserveerd gereageerd op het debuut van zijn broer Alexander (een schrijver die thans in de vergetelheid is geraakt, al schijnt hij door het leven te gaan als de huiscrimineel van het CDA), maar ik gun het mijn zus van harte.

Zij jou blijkbaar ook, want in haar boek verwijst ze naar jouw boeken (Ik ook van jou). Er is dus geen kans dat we over een aantal jaren een broer-zusboek krijgen onder de titel Moord en doodslag?

Zolang ze geen lid wordt van het CDA natuurlijk.

Lijkt me weinig kans op. Hoe staat het met je promotietour voor Troost? Is die al helemaal afgerond? En hoe is je die tour bevallen. Het was eens wat anders dan gewoon signeren.

Vergeleken met mijn andere promotietoeren (die voor het CPNB bijvoorbeeld) hebben we nu een erg rustig riedeltje afgedraaid. In totaal mochten kok Pierre Wind en ik bij zeven boekhandels gerechtjes uit Troost bereiden (een trio van hapjes op een speciaal bordje), en het aantal boekhandels waar ik allenig heb gesigneerd is te tellen op de vingers van een hand met drie vingers. Een promotietoer is een soort geboortekaartje, middels signeren of andere gekkigheid doe je als schrijver kond van je nieuwe kindje. Ik krijg de laatste jaren steeds vaker de meest wilde of vergezochte geboorteaankondigingen, en ook de presentaties van nieuwe romans lijken steeds gekker te worden. Waar boeken in vroeger tijden nog gepresenteerd werden in de afgemeten directiekamer van de uitgever (waarbij de jongste medewerker op zoek ging naar halfvol pak jus d’orange en een vergeten fles wijn uit een kerstpakket), denkt men tegenwoordig gedegen na over de extra publicitaire waarde die een presentatie of een promotie kan opleveren. De ene schrijver trekt met zijn geit het land in, de ander nodigt omkoopbare recensenten uit voor een copieuze maaltijd in een sjiek hotel. Ik vind dit allemaal geoorloofd, want het belangrijkste is dat het potientiele leespubliek – binnen de dagelijkse lawine van informatie – hoort dat er een nieuw boek is verschenen. Dit uiteraard ter discussie.

De publiciteit die jij genereert als bekend schrijver is toch enorm. Grappig genoeg is de hoofdpersoon van je roman zich ook bewust van dat feit. Ondanks zijn beroemdheid blijft hij gewoon bezig met zijn werk (zijn passie) en dat is koken. De publiciteit lijkt mooi meegenomen. Maar juist omdat hij zijn werk op tv doet, is dat het begin van het einde.
Veel recensenten hebben jouw boek gelezen als een min of meer poeticale roman (ik ook). Heeft jouw roem en je tv-optreden in de weg gestaan bij de beoordeling van je werk? En verwijt je met dit boek indirect ook de kortzichtigheid van die kritiek?

In een goede meritocratie zou een schrijver moeten worden afgerekend op de inhoud van zijn boeken, een kok op zijn kookkunst en een voetballer op zijn aanvallend, danwel verdedigend vermogen. Maar onze meritocratie wordt overvleugeld door de wurggreep van de mediacratie. Beeldvorming en imagopolitiek zijn veel belangrijk dan een eerlijke weging van iemands prestaties en capaciteiten. De trainer van de Engelse voetbalclub Chelsea wordt door een groot deel van de media (en daarachteraan dobberend het publiek) veroordeeld om zijn  – vermeende – arrogante voorkomen, in plaats van bejubeld om zijn prestaties. Uiteraard is dit een van de motieven van Troost.
Overigens verwijt ik niemand iets, ik stel alleen maar vast. Ook ik laat mij in veel gevallen leiden door vooroordelen en gemakzuchtige meningvorming.  

Hoezo geen verwijt? Als de serieuze Michelin en het ietwat dommiger Proef! (waarom hier niet ook de echte naam gebruikt? Lekker) iemand kunnen maken en breken, dan geef je toch kritiek op de macht van dergelijke instituten? Troost is een figuur die misschien zijn relatie verwaarloost, maar in zijn werk is hij integer. En juist daarop wordt hij vernederd.
Over het schrijverschap zou je hetzelfde kunnen beweren. Dat lijkt me meer dan een vaststelling.

Ja, ik denk dat je daar gelijk in hebt. Wanneer maak je iemand of iets een verwijt? Ik denk dat je dat doet omdat je op een bepaalde manier invloed hoopt uit te oefenen of mensen ergens lering uit te laten trekken. Geen schrijver zal het meteologisch systeem het verwijten dat het regent. Het gaat erom: waar ligt je pretentie als schrijver? Maak je iemand een verwijt om jouw (morele) normen op te dringen, of hou je (slechts) een spiegel voor? In Troost beschrijf ik inderdaad de macht van instituten als Michelin en Proef! (waarom ik hier niet ook de echte naam heb gebruikt: onder andere om nog enige distantie van ‘de werkelijkheid’ te behouden), een macht die emblematisch is voor de macht van gevestigde instituten anywhere. Is dit nu een verwijt (‘macht is verkeerd’) of een fait accompli? Het antwoord daarop zal in het midden liggen.

Overigens moet ik er nu vandoor (vanavond een wildspetterende voorleesbeurt in de bibliotheek van Amstelveen, snel, er schijnen nog een paar kaarten te zijn, een stuk of driehonderd), maar vannacht zit ik weer aan mijn pixels.

