10 juli 2008

Interview Philip Hoorne

Vanaf vanavond, woensdag 23 juni 2004, was Philip Hoorne (Kortrijk, 1964) een week te gast in onze interviewrubriek. Hoorne is een tamelijk actief en productief dichter: in november 2002 debuteerde hij met de bundel Niets met jou als eerste debutant in de Sandwichreeks van Uitgeverij 521 en toenmalig Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij (zie www.uitgeverij521.nl/boek.asp?id=61) en sindsdien was hij op talloze poëziepodia en in meerdere literaire tijdschriften en bloemlezingen te vinden. In 2003 werd hij genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs en stelde hij de bloemlezing Antwerpen, de stad in gedichten samen (een stuk daarover vindt u in het archief van onze afdeling ‘Boek van de Week’). En nu, in 2004, is zijn tweede bundel verschenen: Inbreng Nihil.

Moderator:Thomas Mohlmann.

 

Wel, Philip, welkom.

Om een beetje in te komen maar vast een paar simpele vragen:

1) Ontbreekt er naar jouw smaak iets aan mijn opsomminkje van hierboven?

2) Je debuteerde relatief laat: heb je lang naar een eigen vorm en toon moeten zoeken, ontbrak het eerder aan belangstelling van uitgevers, had je simpelweg te veel anders te doen of is er nog een andere reden?

3) Vanaf je debuutbundel heb je redelijk wat reacties van recensenten gehad. Welke opmerking over je werk heeft je vooralsnog het meest (ten positieve of negatieve) getroffen?

Dag Thomas en alle bezoekers van Literair Nederland. Ik zal proberen kort te antwoorden op deze eerste vragen.

1) De opsomming is tamelijk volledig. Wat misschien ontbreekt in jouw beschrijving, is dat er drie gedichten van mij in de dikke Komrij staan, dat beschouw ik toch wel als een erkenning van mijn dichterschap. Verder hoop ik na de goede kritieken op mijn tweede bundel nog meer gevraagd te worden voor poëziepodia in Nederland en Vlaanderen, want mijn gedichten lenen zich uitstekend om voorgelezen te worden.

2) Ik ben een laatbloeier. Plots gulpte de poëzie uit mij als water uit een fontein. Mijn gedichten werden snel opgenomen in bepaalde literaire tijdschriften en zo kwam ik via het inmiddels ter ziele gegane Nymph bij Uitgeverij 521 terecht. Niettegenstaande ik een laatbloeier ben, heb ik in enkele jaren bereikt waar andere dichters tien of twintig jaar over doen. Dat het me nogal voor de wind gaat, is allicht een beloning voor mijn passionele gedrevenheid. Ik wil hierbij de kanttekening maken dat ik mezelf nog altijd als een prille debutant zie. Er zijn nog een massa tijdschriften en podia die ik moet veroveren. Ik ben niet snel tevreden, het moet altijd meer en beter, de lat moet steeds hoger. Ik ben een perfectionist en heel ernstig met dit vak bezig.

3) De aanhef van de recensie van Peter de Boer in Trouw onlangs vond ik bijzonder treffend. Hij noemt mij een atypisch Vlaams dichter en dat is ook zo. Nog in die recensie schrijft hij dat ik traditioneel dichter ben die poëzie schrijft vanuit een moderne invalshoek. Ook dat klopt.

Het is waar dat mijn gedichten door recensenten en publiek bejubeld worden. Ik vind het enig.

Bezoeker: Deze dichter houdt wel erg van zichzelf.

 

Mocht ik niet van mijn eigen gedichten houden, dan zou ik andere schrijven. Ik zal nooit een gedicht in een bundel opnemen waar ik niet 100% achter sta.

Ik koop liever een brood bij een bakker die schreeuwt dat hij het beste brood van de hele stad verkoopt dan een die zegt dat zijn baksels niet goed, niet slecht, maar middelmatig zijn. Tegen zo’n laatste zou ik dan zeggen: man, doe er dan iets aan.

Meteen wil ik ook alles wat ik zeg en schrijf onderuit halen door te stellen dat een boek een druppel water is in de oceaan. Zonder die druppel blijft de oceaan de oceaan, niemand die een druppel mist, maar neem alle druppels weg en weg is onze planeet of toch het leven op onze planeet, zo is het toch? 

 

Coen: Dag Philip, Je begon met gedichten die nogal licht van toon waren. Volgens mij schrijf je nu wat ernstiger gedichten. Kortom: is er al een ontwikkeling in die korte carrière van jou te bespeuren – inhoudelijk en qua vorm.  

 

Dag Coen,

 

Het nummer van Tzum waarin ooit mijn eerste publicatie verscheen, koester ik heel erg, dat is waar. Dat het sindsdien niet meer lukte om in Tzum te komen, was – ik geloof twee keer – mijn eigen schuld, omdat jullie redactie een gedicht koos dat ongeveer op hetzelfde tijdstip ergens anders verscheen. Stom stom stom en spijtig, maar ik heb geleerd geen gedichten meer aan te bieden aan Nederlandse tijdschriften die ik ook elders aanbood. In Vlaanderen doet men daar niet moeilijk over.

 

‘Niets met jou’ was een nogal ernstige bundel, terwijl ik in die tijd toch ook vaak grappig werk liet verschijnen in Tzum bijvoorbeeld en meer nog in De Brakke Hond. ‘Inbreng nihil’ is lichter van toon. Het gedicht ‘Banalen’ dat in het voorjaar van 2001 in Tzum verscheen, staat nu in mijn tweede bundel. Ik bedoel dat je ‘Niets met jou’ en ‘Inbreng nihil’ niet mag zien als twee afzonderlijke periodes. Natuurlijk bevat de laatste bundel recenter werk, maar ook gedichten die al bestonden toen mijn eersteling uitkwam. Het loopt een beetje door elkaar. Wat je zegt klopt dus niet helemaal. Ik schrijf heel uiteenlopende dingen en stop in mijn werk tegenstrijdige elementen: ernst en luim, liefde en haat, ingetogenheid en gekte.

 

Ik ben van mening dat een mens een amalgaam is van allerlei gevoelens en karaktereigenschappen, die vaak aan elkaar tegenstrijdig zijn, iemand kan een lieve knuffelbeer maar ook een cynische klootzak zijn. Met ‘kan’ bedoel ik dat het zo is, bij de ene weegt het ene element wat zwaarder door dan het andere. Daarover gaat mijn gedicht ‘Mij, mezelf en ik’ in ‘Niets met jou’. Ik haat etiketten: die is zus, die is zo, zo werkt het niet. Alles en iedereen is grijs, hoezeer mensen het ook verafschuwen om een grijze muis genoemd te worden.

 

‘Inbreng nihil’ bestaat uit twee cycli: de eerste gaat over mijn mens- en wereldbeeld, de tweede bevat liefdes- en relatiegedichten, als ik het even simplistisch mag uitdrukken. De bundel vormt een eenheid en bevat toch 36 verschillende gedichten, elk gedicht is anders. Er zijn dichters die hun hele leven een variant op hetzelfde gedicht schrijven. Dat zal men mij alvast nooit kunnen verwijten.

 

Ik hoop ooit een echte light verse bundel te publiceren, à la Weemoedt of Marc van Biezen.

 

Wat de vorm betreft, blijf ik een klassiek dichter. Een gedicht moet op één paginaatje kunnen. Omdat ik enkele langere gedichten had, heb ik gewoon aan mijn uitgever gevraagd om een iets groter formaat voor ‘Inbreng nihil’, haha. Neen, serieus, het formaat – ik wil daar eerlijk in zijn – is afgekeken van ‘Het ging over rozen’ van de door mij bewonderde Ingmar Heytze. Leg de boekjes op elkaar, ze zijn even groot, de ideale grootte voor een bundel.

 

Ik hou niet zo van gedichten die alsmaar doorgaan en doorgaan. Liever een doos vol heerlijke pralines dan één grote chocoladeklomp waar ik mijn tanden niet in kan zetten.

