24 juni 2014

Interview met prijswinnend vertaalster Mari Alföldy

Door Sunny Jansen

Begin april ontving Mari Alföldy de Filter Vertaalprijs 2014. Zij ontving deze prijs voor haar vertaling van ‘Satanstango’ van de hedendaagse Hongaarse schrijver László Krasznahorkai. Deze Nederlandse vertaling verscheen in 2013 bij Wereldbibliotheek. De jury noemde zowel het boek als de vertaling een meesterwerk: ‘De jury voelde zich door deze ‘Satanstango’ al evenzeer ingepakt als door de stilistische brille van Mari Alföldy, die de Filter Vertaalprijs 2014 ten volle verdient.’

László Krasznahorkai (1954) werd geboren in de Oost-Hongaarse plaats Gyula. Zijn eerste roman Satanstango verscheen in 1985 en werd enthousiast ontvangen. Satanstango gaat over de bewoners van een naamloos, geïsoleerd gehucht dat door de autoriteiten is opgegeven. De inwoners bevinden zich in een hopeloze situatie. Als een charismatisch figuur die eerder in de kolonie heeft gewoond, terugkeert, wordt hij de hoop van de bewoners. Maar Satanstango is een roman over vertrouwen en verraad in vele vormen. Er is geen hoop op verlossing. Krasznahorkai heeft een filosofische kijk op de wereld en schrijft in lange, gecompliceerde zinnen. Soms doet de tekst bijbels aan. Het maken van een vertaling lijkt met name door de lange, ingewikkelde zinnen een flinke klus. Tijd om eens te vragen hoe vertaalster Mari Alföldy daar naar kijkt.

Mari Alföldy (Boedapest, 1962) werkt sinds 1998 als literair vertaler en vertaalde romans van vooraanstaande Hongaarse auteurs, als Imre Kertész, György Konrád en Sándor Márai. Zij studeerde Klassieke Talen en Hongaars aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij ontving eerder de Hongaarse Kosztolányi-vertaalprijs en het Gouden Kruis van Verdienste van de Republiek Hongarije.

 

Hoe gaat het vertalen van een boek in zijn werk? Leest u het eerst in de oorspronkelijke taal en is het dan een kwestie van een lineair proces, zin voor zin vertalen?
Ik lees boek eerst door, tenzij ik het al ken. Daarna vertaal ik het zo goed mogelijk. Inderdaad is dat een vrij lineair proces. Nadat het hele boek vertaald is, lees ik het zelf nog eens goed door. Ik corrigeer fouten, tikfouten, woordherhalingen en zoek betere formuleringen.
Vroeger liet ik het boek door iemand anders lezen, maar na zoveel boeken ben ik wat minder onzeker geworden en vind ik de redactie bij de uitgeverij voldoende controle. Ik vergelijk het boek altijd met het origineel, vooral om te kijken of ik niets heb overgeslagen. Bij sommige boeken is dat niet nodig en als ik erg in tijdnood ben wil dat er wel eens bij inschieten.
Het zou goed zijn alles hardop voor te lezen maar dat is erg tijdrovend. Al doe ik dat bij poëzie wel.
Dan gaat de tekst naar de uitgever, waar een redacteur ernaar kijkt. Die doet nog wat suggesties, meestal met een potlood op papier, soms digitaal, de een veel, de ander weinig. Die verwerk ik dan. Daarna krijg ik proefdrukken, dan gaat het vooral om afbrekingen en dergelijke. Je kunt nog wat correcties aanbrengen maar erg blij zijn ze daar niet mee. En dan na een paar werken is daar dan eindelijk het spannende moment dat de post de presentexemplaren brengt.