Yoyogro: Misschien kunt u vannacht, als u bent bijgekomen van uw enerverende voorleesbeurt in de grootstedelijke bieb van Amstelveen ten overstaan van vermoedelijk veel dames met veel intelligente en vooral boeiende vragen aan den Schrijver (“hoe komt u op uw ideeen?“), toch nog wat pixels besteden aan beantwoording van de allereerste vraag die u in dit forum gesteld werd voordat onze Coen reglementair ingreep ?
Dank.

Coen: Bij mijn weten (maar ik kan me verschrikkelijk vergissen) bestaat er een boekje of scriptie met de neologismen van Giphart.

Heb het al gevonden:Samenvatting

Daniëls, Wim
Giphtaal : de woordvondsten van Ronald Giphart / Wim Daniëls. – Amsterdam : Podium, cop. 2004. – 157 p. ; 19 cm
ISBN 90-5759-106-5

‘Giphtaal’ bestaat uit een lange lijst met door Ronald Giphart bedachte woorden en uitdrukkingen, die in zijn werk voorkomen. Giphart is met zijn taalvondsten weliswaar origineel, maar niet de enige. Het vervaardigen van een eigen woordenschat door een schrijver is eigenlijk niks nieuws. Schrijvers als Jacob Israël de Haan, Ischa Meijer en Kees van Kooten gingen Giphart hierin voor. In dit boekje wordt iedere taalvondst toegelicht, in zijn context geplaatst door een citaat uit Gipharts werk, en voorzien van een bronvermelding. De nieuwvormingen zijn in te delen in verschillende categorieën: faceliftwoorden, nieuwe werkwoorden, nieuwe samenstellingen, variaties op bestaande uitdrukkingen, eponiemen, woordcombinaties met een functiewoord erin en purismen. Na de woordenlijst zijn nog enkele pagina’s met ‘Oneliners en wisecracks’ te vinden. Het geheel wordt voorafgegaan door een korte, maar heldere inleiding van Wim Daniëls. (DM)

Trefw.: Ronald Giphart; neologismen
Prijs: euro 10,-
http://taalunieversum.org/cultuur/bibliografische_attenderingslijst/20/2/3/#samenvattingi__136334640_1290

Tjeerd: Dag Ronald, kun je mij een omschrijving geven van wat jij nu precies onder ‘literatuur’ verstaat? Wanneer voldoet volgens jou een verhaal aan de maatstaven om officieel voor literatuur door te gaan?

Ha Tjeerd, het is onmogelijk om precies aan te geven wat ik onder ‘literatuur’ versta. Om de woorden van een Amerikaanse tv-producent te lenen (die het beweerde over ‘schoonheid’, wat mijns inziens een inwisselbaar begrip is): ‘Ik kan het niet omschrijven, maar als het de kamer binnenkomt herken ik het.’
Het grote probleem met het definiëren van literatuur is, dat één basiselement van de definitie het begrip ‘verrassend’ is, en iets wat verrast laat zich moeilijk in wetten vangen. Over de vraag waarom Grisham geen literatuur is en Kinky Friedman of Leon de Winter wel, heb ik in een vroeger leven in totaal bij elkaar opgeteld vijf jaar en zes maanden lang gediscussieerd tot bijna vechtens toe. Grofweg zou ik bij benadering hapsnappend een gooi kunnen doen door te stellen dat voor mij literatuur taalkundig kwalitatief gezien uitmuntend geschreven moet zijn, dat het qua compositie op alle gebieden moet overtuigen en dat mijn wereldbeeld er al dan niet tijdelijk op welke wijze dan ook door dient te veranderen. Dit is een vage omschrijving, maar concreter kan ik niet worden.
Overigens houdt – na die jaren van discussie – de vraag wat literatuur ‘precies’ is mij mij heden ten dage een stuk minder bezig. Niet dat het een puberale vraag is, maar met de wijsheid die met de jaren komt zijn er belangrijker vraagstukken en zaken gekomen. En daarbij heb ik het mij de laatste tijd zelfs wel eens toegestaan af en toe ereis een Grisham te lezen, wat welbeschouwd heulemaal niet slecht bevalt. Beantwoordt dit je vraag, Tjeerd? Wat is jouw definitie wat literatuur precies is?

Wouter: Een mooie omschrijving, beste Ronald Giphart. Jan Siebelink zei onlangs: ‘Literatuur maakt gewone mensen bijzonder.’ Ik zou het willen uitbreiden: ‘Literatuur maakt gewone mensen, dieren en dingen bijzonder.’ Volgens mij is daar zowel een uitmuntende schrijfstijl als een overtuigende compositie voor nodig. Wat vind jij van die uitspraak?

Yoyogro: Dankjewel voor de titel, Coen. Zeer attent.
Mijn vraag of Giphart zelf ook beoogt om in de Van Dale opgenomen te worden is daarmee echter niet beantwoord. Then again, zo’n vraag HOORT ook helemaal niet door Giphart beantwoord te worden. Dat begrijp ik ook wel. De geschiedenis zal het immers leren!