 

Coen: Dag Philip,

Je noemt Nederlandse dichters als voorbeeld. Je publiceert bij een Nederlandse uitgever. Je krijgt ook hier voornamelijk kritiek. Of vergis ik mij. Kortom: hoe was de ontvangst van je bundel in Vlaanderen en bestaat er eigenlijk een verschil tussen Vlaamse dichters die bij Nederlandse en Vlaamse dichters die bij Vlaamse uitgevers publiceren. Van die laatste categorie horen wij weinig, maar is dat andersom ook zo?

Beste Coen,

Nu moet ik even opletten dat ik geen dingen zeg die ik wel wil zeggen maar beter niet zeg, of … ach, wat dondert het, laat ons een koe niet zoogdier met vier magen noemen, maar gewoon een koe. Vlaanderen is op het vlak van poëzieuitgaven de woestijn. Ik heb het dan vooral over distributie. Het is voor mij heel belangrijk dat mijn bundel in Kortrijk in de boekhandel ligt, maar ook in Venlo en Groningen. 521 distribueert zijn boeken prima. De meest befaamde poëzieuitgever momenteel in Vlaanderen is Uitgeverij P. De dichter moet zijn boekjes zelf grotendeels aan de man brengen. Ik heb heel veel respect voor iedereen die dé poëzie dient, maar helaas blijven Vlamingen nogal eens hangen in hun typisch Vlaamse kneuterigheid, tante en nonkel kopen een boekje en een mens moet dan maar hopen dat hij een grote familie heeft. Tja, zo haal je de dikke Komrij niet natuurlijk. Als ik dat vergelijk met het ondernemerschap en de branie van mijn uitgevers Harold en Arjan, dan mag ik mij gelukkig prijzen met 521, dat nota bene nog een enorme groeimarge heeft volgens mij.

 

Wat is het verschil tussen Vlaamse dichters bij een Nederlandse en bij een Vlaamse uitgeverij. Simpel, de eerste ken je, de tweede kan je niet kennen. Marc Tritsmans is één van de beste Vlaamse dichters. Hij heeft 6 of 7 bundels bij Lannoo, een grote en degelijke uitgeverij, waarvoor poëzie helaas maar een randactiviteit is. Stel dat Tritsmans bij een grote Nederlandse uitgever zat, dan had hij nu de uitstraling van bijvoorbeeld een Nolens. Nu zijn er nog altijd poëzieliefhebbers die de man niet kennen. Na zoveel bundels, kun je je dat voorstellen?

 

De kritiek in Vlaanderen is natuurlijk geringer dan in Nederland, maar ik mag niet klagen. Er stond een gedicht met korte biografie in De Standaard der Letteren en Jozef Deleu schreef iets in het veelgelezen gezinsblad De Bond. Binnenkort word ik geïnterviewd voor Poëziekrant. Ik hoop dat kwaliteitskranten of -bladen als De Morgen, Knack en Humo, om maar die te noemen, ook nog iets doen.

 

Andersom zijn er nog altijd een pak literatuurliefhebbers in Vlaanderen die niet weten wie Menno Wigman of Ingmar Heytze is. Ik heb de openbare bibliotheken waar ik lid ben aangespoord bundels aan te schaffen van de ‘nieuwe’ Nederlandse dichters. Ik ben een beetje een poëziemissionaris, ha, ambassadeur van de Nederlandse kwaliteitsdichters in Zuid-West-Vlaanderen, als dat geen mooie titel is.

 

Thomas: Ha ambassadeur, wat versta je eigenlijk onder de ‘nieuwe’ Nederlandse dichters? Dus niet alleen: wie zijn dat dan naar jou idee, maar ook: wat meen jij dat er behalve in naam en publiceerdata verschilt aan de meest moderne / nieuwe dichters? Zijn er volgens jou op dat gebied algemeenheden te formuleren dus, en zo ja, hoe verhoudt jouw eigen werk zich daartoe? (Los van, of ten minste uitbreidend op, wat je al eerder citeerde m.b.t. het traditionele en moderne in je gedichten.)

Coen: Philip,

Misschien wat veelgevraagd, maar zou je misschien 1 gedicht hier kunnen opnemen, opdat de lezers weten met wie ze te maken hebben?

http://www.epibreren.com/rs/hoorne.html

 

Ik begrijp de vraag niet zo goed. Ik probeer zoveel mogelijk recente bundels te lezen (en te recenseren), zowel van Nederlandse als van Vlaamse dichters, maar dat lukt me niet altijd natuurlijk. Daarbij gaat mijn interesse vooral uit naar nieuwelingen. Waarom gaat Meulenhoff scheep met Joep Kuiper? Waarom wint Maria Barnas de Buddingh’-prijs? Ik weet hoe moeilijk je als debutant (Barnas had wel al twee romans) een respectabele uitgever vindt. Als ik het een sterke bundel vind, begrijp ik sowieso waarom iemand bij deze of gene uitgeverij terechtkomt. Als ik het maar niks vind, dan intrigeert het mij waarom ik niet van die gedichten hou en waarom die bundel dan toch verschijnt bij een grote uitgeverij. Wat scheelt er toch met mij dat ik niet van die hermetische braakpoëzie van Joep Kuiper hou, denk ik dan. Een alternatieve vraag zou kunnen zijn: welke onnozelaar bij Meulenhoff heeft hiervoor groen licht gegeven?

 

(Overigens werkt Meulenhoff met een schitterende vormgever, nl. Office of CC uit Amsterdam. In het voorplat van ‘Monarchieën’, maar ook van ‘Boze wolven’ van Erik Spinoy zit er telkens een leuk aardigheidje verwerkt. De beste vormgever van de Lage Landen blijft evenwel Arjan Weenink, of wat had je gedacht?)

 

Shit, ben ik niet te openhartig? Ik kan een transfer naar Meulenhoff nu wel op mijn buik schrijven zeker? Grapje, jongens!

 

Ik heb maar half op de vraag geantwoord, merk ik. Mijn plaats? Wel, neem een portie Wigman, twee scheutjes Heytze, een snuifje Rawie, een handvol Kopland, enkele korreltjes Gruwez en Van hee, een weinig van Gogh en een gemarineerde de Coninck. Overgiet het geheel met een sausje gemaakt van alle andere dichters waar ik van hou (vele vele tientallen!!), voeg daar nog iets onbestemds aan toe (geheim van de kok) en je hebt een Hoorne-gedicht. 

 

Ik ga slapen. Zopas heeft Portugal Engeland uitgeschakeld na strafschoppen. Na met de hakken over de sloot te zijn geraakt, is Nederland nu mijn favoriet om Europees kampioen te worden.

 

Sinds enkele maanden heb ik een weblog http://philiphoorne.skynetblogs.be. Af en toe plaats ik er een leuk stukje.

 

Publiekelijk aan literatuur doen, is een beetje een spel. Je hebt het papieren leven en het echte leven. Als iemand mijn poëzie niet lust en daar een nare bespreking over schrijft, dan kan ik perfect met die kerel ooit eens een pint pakken als het zo uitkomt.

 

Als ik prozastukjes schrijf, voor mijn weblog of recensies, betrap ik mezelf erop dat ik nogal graag de hautaine en arrogante zak speel, terwijl ik in werkelijkheid helemaal zo niet ben, integendeel, dat lees je in bepaalde van mijn gedichten. Raar is dat. Blijkbaar heeft het jarenlang verslinden van Brusselmans-boeken zijn sporen nagelaten. Weinig Nederlandstalige schrijvers hebben in mooiere bewoordingen over de liefde geschreven dan Herman Brusselmans als hij het heeft over zijn moeder, zijn vrouw, zijn hond. Toch vinden velen hem een platvloerse viezerik. Wie met verstarde blik kijkt, zal nooit echt goed zien. Wie de zwijnenstal niet durft binnen te gaan, zal de parels die de ene of andere onverlaat daar gegooid heeft niet vinden.

 

Hiermee reageer ik even op de opmerkingen van ene Vebe. Bedankt Coen en Thomas voor de vragen. Ik hoop dat er in de loop van de komende dagen nog wat andere bezoekers langskomen. Ik vind dit eigenlijk best leuk. Als ik op mijn klavier kan tokkelen voel ik me in mijn sas. Soms komen er dan wel eens dingen uit waarvan ik zeg: “Hoorne, slow down, af!” maar die laat ik dan gewoon staan. Dit is de Europese Grondwet niet die we aan het schrijven zijn, gewoon een ordinair interview, toch. 

