12 november 2016

In memoriam Helga Ruebsamen 1934 – 2016

Door Ingrid van der Graaf

In de nacht van maandag op dinsdag 8 november is op 82-jarige leeftijd schrijfster en columnist Helga Ruebsamen in Den Haag overleden. Ruebsamen werd geboren in Batavia als dochter van een Nederlandse moeder en een Joods-Duitse vader. Op haar zevende verhuisde ze met haar ouders naar Den Haag. Ze begon in die tijd, in het begin van de oorlog en als kind dat het zonnige en avontuurlijke Batavia miste, te schrijven. ‘(…) om mezelf terug te toveren naar Indië. (…) ik wilde nieuwe avonturen. Dat werden dus verhalen.’

In vijftig jaar tijd publiceerde Ruebsamen drie romans en vijf verhalenbundels en schreef ze jarenlang columns voor de Volkskrant. Ze zag het schrijven als een moeizaam handwerk, net als het maken van een meubelstuk of een sieraad, ‘dat ontstaat ook niet in een vloek en een zucht’. Ze schaafde en beitelde aan haar verhalen net zo lang  tot er uitkwam wat ze erin verborgen wist. Om te kunnen schrijven zonderde ze zich af in de kelder van haar huis, de kloosterkamer – zoals ze de ruimte zelf noemde – om zonder afleiding te kunnen schrijven. Ruebsamen liet meermalen weten dat publiceren niet het doel van haar schrijven was. We hadden misschien zelfs nooit van haar gehoord als haar eerste man, Serein Pfeiffer, eind jaren vijftig niet enkele verhalen van haar had ingestuurd voor de Reina Prinsen Geerligsprijs die vervolgens bekroond werden met de aanmoedigingsprijs.

Kenmerkend voor haar werk zijn de wonderlijke personages die ze ten tonele voerde. Een verlopen actrice, dronkaards en andere onderzoekende figuren. Ze gaan eropuit, op avontuur zonder zich iets aan te trekken van de burgerlijke moraal.

Ruebsamen herschreef een onder handen zijnde stuk eindeloos. Aan het verhaal De meisjes uit Marlot (opgenomen in Op Scheveningen), een portret van twee oude drankzuchtige dames in Den Haag dat zo’n 20 pagina’s telt, werkte ze twaalf jaar en schreef er minstens twintig verschillende versies van. Ook haar twee eerste romans, De heksenvriend en Wonderolie, had ze graag nog eens willen herschrijven. Ze beschikte over stapels uitgeschreven werk in haar kelder. Zo nu en dan maakte ze daar een selectie uit en gaf dit aan haar de uitgever. Korte verhalen hadden haar voorkeur boven romans schrijven. Het beloofde vervolgdeel op haar Indië roman, De bevrijding kwam er dan ook niet meer van.

In een interview in dagblad Trouw (2004) vertelde ze dat ze elke dag opnieuw moest besluiten te gaan werken of van het leven te genieten:  ‘Ik heb echt levenslang geprobeerd om het schrijven in mijn leven te integreren, maar dat is niet gelukt. Het kost me zo verdomd veel moeite, ik kan er weinig naast doen. Als ik schrijf, dan ben ik totaal afwezig. Het leven schiet erbij in.’ Maar van plezierig leven werd ze niet gelukkig, het schrijven drong zich steeds aan haar op.

Haar debuut De kameleon en andere verhalen verscheen in 1963. Gevolgd door de roman De heksenvriend (1966), de schelmenroman Wonderolie (1970) en de verhalenbundel De ondergang van Makarov (1971). Daarna werd het lange tijd stil rond de schrijfster. Een stilte van vijftien jaar, waarin ze wel schreef maar niet publiceerde. In 1988 verscheen Op Scheveningen dat succesvol werd ontvangen. In 1997 brak ze door naar een groter publiek met haar autobiografische roman Het lied en de waarheid, dat deels gebaseerd is op haar jeugd in het koloniale Indië en waarvoor ze in 1998 de F. Bordewijk Prijs ontving. Haar hele oeuvre werd drie jaar later bekroond met de Annie Romein-prijs en twee jaar later met de Anna Bijns Prijs.

 

 

Bronnen: Vrij Nederland, interview met Martje Breedt Bruyn (2003)
Trouw (De verdieping 2004)

Foto Koos Breukel (Atlas Contact)

 

 

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Literair Nederland - 10 jaar geleden