Tjeerd: Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat ik inmiddels al zo’n 5 jaar ben blijven hangen bij de vraag wat literatuur nu werkelijk is. Voor de derde keer bijvoorbeeld lees ik nu Giph, al merk ik wel, met mijn 24 jaren jong, dat ik het niveau van Giph wat aan het ontstijgen ben. Toch heb ik nog steeds moeite om met een goede definitie te komen van het begrip literatuur. En aangezien ik ook één van die tobbers ben die nog steeds de droom heeft ooit een literair meesterwerk neer te zetten blijft die vraag, herstel, het antwoord op die vraag toch belangrijk. Die Amerikaanse tv-producent slaat de spijker op zijn kop, echter ziet deze man/vrouw literatuur wanneer het af is. Ik wil literatuur kunnen omschrijven voordat ik begin. Voorzichtig durf ik te stellen dat literatuur als vanzelfsprekend taalkundig briljant dient te zijn, er een duidelijke lijn in het verhaal hoort te zitten ondanks de chaos die er besproken wordt en dat, maar nu herhaal ik eigenlijk jouw woorden, het verhaal moet ‘blijven hangen’. En liefst langer dan een half uur. Dus, het blijft een niet te vatten begrip. Overigens, zou het ook niet zo zijn dat de vraag wat literatuur is minder belangrijk wordt wanneer je een inmiddels bestseller literair auteur bent?

Ha Wouter, dat lijkt mij een uitspraak als een klok.

Niet om het een of ander, maar als men praat of discussieert over een multi-interpretabel onderwerp als ‘literatuur’ voelen velen (ook ik) zich uitgenodigd het begrip te vangen in een hoogst interessant klinkende orakeltaal. ‘Literatuur maakt gewone mensen bijzonder.’ Het klinkt fraai van de oude meester, maar wat staat er en wat betekent het? Is het een doel van literatuur om over ‘gewone mensen’ te schrijven? Wie of wat zijn gewone mensen? Is het een doel om een gewoon mens te zijn? Wat is bijzonder? Willen we bijzonder zijn? In Planeet literatuur heb ik (samen met Bert Natter) een opsomming gegeven van dit soort uitspraken. Lekker orakelen over het begrip literatuur is een heerlijk tijdverdrijf, maar met literatuur heeft het niets te maken (of is dit ook weer een voorbeeld van orakeltaal?).

Ha Tjeerd, je vertelt dat je het begrip literatuur wilt kunnen omschrijven voordat je begint. Dit is een loffelijk streven, maar lijkt me in alle eerlijkheid ook een vlucht Een begrijpelijke vlucht.  ‘Schrijven’ is niet het vervaardigen van literatuur, schrijven is schrijven, een proces. Het is ondoenlijk (spreek ik uit ervaring) om bestaande literatuur te filteren op universele wetmatigheden om die vervolgens op toekomstig litererair werk van toepassing te laten zijn. Daarmee leg je jezelf aan de ketting van zelfbedachte dogma’s, nog voor je een letter op papier hebt. Kostelijke zonde. Ga lekker schrijven! Allereerst is er primo en alleen maar om het plezier van het formuleren, de zoektocht naar een fraaie omschrijven, de kick van een geslaagde scene. Dan pas rijst er de vraag of het allemaal zo briljant is en of het wel blijft hangen bij de lezer. Zelf heb ik mij als gezegd zes jaar van mijn leven bezig gehouden met de vraag wat literatuur was en hoe ik dat kon toepassen in wat ik zelf schreef. Voor mij heeft het erg louterend gewerkt de beantwoording van die vraag radicaal naast me neer te leggen en uit te gaan van (het plezier in) het schrijven zelf. Een bevrijding!

Wouter: Dat bedacht ik mij ook: wat zijn gewone mensen? Als je ze omschrijft als ‘gewoon mensen’ in biologische zin, die levende dingen die je mensen noemt, dan vind ik het nog niet eens orakeltaal. De vraag is dan inderdaad of het een doel is om over ‘gewone’ mensen (en dieren of dingen) te schrijven. Is de vraag wat literatuur is niet heel persoonlijk en moet je de uitspraak van Siebelink dan ook op die manier opvatten? Dus los van controleerbare punten als stijl, compositie, want volgens mij werken die uiteindelijk mee aan het ‘bijzondere’. En, los van deze orakeltaal: wat vind jij bijzonder?

Coen: Even weer een specifieke opmerking over Troost. De kok heeft bijzondere tanden, een soort jongensgebit, maar ik zit me al een hele tijd af te vragen welke betekenis die tanden hebben? (Ik ga maar weer eens van de veronderstelling uit dat alles betekenis moet hebben binnen de literatuur, terwijl ik daar niet onvoorwaardelijk in geloof). Staan die tanden voor zijn naieviteit?
(Wat een frikkigheid om dat weer te willen weten, maar goed, ik zit nu ook op mijn werk)

Tjeerd: Hallo Ronald, het schrijven als zodanig geeft inderdaad een geweldige kick, zeker wanneer je niet nadenkt over de “wetten” die er (schijnen te) gelden. Het lukt me ook steeds vaker om De Vraag naast me neer te leggen en gewoon lekker bezig te gaan. Desondanks blijft het me te vaak bezig houden en dat is inderdaad zonde. Van tijd en inspiratie. Maar hoe ga jij zelf tewerk? Denk je op een gegeven moment, goh, ik ga een boek schrijven en heb je dan direct een globaal beeld van een verhaal(-lijn) in den kop? Het lastige van schrijven vind ik namelijk vooral om ook na vier A4-tjes nog een bepaalde lijn te behouden in het verhaal. 