 

Vanuit het verre Wevelgem, slaapwel aan Literair Nederland.

 

Thomas: Philip, (met excuses voor het haastige ‘jou idee’ i.p.v. ‘jouw idee’) wat ik hoopte met mijn vraag van je te horen, was dus juist niet alleen een paar dichtersnamen waarmee je al dan niet wat hebt, maar of je behalve ‘onlangs verschenen’ of ‘net gedebuteerd’ nog iets anders verstaat onder de nieuwe Nederlandse dichters waar je van rept. (Bijvoorbeeld met betrekking tot de poëzie die zeg in de laatste 10-15 jaar in Nederland en Vlaanderen verschijnt, of je daar verschuivingen in stijl/ thematische focus/ ingenomen perspectief o.i.d. in signaleert die in de evidente veelzijdigheid en diversiteit van het huidige poëzielandschap toch lijken te wijzen op een zekere algemene (nieuwe) ontwikkeling of tendens.) En vervolgens, zo ja, of je enige idee hebt hoe jouw eigen werk zich daartoe verhoudt.

 

Een nieuwe vraag: als zoals je zegt het verschijnen van een debuut als dat van Joep Kuiper (waar ik zelf overigens een stuk enthousiaster over ben dan jij blijkbaar) je werkelijk interesseert of verbaast, ben je dan niet geneigd er méér gedachten aan te wijden dan het soort van ‘ben ik nou zo slim of zijn jullie nou zo dom’ (welke voetbalcoach citeer ik hier nou ook al weer?) dat je beschrijft?

 

Philip, ook jij welterusten, ben benieuwd naar je antwoorden van morgen op mijn zo net hergeformuleerde en nieuwe vragen.

 

Philip: Ik verneem graag van jou waarom je enthousiast bent over de bundel van Kuiper, maar liefst in een e-mail, die kerel heeft hier al genoeg publiciteit meegepikt. Ik ben altijd bereid bij te leren. De criteria die ik hanteer om van poëzie te houden zijn ‘is het mooi?’, dat vooral, ‘wil ik het gedicht opnieuw en opnieuw lezen?’, ‘raakt het mij?’

 

In die optiek interesseren stromingen en tendensen mij niet. Stel die eerste vraag maar aan de een of andere professor van de UvA, die kan daar beter op antwoorden. Wel wil ik dit zeggen. Schrijven is schrappen, wordt er vaak beweerd, zeker voor wat poëzie betreft. Glanzende kiemcel, weetjewel. Maar wat doe ik dan met de laatste, nota bene prima bundel van Wouter Godijn? Heel brede poëzie die volledig indruist tegen het ‘minimale’ wat poëzie zou moeten zijn. Opvallend rijm is out, maar ik meen dat er in de eerste van Ruben van Gogh nogal wat afgerijmd wordt, en ook dat vind ik mooie poëzie.

 

Wie zijn die kerels die zeggen hoe poëzie hoort te zijn, die jury’s en Fondsen bevolken? Weten ze het zelf wel? Soms heb ik de indruk dat als twee poëzie-watchers roepen dat ze iets goed vinden ze opeens door een koor van naäpers worden … euh … nageaapt. Heb je ooit al iemand horen beweren dat hij niet houdt van Claus of Lucebert of Faverey? Neen, dat mag niet van de poëziepolitie. 

 

Poëzie schrijven is zo ontzettend moeilijk omdat er heel wat regels zijn, maar de meeste daarvan ongeschreven. Als dichter moet je gewoon de kunde hebben om zelf aan te voelen of iets goed is of niet. Veel poëzie lezen en over poëzie lezen helpt wel, net zoals een ruime woordenschat en fingerspitzengefühl, dat onbestemde dat je hebt of niet hebt.

 

Het is moeilijk om mijn plaats aan te duiden in het huidige poëziebestel. Ik kan dat niet en het interesseert mij ook niet. Geen etiketten, antwoordde ik op een andere vraag, remember. Etiketten zijn uitvindingen van academici die het allemaal wat moeten ordenen voor in hun handboeken. Ik wil helemaal niet tot een stroming behoren. Peter de Boer noemt mij een postmodernist, nou goed, dan ben ik een postmodernist, klinkt lekker.

 

Grafschrift:

 

Hier ligt Philip Hoorne,

dierenliefhebber en postmodernist.

Speciaal voor zijn vrienden, de wormen,

rust hij in een bijzonder smakelijke kist.

 

Ronald:  Hoe belangrijk is imago voor je, en zou je als persoon beroemd willen zijn of is je werk belangrijker?

Thomas: Waarom ik Kuipers debuutbundel weldegelijk interessant en sterk vind, hoor je inderdaad nog wel eens buiten dit interview van me, herinner me daar desnoods nog maar eens aan. Over de ‘nieuwe’ dichters zal ik nu even niet doorvragen, maar in plaats daarvan:

 

Ik hou niet zo van gedichten die alsmaar doorgaan en doorgaan. Liever een doos vol heerlijke pralines dan één grote chocoladeklomp waar ik mijn tanden niet in kan zetten.

 

Coen: Dag Philip,

Je noemt Nederlandse dichters als voorbeeld. Je publiceert bij een Nederlandse uitgever. Je krijgt ook hier voornamelijk kritiek. Of vergis ik mij. Kortom: hoe was de ontvangst van je bundel in Vlaanderen en bestaat er eigenlijk een verschil tussen Vlaamse dichters die bij Nederlandse en Vlaamse dichters die bij Vlaamse uitgevers publiceren. Van die laatste categorie horen wij weinig, maar is dat andersom ook zo?

Beste Coen,

Nu moet ik even opletten dat ik geen dingen zeg die ik wel wil zeggen maar beter niet zeg, of … ach, wat dondert het, laat ons een koe niet zoogdier met vier magen noemen, maar gewoon een koe. Vlaanderen is op het vlak van poëzieuitgaven de woestijn. Ik heb het dan vooral over distributie. Het is voor mij heel belangrijk dat mijn bundel in Kortrijk in de boekhandel ligt, maar ook in Venlo en Groningen. 521 distribueert zijn boeken prima. De meest befaamde poëzieuitgever momenteel in Vlaanderen is Uitgeverij P. De dichter moet zijn boekjes zelf grotendeels aan de man brengen. Ik heb heel veel respect voor iedereen die dé poëzie dient, maar helaas blijven Vlamingen nogal eens hangen in hun typisch Vlaamse kneuterigheid, tante en nonkel kopen een boek heb precies een bloedhekel aan mensen die zichzelf te au sérieux nemen of die menen dat ze een hele pief zijn. Dan denk ik wel eens: ja, als je straks de straat oversteekt en de naderende vrachtwagen niet ziet, dan ben je geen hele pief maar een gesmeerde pief. Het kan zo over zijn, voor elk van ons, hou maar je bek. Maar zelf doe ik het dus niet, dat is weer zo een van die tegenstellingen waar ik zo dol op ben. Ik verafschuw dingen die ik zelf doe.

 

Imago is voor mij niet belangrijk, ik heb er ook geen, daar ben ik nog te onbekend voor. Doordat ik heel ernstig met het schrijven bezig ben, wil ik wel opgemerkt en besproken worden en daarvoor kies ik soms onbewust een Pfeijfferiaanse methode: shockeren. Ik meen van mezelf dat ik best leuk kan schrijven, naast poëzie ook (voorlopig kort) proza. Ik zou best een column willen hebben in een kwaliteitskrant of belangrijk tijdschrift, maar ja, wie niet? Mijn weblog dient een beetje als openbaar oefenschrift. Stilletjes hoop ik dat de een of andere hoofdredacteur het fantastisch vindt wat ik daar schrijf, en dan heb ik het meer over stijl dan over inhoud, en mij opbelt: hé, Philip, ik heb een leuk baantje voor jou.

 

Ik wil schrijven en publiceren: mooie gedichten, prachtige teksten. Meer wil ik echt niet.

 

Iedereen weet in welke omstandigheden ik mijn gerecenseer voor DeRecensent heb opgegeven, een vrolijke recensie had ik van hen dan ook niet verwacht. Ik hecht meer belang aan al het moois dat Peter de Boer en Jozef Deleu over ‘Inbreng nihil’ schreven.