Satanstango is een complex boek. De zinnen zijn lang en ingewikkeld. En wat de scènes betreft: het is niet altijd in een oogopslag helder wat er nu werkelijk aan de hand is. Had dat gevolgen voor het proces van vertalen?
Voor de scènes maakt dat niet zoveel uit. Met de zinnen was het af en toe een heel gepuzzel om er mooie Nederlandse zinnen van te maken en er toch alles in te krijgen. Het Hongaars heeft andere mogelijkheden voor het grammaticaal aan elkaar koppelen van woorden. Vertaalproblemen zijn altijd moeilijk uit te leggen. Als het makkelijk uit te leggen was, had ik geen vertaalprobleem tenslotte. De meeste vertaalproblemen zijn vrij technisch en niet zo interessant voor het grote publiek. Krasznahorkai gebruikt veel ingevoegde stukjes tussen aanhalingstekens, subjectieve teksten van de personages in de vertellerstekst, en dat werkt in het Nederlands soms niet vanwege grammaticale regels voor directe en indirecte rede.

De eerste zin, die ook terugkeert aan het einde, was al meteen een uitdaging:
De ‘gebarsten grond’ (een betere vertaling zou zijn: ‘vol barstjes’, maar dat kun je in het Nederlands nu eenmaal niet bijvoeglijk gebruiken, en een bijzin als ‘die vol barstjes zat’ zou de toch al ingewikkelde zin nog zwaarder maken) wordt in het Hongaars ook nog szikes genoemd. Dat is een heel gewoon woord voor een bepaald type grond in een landschapsbeschrijving, waarvan het Nederlandse equivalent echter ‘alkalische grond’ zou zijn – een woord dat ik te technisch vind voor de eerste zin van een roman. In een literaire vertaling moet men idealiter streven naar wat met een mooi Duits woord Wirkungsequivalenz genoemd wordt: de Nederlandse lezer zo veel mogelijk dezelfde leeservaring bezorgen als de lezer van de brontaal. Als Hongaarse lezer een landschapsbeschrijving leest, moet de Nederlandse lezer niet met een geologische verhandeling worden opgezadeld, ook al zegt het woordenboek dat szikes alkalisch betekent. Alkalisch moest dus sneuvelen, al is weglaten geen vertaaloplossing om trots op te zijn. Gelukkig roepen de barsten het beeld van dat type landschap al voldoende op.

Wat is volgens u de centrale boodschap van Satanstango?
Boeken die je in één zin kunt samenvatten zijn geen goede boeken, maar toch, één mogelijke conclusie zou deze kunnen zijn: Er is transcendentie en geen verlossing. Wie vertrouwen en hoop in iets of iemand investeert wordt altijd teleurgesteld en kan alleen zichzelf iets verwijten.


Voor mij is één van de meest intrigerende scènes het bezoek van
Irimiás en Petrina aan de politie. Wat gebeurde daar precies volgens u in deze voor de verhaallijn zo belangrijke scène?
Echt precies weet ik het ook niet, maar ze worden ingeschakeld als een soort geheim agenten. Al het moois wat Irimiás wordt toegedicht door de bewoners van de kolonie wordt hierdoor op losse schroeven gezet, net als de hoogdravende dingen die hij zelf verkondigt. Als we stellen dat de strekking van het boek is dat niemand en niets te vertrouwen is, dan speelt deze scène inderdaad een belangrijke rol in het opbouwen van die sfeer.