@ Wouter:
Als iemand dezelfde vraag over bijvoorbeeld muziek zou stellen (wat vind je bijzonder? wat is je smaak?) dan zou een antwoord kunnen zijn: klassieke muziek. Maar dat is als subgroep veel te groot. Niet alle klassieke muziek is het waard genoemd te worden. Blijft dus over stromingen: bijvoorbeeld barok. Maar niet alle barokke muziek is bijzonder. Blijft over individuele componisten. Maar niet al het werk van een individuele componist is geweldig. Blijft over: specifieke muziekstukken. Vertaald naar literatuur betekent dat: specifieke romans. Bijvoorbeeld Money van Martin Amis, Rayuela van Julio Cortázar of A man in full van Tom Wolfe.
@ Coen:
Ja, ga dat even lekker zelf uitzoeken, luilak.Het gaat erom dat een lezer zelf aan de slag gaat met een boek en eruit haalt wat voor hem of haar de moeite waard of opmerkelijk is. Dacht je dat als we W.F. Hermans via een séance gingen vragen of Dorbeck nu wel of niet bestaat, hij antwoord zou geven?
@ Tjeerd:
Vanaf mijn zeventiende hou ik een ideeenlijst bij. Iedere dag heb ik een stuk of wat invallen, ideeen, woordgrappen, zinswendingen, observaties e.d., die ik aan het eind trouw opschrijf in een steeds verder uitdijende lijst. Flaubert zei dat schrijvers een roman in een flits voor zich zien, en laten we hem daarin gelijk geven. Een schrijver staat onder de douche of fietst op straat, en plotseling zit er een roman in zijn hoofd. Een mooi moment: er is iets geschapen wat er nog niet is. Natte-vingerend bepaalt de schrijver hoe dik het boek ongeveer zou moeten worden. Hij bedenkt scenes, die hij op kaartjes noteert, en legt deze kaartjes op volgorde. Dit duurt een aantal weken, waarin hij voortdurend schuift en nieuwe scenes bedenkt. Na een hoofdstukverdeling te hebben gemaakt, berekent hij hoeveel pagina’s de individuele scenes zouden moeten duren en telt dit bij elkaar op. In de volgende fase begint het feitelijke schrijven. De schrijver werkt scenes uit, met behulp van zijn ideeenmap en herschrijft de scene tot hij het gevoel heeft dat ze niet beter zouden kunnen. Al doende gaat hij door tot hij zijn laatste punt zet. Klinkt niet heel moeilijk, toch?

GerdatenC: Beste heer Giphart,
Een tijd geleden heeft u onder de naam van een Marokkaanse schrijver geschreven, waarom is dat geweest? Engagement?

Nee hoor. Door de eeuwen heen hebben schrijvers onder pseudoniem geschreven. Door de eeuwen heen zijn er ook schrijvers geweest die onder één naam hebben gepubliceerd. Een schrijver is, wat een collega ooit noemde, niet een personage in het boek, maar een personage van het boek. Wij hebben met een aantal schrijvers een boek geschapen, inclusief het personage van de schrijver van dat boek. En we hebben afgesproken dat wij onze mond erover zouden houden, wat ik na nu zal doen.

GerdatenC: Sterft dit personage ook, zoals Marek van de Jagt?

Ik houd mijn labium superius oris en mijn labium inferius oris stijf op elkaar…

GerdatenC: Een andere vraag dan, er wordt op dit forum over vele mooie boeken geschreven en over vele goede schrijvers. Heeft u ook een hekel aan bepaalde nederlandstalige schrijvers/boeken. bijvoorbeeld Heleen van Royen? Of vindt u Gimmick juist een overschat boek? Opent u uw mond?

Vroeger, toen ik nog wel eens verplicht boeken uit diende te lezen, sloeg mijn onvrede over de literaire kwaliteit soms om in acute hekel. Dat betrof dan boeken van inmiddels vergeten literaire stromingen als de zestigers, het woordgebagger van de Revisor-groep of de zinsragout van vrijwel de meeste interbellummers (niet te verwarren met interbelnummers). Ook in de jaren dat ik boeken besprak voor Het Parool kwam mijn ergernis geregeld opzetten, maar die heb ik destijds heerlijk van me af kunnen schrijven. Inmiddels lees ik al jaren niet meer tegen mijn zin. Waarom tijd verspillen aan boeken die chagrijn oproepen, zelfs wanneer je ervoor betaald wordt? Als een boek na dertig, zeg veertig, pagina’s niet vermag te boeien of ontroeren, dan leg ik het weg. Heleen van Royen heb ik overigens met graagte uitgelezen, en Gimmick! beschouw ik als een van de weinige echte hoogtepunten van de door mij gelezen Nederlandse literatuur. Ik doe mijn mond weer dicht.

GerdatenC: Leest u veel Nederlandse schrijvers, of leest u meer voor research?
Ik lees niet specifiek Nederlandse schrijvers, zoals ik ook niet specifiek Finse of Mongoolse schrijvers niet lees. Grofweg lees ik ongeveer honderd (100) bladzijden per dag, en om eerlijk te zijn: veel boeken door elkaar heen. Als ik zelf fictioneel werk aan het schrijven ben ligt de nadruk meer op non-fictie boeken, maar in tegenstelling tot veel van mijn collega’s kan ik wel romans van anderen lezen als ik zelf midden in een eigen roman zit.

 

ArturvH: Welk boek lees je nu dan?
En nog een vraag: Hou je dat echt bij? Hoeveel bladzijden je grofweg per dag leest? En zo ja: hoe doe je dat, als je meerdere boeken door elkaar heen leest? Zit je te turven, of maak je aan het eind van de week een schatting aan de hand van het aantal bladzijden dat de uitgelezen boeken telden, gedeeld door het aantal dagen?
Of láát je dat doen? (Leuke rekenoefening voor de kinders.)

 

Bart: Beste Ronald,
Wat vind je ervan dat prestigieuze literaire onderscheidingen (Libris Literatuur Prijs, AKO Literatuurprijs) voor jouw neus voorbij gaan? Met de roman Troost heb je je imago van schrijver die veel over seks schrijft wat laten vallen. Denk je dat je met deze roman eerder in de prijzen zult vallen dan met de anderen boeken, die door sommige recensenten (Welwelwelwel) erg gekscherend werden besproken? 