 

Toch neem ik alle kritiek zeer ter harte en vooral goedbedoelde aanmerkingen interesseren mij. Ik kan de recensent van DeRecensent geruststellen, ik weet perfect wat de achillespees in mijn poëzie is, ietwat te veel anekdotiek soms, en ik ben bereid eraan te werken zonder mijn eigen stijl te verloochenen. Heytze heeft dat ook, het anekdotische, maar Heytze is Heytze en Heytze is in zijn beste versregels en in zijn schitterendste vondsten werkelijk subliem. Dan zie je al eens een minder gedicht door de vingers. Trouwens, geen enkele dichter schrijft alleen maar ijzersterke gedichten. Zoals velen weten hou ik enorm veel van Kopland, maar van Koplands verzameld werk mag er voor mijn part ook een aantal pagina’s de papierversnipperaar in. Toch blijft hij één van mijn lievelingsdichters, misschien omdat het percentage minder materiaal geringer is dan bij heel wat anderen.

 

Een anekdotisch gedicht kan ook subliem zijn. Er zijn critici die sowieso dat soort poëzie verwerpen, de Komrij-haters als het ware, maar dat vind ik jammer. Net zoals ik misschien eens de moeite moet doen om te genieten van hermetische dichters moeten zij het waardevolle in anekdotische gedichten leren waarderen.

 

Poëzie is schoonschrijverij: een mooie regel, nog één, dan nog één, enzovoort. Hoeveel vragen er in een bundel zitten en hoeveel antwoorden is daaraan ondergeschikt.

 

Edwin: Die reactie is iets te gemakkelijk, Philip. Te denken dat een kritische recensie op De Recensent uit persoonlijke wrok is geschreven (alsof iedereen daar met haatgevoelens jegens de dichter Philip Hoorne rondloopt) is te simpel (bijna griezelig simpel, je laat je verleiden tot het denken in hokjes) en je ontslaat jezelf van het werkelijk nadenken over je poëzie. Nogmaals, want in de recensie staat het ook, het probleem aan je poëzie is wat mij betreft niet de ankedotiek (ik hou ook van Heytze), maar het gegeven dat er te weinig mee gedaan wordt: het wil in veel gedichten geen poëzie worden. Niet omdat de ideeën slecht zijn, maar omdat die niet ten volle worden benut. Tenslotte is ook de stelling ‘poëzie is schoonschrijverij’ mij te gemakkelijk; poëzie is wel meer ad je gedacht?)

 

Shit, ben ik niet te openhartig? Ik kan een transfer naar Meulenhoff nu wel op mijn buik schrijven zeker? Grapje, jongens!

 

Ik heb maar half op de vraag geantwoord, merk ik. Mijn plaats? Wel, neem een portie Wigman, twee scheutjes Heytze, een snuifje Rawie, een handvol Kopland, enkele korreltjes Gruwez en Van hee, een weinig van Gogh en een gemarineerde de Coninck. Overgiet het geheel met een sausje gemaakt van alle andere dichters waar ik van hou (vele vele tientallen!!), voeg daar nog iets onbestemds aan toe (geheim van de kok) en je hebt een Hoorne-gedicht. 

 

Ik ga slapen. Zopas heeft Portugal Engeland uitgeschakeld na strafschoppen. Na met de hakken over de sloot te zijn geraakt, is Nederland nu mijn favoriet om Europees kampioen te worden.

 

Sinds enkele maanden heb ik een weblog http://philiphoorne.skynetblogs.be. Af en toe plaats ik er een leuk stukje.

 

Publiekelijk aan literatuur doen, is een beetje een spel. Je hebt het papieren leven en het echte leven. Als iemand mijn poëzie niet lust en daar een nare bespreking over schrijft, dan kan ik perfect met die kerel ooit eens een pint pakken als het zo uitkomt.

 

Als ik prozastukjes schrijf, voor mijn weblog of recensies, betrap ik mezelf erop dat ik nogal graag de hautaine en arrogante zak speel, terwijl ik in werkelijkheid helemaal zo niet ben, integendeel, dat lees je in bepaalde van mijn gedichten. Raar is dat. Blijkbaar heeft het jarenlang verslinden van Brusselmans-boeken zijn sporen nagelaten. Weinig Nederlandstalige schrijvers hebben in mooiere bewoordingen over de liefde geschreven dan Herman Brusselmans als hij het heeft over zijn moeder, zijn vrouw, zijn hond. Toch vinden velen hem een platvloerse viezerik. Wie met verstarde blik kijkt, zal nooit echt goed zien. Wie de zwijnenstal niet durft binnen te gaan, zal de parels die de ene of andere onverlaat daar gegooid heeft niet vinden.

 

Hiermee reageer ik even op de opmerkingen van ene Vebe. Bedankt Coen en Thomas voor de vragen. Ik hoop dat er in de loop van de komende dagen nog wat andere bezoekers langskomen. Ik vind dit eigenlijk best leuk. Als ik op mijn klavier kan tokkelen voel ik me in mijn sas. Soms komen er dan wel eens dingen uit waarvan ik zeg: “Hoorne, slow down, af!” maar die laat ik dan gewoon staan. Dit is de Europese Grondwet niet die we aan het schrijven zijn, gewoon een ordinair interview, toch. 

 

Vanuit het verre Wevelgem, slaapwel aan Literair Nederland.

 

Thomas: Philip, (met excuses voor het haastige ‘jou idee’ i.p.v. ‘jouw idee’) wat ik hoopte met mijn vraag van je te horen, was dus juist niet alleen een paar dichtersnamen waarmee je al dan niet wat hebt, maar of je behalve ‘onlangs verschenen’ of ‘net gedebuteerd’ nog iets anders verstaat onder de nieuwe Nederlandse dichters waar je van rept. (Bijvoorbeeld met betrekking tot de poëzie die zeg in de laatste 10-15 jaar in Nederland en Vlaanderen verschijnt, of je daar verschuivingen in stijl/ thematische focus/ ingenomen perspectief o.i.d. in signaleert die in de evidente veelzijdigheid en diversiteit van het huidige poëzielandschap toch lijken te wijzen op een zekere algemene (nieuwe) ontwikkeling of tendens.) En vervolgens, zo ja, of je enige idee hebt hoe jouw eigen werk zich daartoe verhoudt.

 

Een nieuwe vraag: als zoals je zegt het verschijnen van een debuut als dat van Joep Kuiper (waar ik zelf overigens een stuk enthousiaster over ben dan jij blijkbaar) je werkelijk interesseert of verbaast, ben je dan niet geneigd er méér gedachten aan te wijden dan het soort van ‘ben ik nou zo slim of zijn jullie nou zo dom’ (welke voetbalcoach citeer ik hier nou ook al weer?) dat je beschrijft?

 

Philip, ook jij welterusten, ben benieuwd naar je antwoorden van morgen op mijn zo net hergeformuleerde en nieuwe vragen.

 

Philip: Ik verneem graag van jou waarom je enthousiast bent over de bundel van Kuiper, maar liefst in een e-mail, die kerel heeft hier al genoeg publiciteit meegepikt. Ik ben altijd bereid bij te leren. De criteria die ik hanteer om van poëzie te houden zijn ‘is het mooi?’, dat vooral, ‘wil ik het gedicht opnieuw en opnieuw lezen?’, ‘raakt het mij?’

 

In die optiek interesseren stromingen en tendensen mij niet. Stel die eerste vraag maar aan de een of andere professor van de UvA, die kan daar beter op antwoorden. Wel wil ik dit zeggen. Schrijven is schrappen, wordt er vaak beweerd, zeker voor wat poëzie betreft. Glanzende kiemcel, weetjewel. Maar wat doe ik dan met de laatste, nota bene prima bundel van Wouter Godijn? Heel brede poëzie die volledig indruist tegen het ‘minimale’ wat poëzie zou moeten zijn. Opvallend rijm is out, maar ik meen dat er in de eerste van Ruben van Gogh nogal wat afgerijmd wordt, en ook dat vind ik mooie poëzie.