Welke scène uit dit boek is u het meest bijgebleven?
Dat zijn er verschillende. De zeer gecompliceerde beginzin en beginscène waarin de sfeer wordt gezet, het raadselachtige bezoek van Irimiás en Petrina aan de politie, de minutieuze beschrijving van de beperkte wereld van de dokter, het duivelse dansfeest in de kroeg, de gruwelijke scène waarin Estike, het onschuldigste wezen van het hele boek, de kat vermoordt, de rede van Irimiás – een schoolvoorbeeld van demagogie, de droomachtige taferelen met het lichaam van het meisje bij de kasteelruïne, de gebeurtenissen in het vervallen kerkje waar de dokter een laag-bij-de-grondse verklaring vindt voor het mysterieuze klokgelui uit de openingsscène.
Wat ik ook bijzonder vind is dat dit eigenlijk sombere boek af en toe ook ronduit humoristisch is.
Wat mij vooral opviel is dat hoe onduidelijk en schimmig alles blijft. Zoals de eerder genoemde scène bij de politie: vaak is niet duidelijk wat er nu precies gebeurt. Hoe voorkom je dat je als vertaler je eigen interpretatie tussen de regels stopt?
Tot op zekere hoogte stop je altijd je eigen interpretatie erin. Het is geen wiskunde, er zijn altijd alternatieve vertalingen mogelijk. Als je een boek goed en belangrijk vindt, doe je extra je best om de bedoeling van de schrijver heel precies over te brengen.


En bij dit boek bent u daar volgens de jury prima in geslaagd. Hoe belangrijk is deze prijs voor een vertaler?
Voor mij is deze prijs heel belangrijk. Het is een enorme bevestiging als je vertaling door zo’n deskundige jury wordt uitgekozen en om het Nederlands wordt geroemd. Ik was erg blij met wat de jury schreef over ‘op duizelingwekkende wijze meegaan in de zinnen en hun geheimen.’ En als de jury dan zegt dat ze zich ‘ingepakt’ voelde, is dat wat je wilt als vertaler.


Welk boek zouden we volgens u echt moeten lezen?
Ik denk Kleuren en jaren van Margrit Kaffka. Ik ben al heel lang met haar bezig. Tijdens mijn studie Hongaars schreef ik mijn scriptie over haar. Het is een wat ouder boek, uit 1912, en het is het eerste boek in het Hongaars waar de vrouwelijke stem in naar voren komt. Mijn favoriete auteurs zijn veel hedendaagse Hongaarse schrijvers: Nádas, Esterházy, Spiró, Zádava, te veel om op te noemen. Van de oudere schrijvers vind ik Kosztolányi erg goed. Aan Nederlandse literatuur kom ik eigenlijk te weinig toe. Ik ben dol op Thomas Roosenboom en ook Nescio vind ik heerlijk. Ik heb al lang niets meer met mijn studie klassieke talen gedaan, maar onlangs heb ik weer eens wat Plato gelezen. Ik heb daar erg van genoten. Ik zou ook weer eens tijd moeten vrijmaken voor Homerus.
Het belangrijkste boek dat ik heb vertaald is School aan de grens van Géza Ottlik. Het is één van de mooiste boeken die ik ken en het eerste boek dat op mijn aanbeveling is uitgegeven. Het spreekt me aan omdat je er vaak passages in aantreft waarbij je denkt, ‘ja, zo is het, maar ik had het zelf niet zo mooi kunnen zeggen’. Er worden heel verschrikkelijke dingen in beschreven. Het gaat over een militair internaat waar 10-jarige jongetjes door sadistische officieren worden afgebeuld. Ook maken de leerlingen elkaar het leven op een akelige manier zuur. Nu zouden we dat bullying noemen. Dit neemt ernstige vormen aan omdat het hele systeem op onderdrukking is gebaseerd. En toch, ondanks alles, is er een positieve ondertoon, die voornamelijk berust op de vriendschap tussen de jongens.
Dit boek heeft ook veel invloed gehad op latere Hongaarse schrijvers met name door het thematiseren van ‘de moeilijkheden van vertellen’, waarmee hij de tijd van het ouderwetse vertellen afsluit en de weg opent voor post-moderne teksten. Ook Krasznahorkai plukte daar de vruchten van.

 

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 mei 2007

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

Wie had ooit gedacht dat deze aanlokkende openingsalinea door ons eigen Peter Brusse werd opgeschreven? Brusse, bij het grote publiek voornamelijk bekend als voormalig buitenlands correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal in Londen maakt met het vlindernet zijn debuut als romanschrijver.

Lees meer