 

Wat waren de reacties van schrijvers en andere bekende Nederlanders die in jouw roman Giph voorkomen? Heb je bij voorbeeld reacties gehad van Hella S. Haasse of Jeroen Brouwers? 

 

 

 

Wouter: Beste Ronald,
We hebben het nu gehad over de definitie van literatuur (en of die al dan niet bestaat). Nu heb ik ‘Troost’ nog niet gelezen, het spijt me. Kun je mij, met in je achterhoofd dat wat jij schreef over wat literatls. – Amsterdam : Podium, cop. 2004. – 157 p. ; 19 cm
ISBN 90-5759-106-5

‘Giphtaal’ bestaat uit een lange lijst met door Ronald Giphart bedachte woorden en uitdrukkingen, die in zijn werk voorkomen. Giphart is met zijn taalvondsten weliswaar origineel, maar niet de enige. Het vervaardigen van een eigen woordenschat door een schrijver is eigenlijk niks nieuws. Schrijvers als Jacob Israël de Haan, Ischa Meijer en Kees van Kooten gingen Giphart hierin voor. In dit boekje wordt iedere taalvondst toegelicht, in zijn context geplaatst door een citaat uit Gipharts werk, en voor gehele narcose, dus als ik tot die 0.0001 procent van de patienten behoor die comatueus dan wel niet meer levend uit de operatie komt, weet dan dat ik van jullie gehouden heb, lief publiek). Morgenmiddag hoop ik dieper op jullie vragen in te gaan. Die van Coen kan alvast wel beantwoorden (dat heeft hij wel verdiend na mijn botte uitval vanmorgen): mijn volgende roman gaat of over WOII (hoofdpersoon Giph), of de roman daarna. In ieder geval is Giph verre van dood. Behalve als de narcosist van dienst op dit moment heel dronken is en morgen met een kater aan de knopjes zit. Tot morgen!Coen: Zolang Giphart nog onder narcose is, kan de rest van Literair Nederland me misschien helpen bij het oplossen van het tandenprobleem in Troost. Kok Art Troost heeft nog een jongensgebit. Ik zit hevig te zoeken naar een symbolische duiding. Aan de ene kant blijft hij altijd junior (ten opzichte van zijn vader die ook kok is) en dan zou het iets betekenen in het vader-zoon conflict. Aan de andere kant denk ik dat er ook nog een Freudiaanse verklaring te vinden is. Wie weet raad?

Wouter: Tja, het doet mijn onwillekeurig denken aan ‘Ivoren wachters’ van Vestdijk. Maar uit jouw uitleg begrijp ik dat het niet om glinsterende dropjes gaat, maar om kleine melkpakjes?

Janet: Coen, Een pasklaar antwoord over dat jongensgebit heb ik natuurlijk niet, maar ik denk even met je mee. Je zoekt het dus in de hoek van Freud.
Een gebit kuat verrast laat zich moeilijk in wetten vangen. Over de vraag waarom Grisham geen literatuur is en Kinky Friedman of Leon de Winter wel, heb ik in een vroeger leven in totaal bij elkaar opgeteld vijf jaar en zes maanden lang gediscussieerd tot bijna vechtens toe. Grofweg zou ik bij benadering hapsnappend een gooi kunnen doen door te stellen dat voor mij literatuur taalkundig kwalitatief gezien uitmuntend geschreven moet zijn, dat het qua compositie op alle gebieden moet overtuigen en dat mijn wereldbeeld er al dan niet tijdelijk op welke wijze dan ook door dient te veranderen. Dit is een vage omschrijving, maar concreter kan ik niet worden.
Overigens houdt – na die jaren van discussie – de vraag wat literatuur ‘precies’ is mij mij heden ten dage een stuk minder bezig. Niet dat het een puberale vraag is, maar met de wijsheid die met de jaren komt zijn er belangrijker vraagstukken en zaken gekomen. En daarbij heb ik het mij de laatste tijd zelfs wel eens toegestaan af en toe ereis een Grisham te lezen, wat welbeschouwd heulemaal niet slecht bevalt. Beantwoordt dit je vraag, Tjeerd? Wat is jouw definitie wat literatuur precies is?

Wouter: Een mooie omschrijving, beste Ronald Giphart. Jan Siebelink zei onlangs: ‘Literatuur maakt gewone mensen bijzonder.’ Ik zou het willen uitbreiden: ‘Literatuur maakt gewone mensen, dieren en dingen bijzonder.’ Volgens mij is daar zowel een uitmuntende schrijfstijl als een overtuigende compositie voor nodig. Wat vind jij van die uitspraak?

Yoyogro: Dankjewel voor de titel, Coen. Zeer attent.
Mijn vraag of Giphart zelf ook beoogt om in de Van Dale opgenomen te worden is daarmee echter niet beantwoord. Then again, zo’n vraag HOORT ook helemaal niet door Giphart beantwoord te worden. Dat begrijp ik ook wel. De geschiedenis zal het immers leren!