 

Wie zijn die kerels die zeggen hoe poëzie hoort te zijn, die jury’s en Fondsen bevolken? Weten ze het zelf wel? Soms heb ik de indruk dat als twee poëzie-watchers roepen dat ze iets goed vinden ze opeens door een koor van naäpers worden … euh … nageaapt. Heb je ooit al iemand horen beweren dat hij niet houdt van Claus of Lucebert of Faverey? Neen, dat mag niet van de poëziepolitie. 

 

Poëzie schrijven is zo ontzettend moeilijk omdat er heel wat regels zijn, maar de meeste daarvan ongeschreven. Als dichter moet je gewoon de kunde hebben om zelf aan te voelen of iets goed is of niet. Veel poëzie lezen en over poëzie lezen helpt wel, net zoals een ruime woordenschat en fingerspitzengefühl, dat onbestemde dat je hebt of niet hebt.

 

Het is moeilijk om mijn plaats aan te duiden in het huidige poëziebestel. Ik kan dat niet en het interesseert mij ook niet. Geen etiketten, antwoordde ik op een andere vraag, remember. Etiketten zijn uitvindingen van academici die het allemaal wat moeten ordenen voor in hun handboeken. Ik wil helemaal niet tot een stroming behoren. Peter de Boer noemt mij een postmodernist, nou goed, dan ben ik een postmodernist, klinkt lekker.

 

Grafschrift:

 

Hier ligt Philip Hoorne,

dierenliefhebber en postmodernist.

Speciaal voor zijn vrienden, de wormen,

rust hij in een bijzonder smakelijke kist.

 

Ronald:  Hoe belangrijk is imago voor je, en zou je als persoon beroemd willen zijn of is je werk belangrijker?

Thomas: Waarom ik Kuipers debuutbundel weldegelijk interessant en sterk vind, hoor je inderdaad nog wel eens buiten dit interview van me, herinner me daar desnoods nog maar eens aan. Over de ‘nieuwe’ dichters zal ik nu even niet doorvragen, maar in plaats daarvan:

 

Ik hou niet zo van gedichten die alsmaar doorgaan en doorgaan. Liever een doos vol heerlijke pralines dan één grote chocoladeklomp waar ik mijn tanden niet in kan zetten.

 

Coen: Dag Philip,

Je noemt Nederlandse dichters als voorbeeld. Je publiceert bij een Nederlandse uitgever. Je krijgt ook hier voornamelijk kritiek. Of vergis ik mij. Kortom: hoe was de ontvangst van je bundel in Vlaanderen en bestaat er eigenlijk een verschil tussen Vlaamse dichters die bij Nederlandse en Vlaamse dichters die bij Vlaamse uitgevers publiceren. Van die laatste categorie horen wij weinig, maar is dat andersom ook zo?

Beste Coen,

 

Na de samenstelling van ‘Niets met jou’ had ik nog een aantal sterke gedichten over. Dat kwam omdat de bundels in de Sandwich-reeks maar 48 pagina’s mogen tellen. Ik had dus al een aanzetje. Een 7-tal gedichten die in ‘Inbreng nihil’ staan, dateren uit de ‘Niets met jou’-periode.

 

Ik ben heel intens met het schrijven van poëzie bezig. Soms schrijf ik twee weken niks omdat het me gewoonweg niet lukt, maar als ik in een productieve bui ben, kan ik in korte tijd heel wat bij elkaar schrijven. Meestal werk ik dan aan een viertal gedichten tezelfdertijd. Mijn manier van werken bestaat erin dat ik die gedichten dan enorm vaak opnieuw bekijk en er steeds dingen aan wijzig tot het helemaal goed zit. Het klopt dus niet dat ik overhaast schrijf. Natuurlijk, je kan een gedicht 100 maal herbekijken en beter maken, en je kan dat ook 500 maal doen, maar er is een moment dat je moet beslissen het gedicht te aanvaarden. Aanvaarden betekent dat ik het gepubliceerd wil zien in boekvorm, dat ik dat 100% zeker weet. Als mijn uitgever en redacteur het ook prima vinden, dan zit het goed. Een zeldzame keer ga ik tegen hun advies in, als ik echt in de kracht van een gedicht geloof. Een voorbeeld: ‘Mijn eerste dag in hel’ vonden Harold, mijn uitgever, en Martien, mijn redacteur, niet zo sterk. Ik wilde er koppig geen letter aan wijzigen omdat ik het wel een ijzersterk gedicht vind. Meestal echter zijn hun adviezen enorm leerrijk en een echte steun, moge dat duidelijk wezen.

 

Deze tweede bundel is immens belangrijk voor mij, het moest de bundel van de bevestiging worden. Het is nog wat vroeg, maar de kritieken zijn goed, ik denk dat het wel snor zit. Momenteel heb ik al heel wat bij elkaar geschreven voor de derde bundel. Als het van mij afhangt, komt er in 2005 weer een bundel. Ik werk daar naartoe, het is een druk die ik mezelf opleg, tegen begin volgend jaar een valabel manuscript hebben en daar dan een half jaar over doen tot het prima in orde is. Ik presteer heel goed onder druk, ook als ik die mezelf opleg.

 

Ondertussen broeden ook andere plannen: ik ben niet ontevreden over wat ik op mijn weblog bij elkaar schrijf, op termijn wil ik iets doen met columns of kort proza. Verder overweeg ik een fotograaf te zoeken die met mij een foto-poëzie-boek wil maken. Een light verse bundel moet er ook ooit komen. En een roman. Veel optreden als het kan. Ook wil ik graag aan de slag als freelancer bij een krant of tijdschrift.

Maar die derde bundel is prioritair, die slorpt eigenlijk de meeste aandacht en energie op, waardoor die andere plannen, hoe leuk ook, nog even moeten wachten. Ik ben in de eerste plaats dichter, ik wil het maken als dichter, dan zullen ook de andere literaire poorten makkelijker open gaan. Mijn poëzie is eigenlijk een hefboom waarmee ik ook die andere projecten een eerste zetje wil geven, maar de poëzie is en blijft mijn ding, dat zal niet veranderen. Dichter zijn is het mooiste wat er bestaat.

 

Tegal: hoi philip, ‘dichter zijn is het mooiste wat er bestaat’ schrijf je. waarom eigenlijk? (ik bedoel waarom vind je dat dat zo is?)

 

Hoi Tegal, rare naam overigens,

Aaah, je hebt me daar even liggen. Moet ik maar niet van die clichés gebruiken, mijn eigen schuld. Het is natuurlijk gelogen. Samen met een twintigtal maagden aanspoelen op een onbewoond eiland waar de chocoladerepen en de zakken patat aan de bomen groeien, dat is misschien het mooiste wat er bestaat. Ik spreek niet uit ervaring, mag dat even duidelijk zijn.

 

Alle gekheid op een stokje, dichters, schrijvers werken met taal, die wonderlijke taal met zijn 26 letters. Het is een immateriële, nutteloze bezigheid, al kan je nutteloos hier perfect vervangen door onmisbaar. Wat zou het leven zijn zonder boeken? Je hebt er ook niks voor nodig, geen magazijn om grondstoffen in op te slaan, geen werktuigen, alleen maar pen en papier, scherm en klavier. Het hoofd van de schrijver is zijn atelier. Iedereen die school heeft gelopen kan schrijven, technisch schrijven, maar daarom niet literair schrijven. Zelfs gewoon maar technisch schrijven is voor velen nog een probleem. Ik ken veel hoger opgeleiden die geen deftige en foutloze zakelijke brief kunnen schrijven, zelfs dat niet, laat staan dat ze iets moois met geschreven taal zouden kunnen doen.

 

Is literair schrijven dan een gave? Ik denk van wel. Kan je het niet leren? Een beetje maar. Je kan van een knoeier een middelmatig schrijver maken, maar een rastalent zal het niet worden als dat talent er niet al in zat bij de geboorte. Ik kom uit een arbeidersgezin waar nooit een boek werd gelezen. Ik ben in mijn familie het lelijke belezen en intellectuele eendje met zijn boekjes altijd, tussen mensen die met handenarbeid hun dagen slijten en de kost verdienen. Als ik al een beetje schrijftalent heb, weet ik niet waar het vandaan komt. Toch weiger ik te geloven dat ik het als kind heb gekweekt door veel te lezen en interesse te tonen voor taal. Het helpt wel, maar het is niet genoeg, er is meer.

 

Schrijven heeft iets mythisch. Schrijvers keren zich een beetje af van het leven door erover te schrijven in plaats van het te leven, al kunnen de twee perfect samen gaan natuurlijk. Het blijft een vreemde bezigheid, woorden op papier zetten. Van alle schrijvers zijn dichters de raarste kwieten. Het publiek kijkt met ontzag naar dichters, bewondering en angst tezelfdertijd, zeker hier in Vlaanderen waar poëzie minder leeft dan pakweg in Amsterdam. Poëzie, dat is toch iets voor bakvisjes, maar toch niet voor een volwassen vent, zoiets denken mensen die niet met literatuur vertrouwd zijn. En toch vinden ze het enig, zelfs zij die nog nooit een dichtbundeltje in hun pollen hebben gehad.

 

Moeilijke vraag stelde je me daar. Hopelijk bevredigt mijn antwoord je enigszins.

 

Thomas: Goeiemorgen Philip,

Nog even voortbordurend op jouw antwoord op Tegals vraag:

1) Wat je in de laatste alinea van je antwoord verwoordt, bedoelde je dat ook aan te geven met het motto van Leonard Nolens dat aan de eerste afdeling van Inbreng nihil voorafgaat? (Namelijk: ‘Wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld?’)

2) Eveneens inhakend op die laatste alinea: behoren ‘zij die nog nooit een dichtbundeltje in hun pollen hebben gehad’ ook tot degenen die je met je werk wilt bereiken? (Nou ja, hoe meer lezers hoe liever so wie so, zul je misschien zeggen, maar ik bedoel: probeer je bewust toegankelijke gedichten te schrijven om zo méér lezers te bereiken?)

Philip: Dag Thomas,

1) Ik zal de vraag kort beantwoorden. Ik hou niet van opgefokte drukte of gedoe, ik mijd de massa. Als iedereen zegt: je moet dit of dat zien of doen of beleven, dan is de kans groot dat ik het met graagte aan mij voorbij laat gaan. Ik verafschuw de consumptiemaatschappij met zijn verdoken manipulatoren, zijn materialisme en zijn commerciële pseudo-feestdagen. Ik loop niet graag in het gelid. Als puber was ik een ‘angry young man’, een zachte salonrebel weliswaar, want ik schuwde de barricaden en ik heb nog nooit in mijn leven meegestapt in een betoging. Ik ben nu bijna 40 en ik heb nog altijd die rebelse inborst van 25 jaar geleden. Soms denk ik dat het misschien wel leuk kan zijn om deel te nemen aan massagedoe, je laten opgaan in een soort eenheidsgevoel, verstand op nul, maar eigenlijk is het mijn ding niet. In de massa verliest een mens zijn identiteit. Zet tien mensen rond een tafel en er zullen alleen maar oppervlakkige, lacherige gesprekken gevoerd worden. Moet kunnen, maar het gaat mij al snel vervelen. Voor een echt goed gesprek met iemand die mij dierbaar is, zou ik echter alles aan de kant schuiven. Voor echte vrienden ga ik door het vuur. 

Dat motto van Nolens zit mij en mijn poëzie als gegoten. Laat mij zijn wie ik wil zijn. Het individu is niet minder waard dan de groep, integendeel.

 

2) Ik schrijf niet bewust voor anderen. Ikzelf moet wat ik schrijf goed vinden, dat is alles. Toevallig schrijf ik poëzie die door een groot publiek gesmaakt kan worden. Net zoals ik alles verafschuw wat naar massa ruikt, verafschuw ik alles wat elitair is of elitair geacht moet worden.  

Deze twee antwoorden klinken wat somber en eigenzinnig, maar ik ben geen gothic doemdenker of zo, ik kan verschrikkelijk hard lachen. Ik ben niet asociaal, integendeel, ik hou veel van het wezen ‘mens’, ik heb veel mededogen met de meesten onder hen. Mensen kunnen mij ontroeren tot in het diepste van mijn wezen, maar poseurs, grootsprakerige types en zij die plastic goden aanbidden, kunnen al wat minder op mijn mededogen rekenen.

 

Tegal: hoi philip, ik vraag me na je antwoord ineens af of je momenteel naast het dichten, lezen, schrijven enz nog een ander bestaan leidt, bijvoorbeeld ter financiële ondersteuning van je dichterschap? of lukt het je geheel rond te komen van pen en podium?

 

(over mijn naam: niet dat ik me er erg veel mee bezighoud, maar het is op te vatten als een eerbetoon aan mijn deels indonesische voorgeslacht: tegal ligt op java, tussen cirebon en pekalongan)

 

beste Philip,

Ik zie uit naar de volgende bijdrage (recensie)

in Concept.

Met hartelijke groet,

Ton Luiting

 

Dag Tegal, met ‘rare’ bedoelde ik eigenlijk ‘bijzondere’, er is een nuanceverschil, ik herpak me: ‘Bijzondere naam heb je, Tegal.’ Ik zal straks even mijn Javaanse wegenkaart bovenhalen en even kijken waar Cirebon en Pekalongan precies liggen. Zelf heb ik twee kinderen die ook een speciale naam dragen, maar met uitheems voorgeslacht heeft het in mijn geval niks te maken. Gewoon twee leuke namen uit het boek ‘10.000 voornamen voor mens en dier’. Eerst wilden we onze dochter Ieniemienie of Black Beauty noemen, maar gelukkig merkten we nog bijtijds op dat we in het hoofdstuk ‘Dier’ aan het zoeken waren.

 

Uit het voorgaande mag blijken dat ik naast mezelf nog enkele gezinsleden te onderhouden heb en dat een reguliere job geen overbodige luxe is. Ik weet niet exact wat ik verdien met mijn pen, maar het is geen vetpot. Royalties bedragen 10% van de verkoopprijs, reken dus maar uit. Als je iets wilt verdienen, dan moet je veel optreden. Neen, correctie, dan moet je eerst heel bekend worden en dan veel optreden. Ik hanteer de tarieven van Schrijvers School Samenleving en het Fonds voor de Letteren. De grote namen vragen iets meer, dat kan een veelvoud zijn van de tarieven van SSS.

 

Natuurlijk denk je in het begin van een schrijversloopbaan niet aan geld verdienen met het schrijven, toch niet als je een job hebt. Ik heb ook nog gratis opgetreden en benzine verreden alleen maar om wat aan mijn naambekendheid te werken. Maar dat doe ik nu niet meer.

 

Ik steek niet onder stoelen of banken dat ik graag van mijn pen zou leven, maar dat zal wel altijd een droom blijven, vrees ik. Mijn job slorpt tijd en energie op die ik veel liever voor de schrijverij zou gebruiken. De dingen zijn nu eenmaal wat ze zijn. Mijn schrijverij geeft voldoening en die voldoening is onbetaalbaar. Ik zie wel wat de toekomst brengt.

 

Dag Ton, ik hoop dat je mijn Buehler-recensie ontvangen hebt. Ik heb het Lucebert-boek alleszins goed ontvangen. Ik doe mijn best, maar je weet dat ik de voorkeur geef aan dunne dichtbundels. Hier ligt nog om te recenseren: Kuiper, Barnas, Hertz, de Haan en Hermans. Al een half jaar liggen die hier op mijn bureau, nu eens links van mijn klavier en dan weer rechts. Het duurt wat, want zoals je weet ben ik na het lezen van ‘Monarchieën’ een lange tijd ziek geweest. De dokter zei dat een verband tussen de twee erg onwaarschijnlijk is, maar ik weet wel beter.

 

Ik recenseer ook op onregelmatige basis voor Nuwijweer en Meander. Op Nuwijweer vind je recensies van Harmens en Godijn, en op Meander verschijnt straks mijn tweede recensie, alweer een Brusselmans-boek. Ik hoop dat je mijn overspelig gedrag niet veroordeelt.

 

Zo, ik liet de bezoekers van dit forum even meelezen in een toch wel persoonlijke briefwisseling met Ton Luiting en heb meteen wat publiciteit gemaakt voor Hoorne-de-recensent.

 

beste Philip.