Tjeerd: Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat ik inmiddels al zo’n 5 jaar ben blijven hangen bij de vraag wat literatuur nu werkelijk is. Voor de derde keer bijvoorbeeld lees ik nu Giph, al merk ik wel, met mijn 24 jaren jong, dat ik het niveau van Giph wat aan het ontstijgen ben. Toch heb ik nog steeds moeite om met een goede definitie te komen van het begrip literatuur. En aangezien ik ook één van die tobbers ben die nog steeds de droom heeft ooit een literair meesterwerk neer te zetten blijft die vraag, herstel, het antwoord op die vraag toch belangrijk. Die Amerikaanse tv-producent slaat de spijker op zijn kop, echter ziet deze man/vrouw literatuur wanneer het af is. Ik wil literatuur kunnen omschrijven voordat ik begin. Voorzichtig durf ik te stellen dat literatuur als vanzelfsprekend taalkundig briljant dient te zijn, er een duidelijke lijn in het verhaal hoort te zitten ondanks de chaos die er besproken wordt en dat, maar nu herhaal ik eigenlijk jouw woorden, het verhaal moet ‘blijven hangen’. En liefst langer dan een half uur. Dus, het hoeveel pagina’s ik concreet lees. Maar het is ook niet echt  rocket science om grofweg een gooi te doen.Overigens ervaar ik het – dit even persoonlijk autistische noot mijnerzijds – als wellicht de grootste verworvenheid van mijn leven dat ik het mij kan veroorloven om per dag voorgenoemd aantal bladzijden te kunnen lezen.

Wouter: Beste Ronald, Je hebt natuurlijk gelijk, het was misschien ook een ietwat genante vraag. Ik was benieuwd of het antwoord dat je zou geven hetzelfde zou zijn als het antwoord dat je zou kunnen geven op de vraag: met welk doel heb je dit boek geschreven. Deze vraag vond ik wat belegen, vandaar mijn opzet. Want stel dat je zou willen dat ik meer over koken leer in de vorm van een literaire roman. Dan had je het boek kunnen aanprijzen door te zeggen: je moet dit lezen om meer te leren over koken in de vorm van een literaire roman. Dus, laat ik de vraag dan maar zo stellen: met welk doel heb je dit boek geschreven, of beter: waarom heb je dit boek geschreven? Nu kan ik honderden redenen vermoeden, of een antwoord als: ik móest het schijven. Maar toch zou ik het graag concreet lezen, het intresseert me namelijk vanwege de ommezwaai, als volgt verwoord door Hoenjet in het interview met jou in HP/De Tijd: ‘In zijn nieuwe roman Troost hebben culinaire genietingen de plaats van seksuele uitspattingen ingenomen en heeft hij zijn masturbatoire neigingen gecultiveeerd door met veel smaak te schrijven over de pastmatigheden om die vervolgens op toekomstig litererair werk van toepassing te laten zijn. Daarmee leg je jezelf aan de ketting van zelfbedachte dogma’s, nog voor je een letter op papier hebt. Kostelijke zonde. Ga lekker schrijven! Allereerst is er primo en alleen maar om het plezier van het formuleren, de zoektocht naar een fraaie omschrijven, de kick van een geslaagde scene. Dan pas rijst er de vraag of het allemaal zo briljant is en of het wel blijft hangen bij de lezer. Zelf heb ik mij als gezegd zes jaar van mijn leven bezig gehouden met de vraag wat literatuur was en hoe ik dat kon toepassen in wat ik zelf schreef. Voor mij heeft het erg louterend gewerkt de beantwoording van die vraag radicaal naast me neer te leggen en uit te gaan van (het plezier in) het schrijven zelf. Een bevrijding! 

Wouter: Dat bedacht ik mij ook: wat zijn gewone mensen? Als je ze omschrijft als ‘gewoon mensen’ in biologische zin, die levende dingen die je mensen noemt, dan vind ik het nog niet eens orakeltaal. De vraag is dan inderdaad of het een doel is om over ‘gewone’ mensen (en dieren of dingen) te schrijven. Is de vraag wat literatuur is niet heel persoonlijk en moet je de uitspraak van Siebelink dan ook op die manier opvatten? Dus los van controleerbare punten als stijl, compositie, want volgens mij werken die uiteindelijk mee aan het ‘bijzondere’. En, los van deze orakeltaal: wat vind jij bijzonder?