 

Ik wist niet dat je ziek bent geweest. Zelf kamp ik met een lichte depressie, die ik probeer te overwinnen door hard te werken. Op het ogenblik dat ik dit neertik kijkt iedereen naar voetbal op tv en ben ik de enige op deze site. Je bundel “Inbreng nihil” wordt in Concept besproken door Paul van Leeuwenkamp -tenminste hij heeft de bundel ter recensie- en zoals je weet werken wij ver in voren.

Hartelijke groet uit Hillywood,

Ton Luiting

 

Oeps, Ton, mijn Kuiper-witz is jou ontgaan, ik ben helemaal niet ziek geweest. Als je dit hele interview leest, zal je het wel begrijpen. Geef die depressie een trap tegen zijn kont en mijd de bundel ‘Monarchieën’ en je zal zien, alles komt goed.

 

Thomas: Ha Philip, het kan komen doordat vorige week op Poetry International een special gewijd was aan Neruda, en ook het feit dat ik de vandaag langsgekomen Ton Luiting op zijn website las zeggen dat het engagement bij hedendaagse dichters ontbreekt, maar vooruit: meen jij dat politiek of maatschappelijk engagement en poëzie elkaar bijten, of zou je bijvoorbeeld met gemak een goed gedicht kunnen/willen schrijven waarin je je mening geeft over, weet ik het, Bush, Irak, Balkenende, Milosevic, het verdrag van Kyoto?

 

Goeiemorgen Thomas,

Geëngageerde poëzie, het is mijn ding niet. Een gedicht moet universeel zijn, je moet het op elk moment en op elke plaats kunnen smaken, ook nog over vijftig jaar. Over vijftig jaar zullen alleen nog enkele historici meteen voor de vuist weg kunnen zeggen wat 11 september ook weer was, vele anderen zullen het moeten opzoeken. Ik kan me voorstellen dat er landen zijn waar politiek getinte poëzie zijn nut heeft, maar aan de andere kant is dat nu net wat poëzie niet moet zijn: nuttig. Enfin, mocht ik in een land leven waar er veel hommeles is, zou ik het misschien ook wel doen, maar toch niet in De Lage Landen. En van hieruit schrijven over de toestand aan de andere kant van de wereld vind ik helemaal te gek. Soms zie je in het journaal bijvoorbeeld Koerden of Congolezen die in de straten van Brussel betogen tegen iets in hun land. Dan denk ik, jaja, jullie hebben het gemakkelijk, jullie zitten hier lekker in België, als jullie dan toch zo begaan zijn met de toestand ginder, stap dan op het vliegtuig verdorie.

 

Let wel, maatschappelijke en politieke thema’s boeien me, maar er speelt zich zoveel af achter de schermen dat een geëngageerd gedicht over enkele jaren misschien wel een parodie is op zichzelf. Krachtige en vredelievende leiders die plots worden ontmaskerd, zoiets. Bush en Kerry blijken allebei lid te zijn van eenzelfde sekte of groepering die eigenlijk de macht in de States in handen heeft, dit was enkele maanden geleden in de actualiteit. Dan denk ik, tja, wat is er allemaal wat wij niet weten en waar we ons dan ook niet druk om moeten maken.

 

Dit jaar won een Belgische filmmaker een prijs voor de beste kortfilm op het prestigieuze festival van Cannes, een jonge, moderne gast met een weird kapsel. Hij droeg een smoking, zoals het allicht wordt voorgeschreven door het protocol, maar die vloekte enorm met zijn persoon. Het was de laatste mens op aarde die je in een smoking zou verwachten. Na het in ontvangst nemen van zijn prijs zei hij ‘Don’t vote Bush, please, don’t vote Bush’. Dat is toch om in je broek te pissen van het lachen, zoiets. Had hij dat circuskostuum niet gedragen, dan was het nog een beetje geloofwaardig geweest, nu was het ronduit hilarisch. Maak nog een paar filmpjes in plaats van je hier belachelijk te maken, nerd, denk ik dan. Dat Michael Moore in de zaal zat, zal ook wel meegespeeld hebben. 

 

Ik betreur dat er overal ter wereld mensen en kinderen sterven door de schuld van enkele megalomane domoren, maar op het moment dat een Amerikaans gevechtspiloot in zijn met bommen beladen vliegtuig stapt, is hij al net zo schuldig als Bush. Opnieuw dat verfoeilijk massagevoel, God bless America, wij zijn uitverkoren door God, de anderen zijn de goddelozen. Na de oorlog moeten die soldaatjes bij mij dan niet komen zeuren over een kapotgeschoten been of zo. Amerika heeft nood aan vijanden en als er geen vijanden meer zijn, moeten er vijanden gecreëerd worden, desnoods zullen ze de oorlog verklaren aan Luxemburg. De Amerikanen zijn en blijven cowboys, het zit in hun genen. Cowboys zitten nu eenmaal niet graag thuis met een breiwerkje op schoot.

 

Aan de andere kant moet ik ook zeggen dat ik fundamentalisme vreselijk vind, hoe kan je iemand zo ver krijgen dat hij zichzelf opblaast aan een bushalte of in een winkelcentrum. Wat er in Israël gebeurt, die escalatie van geweld, dat is afschuwelijk. Het is een ver-van-mijn-bed-show, ik wil er niks mee te maken hebben. Ik weet dat ik het cru stel, maar ik wil de lasten van de wereld niet op mijn schouders nemen. Het ergste is dat die beelden zo snel wennen (hé, raar, vandaag geen vergelding in Israël). Waarom kunnen mensen niet met elkaar samenleven, er is toch plaats genoeg op onze planeet? Mooie en terechte vragen, maar stel ze maar aan iemand anders.

 

Hilversum, 28 juni 2004

 

Hoi Philip en Thomas,

Waarom ik zo baal van de zg. “geëngageerde poëzie”is gebaseerd op mijn ervaringen in de jaren zeventig/tachtig. Harry Mulisch- rellenvoyeur- keek en schreef op het verwarmde terras van Hotel Amercain naar de provorellen. Een dichter uit het (nederlandse) Brabant -Komrij noemde hem de gloeilamp van het zuiden- schreef met een pint en een goedgevulde maag over de lijdende mensen in hongerend Afrika.

Vandaar!

Ton Luiting

 

Coen: Dag Ton,

Het lijkt mij heel knap om in de jaren zeventig/tachtig te kijken naar rellen die plaatsvonden in de jaren zestig.

 

Klopt, het waren de jaren zestig/zeventig.

Heel allert Coen!

Ton

 

Dag 5 van de interview-week zit erop, nog 2 dagen te gaan. Het was een rustige dag. Er mogen best nog wat meer vragen komen. Ik vind dit eigenlijk wel leuk, wat blijkt uit mijn uitvoerige antwoorden.

 

Deze morgen viel De Brakke Hond nr. 83 in mijn bus. Mijn gedicht ‘Roots’ staat op pagina 70. DBH was het eerste Vlaamse tijdschrift dat werk van mij opnam, en wel vier gedichten ineens. Ik had het er al over dat ik een dankbaar mens ben, wie iets oneerbiedigs zegt over DBH kan van mij dus een flinke knauw in zijn kuiten krijgen.

 

Op dit eigenste moment ben ik bezig met enkele nieuwe gedichten klaar te maken om ze naar literaire tijdschriften te sturen. Een negental verschillende tijdschriften ontvangen weldra één of meer gedichten van mij. Ik probeer het nog maar eens bij De Tweede Ronde. Meer dan twee jaar geleden stuurde ik drie maal na elkaar werk – vooral light verse – naar dit tijdschrift dat geroemd wordt om zijn light verse afdeling. Sneller dan ik het werk kon insturen kreeg ik het terug. Nochtans zaten er sterke gedichten tussen die later elders gepubliceerd werden. Dit speelde zich af in de tijd dat ik nog een relatief onbekende dichter was. Ik vermoed dat ik beoordeeld werd op mijn naam en niet op mijn werk.

Enkele weken geleden stuurde ik een e-mail naar de uitgeverij die DTR uitgeeft met de vraag om mij het mailadres van de redactie van DTR te bezorgen, want gedichten insturen per slakkenpost doe ik niet meer, maar ik kreeg geen antwoord. Brieven en mails niet beantwoorden vind ik buitengewoon onbeschoft. Instanties of instellingen die personen als vuil behandelen, daar kan ik mij enorm om opwinden. Machtsmisbruik in combinatie met minachting vind ik van het ergste wat er bestaat. Het kan natuurlijk ook gewoon laksheid zijn, maar ook dat valt niet goed te praten.

 

Dit nog even voor het slapengaan. Welterusten, Literair Nederland.

 

Thomas: Ha Philip,

Wat een heftigheid op het laatst van je 3e alinea! Al veel te verhapstukken gehad op dat vlak? Of simpelweg iets waar je je in het algemeen over kunt opwinden? En ten tweede: welke andere 8 tijdschriften vind je blijkbaar interessant/sterk/mooi genoeg om er je gedichten heen te mailen?

 

Fijne nacht en ook welterusten, Thomas

 

Het is iets waar ik me in het algemeen over kan opwinden, niet specifiek tegen DTR gericht. Doe niet aan een ander wat je zelf niet graag zou worden aangedaan. Het is een ietwat melige maar toch wel ware uitdrukking. Eén of enkele inzendingen kreeg ik zo snel terug dat het eenvoudigweg onmogelijk is dat mijn gedichten op een redactievergadering werden besproken. Ik weet dat ik in de literaire pikorde niet op de eerste rij sta, maar dat betekent niet dat ik met dédain wil behandeld worden. Intussen heb ik nog altijd geen mailadres van DTR en stuur ik misschien toch wel niet in.

 

Werk van mij verscheen in Bunker Hill, De Brakke Hond, Tzum, Nymph, Krakatau, Lava, Deus ex Machina, Kreatief, Gierik & NVT, Kunsttijdschrift Vlaanderen, Rottend Staal, Meander, Opspraak, Dighter, De Houten Gong, Stroom, Mens & Gevoelens, en ik heb het gevoel dat ik er nog een aantal vergeet.

 

Vóór ‘Niets met jou’ stuurde ik heel vaak in naar tijdschriften, later werd dat beduidend minder. Na het verschijnen van mijn debuut had ik me voorgenomen me vooral te richten op de bladen waar ik nog nooit in kwam, maar toch hou ik nogal vast aan die waar ik al een voet tussen de deur heb. Dat heeft te maken met wederzijds respect, trouw ook. Als een redactie beslist om werk te plaatsen, dan schept dat een band en ik wil die band onderhouden en koesteren.

 

Ik heb bewondering voor mensen die een literair tijdschrift runnen en heel veel bewondering als dat op een degelijke wijze gebeurt. Degelijk betekent kwaliteit brengen, een minimum aan correspondentie met de auteurs en op regelmatige basis verschijnen.

 

 

Thomas: Ha Philip,

Handig om te weten: op de onlangs gelanceerde en lekker rustig vormgegeven website van Uitgeverij Van Oorschot (http://www.vanoorschot.nl/) kun je bij het kopje ‘Tijdschriften’ van alles over De Tweede Ronde vinden, en er staat ook een e-mailadres bij: tweederonde@betapress.nl. Ook staat er echter boven dat men geen kopij per e-mail aangeleverd wil krijgen.

 

En ik plak er maar meteen een tijdschriftenvraag aan, al is het een wat gemakzuchtige misschien: denk je dat jouw gedichten het best thuis zouden zijn in De Revisor, De Gids, Raster, Tirade of Yang?

 

Bedankt voor de tip over de contactgegevens van De Tweede Ronde.

 

De Revisor, De Gids en Tirade zijn heel mooie tijdschriften. Ik meen dat Raster een meer literatuurbeschouwends tijdschrift is. In elk geval is mij ooit verteld dat insturen weinig zin heeft omwille van een geringe kans op slagen. Yang is heel academisch, het past totaal niet bij mijn poëzie. Mijn werk past niet in Yang moet ik eigenlijk zeggen.

 

Ik schrijf af en toe ook wel eens een essay, maar om dan met een artikel te gaan leuren, dat lijkt me nogal lastig. Insturen, wachten, opnieuw insturen, weer wachten, enzovoort, vaak zijn essays ook actualiteitsgebonden waardoor de tijdsspanne tussen het schrijven en het publiceren zo kort mogelijk moet zijn. Ik zou wel graag ooit vast medewerker worden bij een blad, dat lijkt mij rustiger werken, je hebt dan een mand om je eieren in te leggen.

 

Tegal: maar tussen revisor, gids en tirade zie je dus weinig onderscheid, wat algemeen karakter en geschikt als plek voor je gedichten betreft?

 

Het probleem is natuurlijk dat niet alle Nederlandse tijdschriften vlot in Vlaanderen te koop zijn en een mens kan zich niet op alles abonneren. Tirade ligt in de leeszaal van de Kortrijkse bibliotheek, thuis heb ik enkele nummers van De Revisor en De Gids ken ik alleen van het internet. Gelukkig bestaat het internet nog om eens een kijkje te nemen en even de toon van een bepaald blad te meten. 

 

Eigenlijk maakt het me niet uit in wat voor literair tijdschrift mijn werk komt, zolang het maar een kwaliteitsvol tijdschrift is. Wat binnenin staat maakt het tijdschrift, en wat erin komt wordt bepaald door een redactie. Redacties kunnen wisselen en bijgevolg ook de toon en stijl van een blad.

 

We hebben het in de voorbije week vaak gehad over literaire tijdschriften, hun belang kan niet genoeg onderstreept worden. In Nederland kan een dichter het nog maken via de podia, in Vlaanderen is die kans nagenoeg onbestaande.

 

Aan debutanten kan ik alleen maar de raad geven in te sturen naar diverse literaire magazines. Via e-mail kost het vrijwel niks. Laat je niet afschrikken door afwijzingen. Stuur geen massa gedichten, een vijftal volstaat meestal wel. Een begeleidend schrijven met de allure van een roman is niet nodig. Een korte en zakelijke introductie volstaat.  Stuur je toch in per papieren post, zorg er dan voor dat je zending net en ordelijk is.

 

Thomas: Met hulde voor literaire tijdschriften en wijze raad aan debutanten in de poëzie komen we in de buurt van het einde van een interessante week Hoorne op Literair Nederland.

 

Philip, mijn en onze dank voor jouw inzet, tijd en bijdragen. Het was een genoegen je te gast te hebben. Volgt natuurlijk de geijkte afsluiter: is er een onderwerp waarover je van tevoren bedacht had te willen worden bevraagd, dat in de afgelopen week niet aan bod is gekomen?

 

Alle goeds en een groet, Thomas

 

Beste Thomas,

 

Ik vond het heel boeiend om te ‘praten’ met jou en enkele andere bezoekers van Literair Nederland. Als mensen die ik helemaal niet ken, zeggen ‘ik heb jouw bundel(s) gelezen’, dan doet mij dat toch wel wat. In poëzie spreken we wel altijd over een klein publiek, maar of het nu gaat over 100 of over 10.000 lezers, mijn appreciatie voor elk van die mensen is daarom niet minder, integendeel. Dank dus aan zij die mij de voorbije week een of meerdere vragen stelden. Ik denk niet dat bepaalde prangende vragen niet gesteld geweest zijn. Door op sommige nogal uitvoerig te antwoorden, heb ik misschien zelfs enkele mogelijke vragen beantwoord zonder dat die expliciet gesteld werden.

 

Naast het contact met het publiek, betekende de voorbije week voor mij ook prima publiciteit voor mijn pas verschenen bundel ‘Inbreng nihil’. Ik dank de redactie van Literaire Nederland voor die geboden kans.

 

Op mijn weblog http://philiphoorne.skynetblogs.be plaats ik af en toe eens een ernstig of leuk stukje. Je vindt er ook links naar o.a. mijn auteurspagina’s op Rottend Staal Online en Meander. Natuurlijk tref je er ook een link naar mijn uitgever, Uitgeverij 521.

 

Vele groeten!

 

Philip

 

 

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

20 november 2017

Het leven ontwijken

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Geloven in een god die niet bestaat
Door Bernadet

Op de titel De kunst van het niets doen reageerden veel mensen met: ‘Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen.’ Daar ging het boek echter niet over. Het ging over Taoïsme en de gebeurtenissen in je leven op je af laten komen, van alle kanten bekijken, en dan weer verder gaan met leven.

Lees meer