  indexCoen: Even weer een specischreven. Ik vind het ook een gelegitemeerde respons van een schrijver om daar niet op in te gaan. Het doel van een boek is het boek (zou ik zeggen als ik in een Mulischiaanse bui ben). Ik weet eerlijk gezegd niet of ik specifiek ‘een doel’ heb, anders dan dat ik a) mezelf gedurende langere tijd wil vermaken, verbazen, ontroeren, stichten, b) lezers wil vermaken, verbazen, ontroeren, stichten, c) in mijn onderhoud wil voorzien d) mijn zelfbeeld wil bevestigen. Dat laatste is natuurlijk wel een heel oprecht antwoord. Veel collega’s zullen subantwoord d) ontkennen. Als je toch een specifieker doel wilt horen (en dat wil je, lees ik): dan zou het kunnen zijn dat ik gefascineerd ben geweest door zowel de hardheid en de mores van de culinaire topwereld als de hardheid en het tot de verbeelding sprekende appeal van de televisiewereld. Deze werelden gecombineerd, stelde ik me voor, zou een vermakelijke en leerzame clash kunnen opleveren. Eenzelfde clash heb ik gezocht in Ik omhels je met duizend armen door aan de ene kant thanatos te koppelen aan eros.
@ Coen:
ik weet niet of het einde wel zo positief is. Lijkt jou het positief als een vernederd man los komt van de werkelijkheid en een hert probeert te omhelzen? Met het gevaar af dat je niets meer durft te vragen, maar ga dat effe lekker zelf uitzoeken, luilak. (hoe was overigens je feest?)
@ Marvis
Suriname heeft mij hart, mijn lever en vooral mijn maag gestolen. Watmuziek is bijzonder. Blijft over individuele componisten. Maar niet al het werk van een individuele componist is geweldig. Blijft over: specifieke muziekstukken. Vertaald naar literatuur betekent dat: specifieke romans. Bijvoorbeeld Money van Martin Amis, Rayuela van Julio Cortázar of A man in full van Tom Wolfe.
@ Coen:
Ja, ga dat even lekker zelf uitzoeken, luilak.Het gaat erom dat een lezer zelf aan de slag gaat met een boek en eruit haalt wat voor hem of haar de moeite waard of opmerkelijk is. Dacht je dat als we W.F. Hermans via een séance gingen vragen of Dorbeck nu wel of niet bestaat, hij antwoord zou geven?
@ Tjeerd:
Vanaf mijn zeventiende hou ik een ideeenlijst bij. Iedere dag heb ik een stuk of wat invallen, ideeen, woordgrappen, zinswendingen, observaties e.d., die ik aan het eind trouw opschrijf in een steeds verder uitdijende lijst. Flaubert zei dat schrijvers een roman in een flits voor zich zien, en laten we hem daarin gelijk geven. Een schrijver staat onder de douche of fietst op straat, en plotseling zit er een roman in zijn hoofd. Een mooi moment: er is iets geschapen wat er nog niet is. Natte-vingerend bepaalt de schrijver hoe dik het boek ongeveer zou moeten worden. Hij bedenkt scenes, die hij op kaartjes noteert, en legt deze kaartjes op volgorde. Dit duurt een aantal weken, waarin hij voortdurend schuift en nieuwe scenes bedenkt. Na een hoofdstukverdeling te hebben gemaakt, berekent utering in.

Coen: ‘Tetigisti acu,’ zei Plautus al in 1213 (hij bleef het maar zeggen, mensen vroegen wel eens of hij er mee op kon houden, maar hij ging maar door –  ‘tetigisti acu’ hier ‘tetigisti acu’ daar – ze werden er gek van). Tetigisti acu betekent geloof ik zoiets als: je slaat de spijker op z’n kop.

Bart: Ronald, Bij de verfilming van Phileine zegt sorry was je erg nauw betrokken. Ben je opnieuw nauw betrokken bij de verfilming van Ik omhels je met duizend armen? En is er opnieuw een kleine rol voor jou weggelegd? Kun je misschien al iets vertellen over de ontwikkelingen van deze boekverfilming? Vaak zeggen schrijvers én lezers dat ze tegen boekverfilmingen zijn, omdat de inhoud van het boek erg slecht overeenkomt met de beelden op het doek. Was jij ook als schrijver tegen boekverfilmingen en hebben ze je erg moeten overhalen om Ik ook van jou te verfilmen? Geef jij ook aan welke acteurs jij het liefste ziet spelen in de verfilming van jouw boek.

Coen: Even volgend op Bart. Heb pas onlangs twee DVD’s gekocht: Ik ook van jou (gruwelijk, gruwelijk, al je kritiek klopt) en Phileine zegt sorry! (prachtige film, precies de goede toon). Studenten van me die de film ook hebben gezien vinden jouw mini-optreden in die film wat minder geslaagd, want dat breekt het verhaal zo. (In het boek doe je dat ook soms, met advertenties en al met ? Opent u uw mond?

Vroeger, toen ik nog wel eens verplicht boeken uit diende te lezen, sloeg mijn onvrede over de literaire kwaliteit soms om in acute hekel. Dat betrof dan boeken van inmiddels vergeten literaire stromingen als de zestigers, het woordgebagger van de Revisor-groep of de zinsragout van vrijwel de meeste interbellummers (niet te verwarren met interbelnummers). Ook in de jaren dat ik boeken besprak voor Het Parool kwam mijn ergernis geregeld opzetten, maar die heb ik destijds heerlijk van me af kunnen schrijven. Inmiddels lees ik al jaren niet meer tegen mijn zin. Waarom tijd verspillen aan boeken die chagrijn oproepen, zelfs wanneer je ervoor betaald wordt? Als een boek na dertig, zeg veertig, pagina’s niet vermag te boeien of ontroeren, dan leg ik het weg. Heleen van Royen heb ik overigens met graagte uitgelezen, en Gimmick! beschouw ik als een van de weinige echte hoogtepunten van de door mij gelezen Nederlandse literatuur. Ik doe mijn mond weer dicht.

GerdatenC: Leest u veel Nederlandse schrijvers, of leest u meer voor research?
Ik lees niet specifiek Nederlandse schrijvers, zoals ik ook niet specifiek Finse of Mongoolse schrijvers niet lees. Grofweg lees ik ongeveer honderd (100) bladzijden per dag, en om eerlijk te zijn: veel boeken door elkaar heen. Als ik zelf fictioneel werk aan het schrijven ben ligt de nadruk meer op non-fictie boeken, maar in tegenstellioor het eindproduct (of althans: dat denk ik te hebben, want uiteindelijk is RJW natuurlijk altijd alleenheerser geweest, en zo hoort het ook). Bij de verfilming van Ik omhels je met duizend armen heb ik er toch weer voor gekozen om de regisseur de vrije hand te geven. Ten eerste kende ik Willem van de Sande Bakhuizen niet persoonlijk, en Robert Jan Westdijk wel. Tijdens een goed gesprek met WvdSB had ik snel door dat hij de opzet van mijn boek begreep. Ik had ervoor gekozen de euthanasie van een moeder te plaatsen in een raamvertelling rondom vakantievierende jonge mensen. De literaire kritiek begreep dit over het algemeen wat minder en vond dat ik me had moeten focussen op het sterven van de moeder. WvdSB vond mijn keuze narratief gezien zeer begrijpelijk, en de opzet leek hem ook voor een film uitermate werkbaar. In vertrouwen heb ik hem daarna de vrije hand gegeven. Het is algemeen bekend dat WvdSB in de aanloop naar de verfilming erg ziek werd, maar dat hij zich door de strijd die zijn lichaam met hem voert niet uit het veld wil laten slaan. De opnames zijn inmiddels begonnen, en juist in deze moeilijke fase is het niet mijn intentie Willem op wat voor wijze dan ook voor de voeten te lopen. Ik heb me dus niet bemoeid met casting, niet met een eventuele cameo en slechts een verwaarloosbaar beetje met het script (geschreven door Edward Stelder en Ruud Schuurman).

En wat de vraag van Coen betreft: mijn mini-optreden in P, met in je achterhoofd dat wat jij schreef over wat literatls. – Amsterdam : Podium, cop. 2004. – 157 p. ; 19 cm
ISBN 90-5759-106-5

‘Giphtaal’ bestaat uit een lange lijst met door Ronald Giphart bedachte woorden en uitdrukkingen, die in zijn werk voorkomen. Giphart is met zijn taalvondsten weliswaar origineel, maar niet de enige. Het vervaardigen van een eigen woordenschat door een schrijver is eigenlijk niks nieuws. Schrijvers als Jacob Israël de Haan, Ischa Meijer en Kees van Kooten gingen Giphart hierin voor. In dit boekje wordt iedere taalvondst toegelicht, in zijn context geplaatst door een citaat uit Gipharts werk, en voorzien van een bronvermelding. De nieuwvormingen zijn in te delen in verschillende categorieën: faceliftwoorden, nieuwe werkwoorden, nieuwe samenstellingen, variaties op bestaande uitdrukkingen, eponiemen, woordcombinaties met een functiewoord erin en purismen. Na de woordenlijst zijn nog enkele pagina’s met ‘Oneliners en wisecracks’ te vinden. Het geheel wordt voorafgegaan door een korte, maar heldere inleiding van Wim Daniëls. (DM)

Trefw.: Ronald Giphart; neologismen
Prijs: euro 10,-
http://taalunieversum.org/cultuur/bibliografische_attenderingsl>Bad en het mooie was: het was af. Het plot betrof een lesbisch getinte one-location-roadmovie over twee meisjes die in een hotelkamer vieren dat een van hen de dag daarna gaat trouwen. We hadden al een genoemde doorloop met de actrices Katja Schuurman en Tara Elders gehad, naar ik begreep was er een decoupage gemaakt (het uitwerken van het script naar verschillende shots) en alle draaidagen waren gepland. In januari zou de film in ik geloof tien dagen worden opgenomen. Nu ja, en toen kwam er onverhoeds streng-islamitische inmenging, en van die klap is het project nog niet bekomen. Er zijn wel wat ideeen over hoe het nu verder zou kunnen (andere regisseur, verder zonder regisseur, buitenlandse regisseur, film definitief afblazen), maar veel haast om iets te besluiten is er niet. Wordt vervolgd.

Ha Bart,
Dat weet ik nu nog niet. Waarschijnlijk ga ik een dezer dagen eens langs op de set en wellicht dat ik in een later stadium wat meer bij de productie betrokken raak. Ik maak me overigens – net als jij – geen enkele zorgen, integendeel zelfs. Ik vind Willem een van onze beste regisseurs en het vervult mij met gloeiende trots dat hij mijn boek wil verfilmen.

Groet!
PS van technische aard: waarom schrijf je ‘van’ en ‘Sande Bakhuizen’ vet?

Bart: Ronald, Reactie op bericht van technische aard: ik heb de naam even geknipt en geplakt van een andere website: voor je weet spel ik het verkeerd en dat kun je die man niet aandoen, die verdient namelijk alle lof!
Dank Ronald, voor een week vol antwoorden op onze prangende vragen. We weten in ieder geval dat Giph als personage niet dood is, dat er nieuwe films te verwachten zijn en dat Troost een gelouterd man is aan het eind van zijn boek en veel meer.

Dank aan de leden die hun vragen en kennis wilden delen. Wie op de hoogte wil blijven van alle uitgaven en nieuws (bijvoorbeeld over de film IOJMDA) rond Ronald Giphart die bezoekt gewoon zijn site.

Ha literairnederlanders&vlamingen,Maandagmorgen, kwart over negen. De kinderen naar school. Mijn bureau min of meer leeg. Leeg ook mijn gemoed. Wat heeft het leven nog voor zin nu dit literaire interview is afgelopen… Vanuit mijn raam zie ik een Naturausgang: dropkleurige wolken trekken voor de zon, wind ritselt de bomen. Zo dadelijk gaat het regenen. Ik ga een kopje koffie zetten. De leegte, daar vertellen ze je vooraf niets over bij Literairnederland, de leegte na zo’n interview.

Het was mij een genoegen!
Met vriendelijke groet,

Ronald Giphart

Recent

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

19 november 2007

Net niet spannend genoeg
Door Fatima Bajja

Het lijkt alsof Sylvia Houweling alles heeft wat haar hartje begeert. Ze is getrouwd met Eddie Kronenburg, heeft twee kinderen en woont in een prachtig huis in Amsterdam-Zuid. Toch is het allemaal niet zo mooi als het lijkt. Eddie werkt namelijk in de onderwereld, hij is verantwoordelijk voor het transport van drugs.

Lees meer