29 oktober 2007

Roman met speelse cartoonachtige taferelen De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol. De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis. Steeds meer wetenschappelijke disciplines staan open voor datgene wat deze mensen over bijzondere ervaringen te vertellen hebben die men heeft opgedaan tijdens die crisis. In de westerse wereld zijn wetenschappers de laatste jaren er toe overgegaan dit soort ervaringen toch serieus te nemen en een onderzoek in te stellen naar de strekking ervan. Dat leidt tot uitermate belangrijk onderzoek. Wanneer kan worden aangetoond dat mensen werkelijk de grenzen van ruimte, tijd en sterfelijkheid kunnen overschrijden, zijn de consequenties daarvan voor de wetenschap, de theologie en dus ook voor het leven enorm. Simon Vestdijk schreef in zijn essay Berichten uit het hiernamaals (De bezige Bij , 1982, pg.11) het volgende: Op aarde acht men het psychisch leven gebonden aan de stof. Een dergelijke stoffelijke grondslag kennen wij hier niet. Geen lichaam, geen zintuigen, geen tastbaar denkorgaan, niets. Maar hoe wil ik dat bewijzen? Hoe overtuigend moeten mijn woorden wel klinken, willen zij de kluisters verbreken van wat zelfs ik nauwelijks een vooroordeel waag te noemen? Ik weet zeker, dat ik leef, al ben ik gestorven, en ik weet zeker, dat ik geen lichaam meer heb; maar het zou wel eens kunnen zijn, dat dit dan ook het enige is dat ik weet. Ieder van ons heeft wel eens momenten gehad, dat niets hem eenvoudiger leek dan u, aanstaande lotgenoten, met voorbeeld of beeldspraak uit te leggen hoe wij ons voelen in onze nieuwe toestand, wat er met ons aan de hand is, wie en wat wij zijn en niet zijn. Menige aardbewoner, zo meenden wij, kent uit eigen ervaring wel die dromerige stemmingen, waarin het rumoeren der buitenwereld niet meer tot hem doordringt, en zijn eigen bewustzijn de gehele horizon van zijn bestaan schijnt in te nemen. Dat komt overdag voor, en even voor het inslapen ervaart gij het gewoonlijk op zijn duidelijkst. En nu kunnen wij wel zeggen, dat gij hierin een vergelijkingsmaatstaf bezit, die nadere uitleg onzerzijds overbodig maakt, helemaal eerlijk zijn wij hierin niet, want voor zover wij ons de vroegere dagdromen nog herinneren, weten wij maar al te goed, dat de vergelijking hoogst misleidend is, en dat uw minuten van wegdrijven op innerlijke golven heel iets anders zijn dan onze bestaansvorm. Als gewezen dienaren der wetenschap zouden wij er dus verstandig aan doen onze nederlaag toe te geven. De schrijver Eric de Clercq waagt in zijn roman Het grote spel waterparadijs een poging deze thematiek uit te werken en te gieten in een verhaalvorm. In zijn relaas wordt een zekere Tim ten tonele gevoerd die zich uitgerekend door een sprinkhaan, Vioolpret geheten, laat vertellen dat hij een ongeval gehad heeft en in een comateuze toestand verkeert. Deze toestand zou gelijk staan met de dood. Blz. 17 : “ Je zal ondertussen wel vermoeden dat deze wereld jouw doordeweekse leventje niet is. En dat is het ook niet. Dit is de vijfde Dimensie. De dimensie waarnaast alle levende wezens na hun dood terugkeren. “ Tim wordt in het verhaal omringd door tientallen figuren, allemaal cartoons die de meest uiteenlopende insectensoorten vertegenwoordigen. Elke figuur stelt een soort voor dat het best bij zijn status, beroep of persoonlijkheid past. De figuren die hij tijdens zijn ronddolen ontmoet, komen hem steeds bekend voor. Hij krijgt mensen gepresenteerd die afkomstig zijn uit zijn geboortedorp en die door Tim een plaats toebedeeld krijgen in de vorm van als cartoons. Het stoort hem ook niet dat de figuren creaties zijn van zijn eigen geest. Pas aan het eind van het verhaal keert de rust in Tims’ wereld weer terug. Het feest en de avontuur zijn dan ook voorbij. De figuren van zijn wereld hebben zich teruggetrokken in hun woning op vioolpret na die nog in het rond kuiert..Tim vraagt zich ten slotte af wat de toekomst voor hem in petto heeft. Zou hij uit zijn coma ontwaken en terugkeren naar de aarde, of toch maar hier blijven en binnen afzienbare tijd voor een laatste maal reïncarneren, alvorens te promoveren tot de opperste tweede graad. In de roman gebeurt er van alles, varierende van taferelen die je je in de Efteling doen wanen tot taferelen die zoals Vestdijk schrijft: het eigen bewustzijn de gehele horizon van je bestaan schijnt in te nemen en dat je minuten van wegdrijven op innerlijke golven iets anders zijn dan het gewone bestaansvorm. Het lijkt alsof De Clercq met zijn romanvorm waar hij voor gekozen heeft een poging heeft gewaagd zijn eigen literaire conventie te exploreren en exploiteren. Hij laat je de literaire werkelijkheid met andere ogen bekijken, al is het maar voor eventjes. Desalniettemin kan ik niet concluderen dat De Clercq uitstekende en uitzonderlijke literatuur gecreëerd heeft, d.w.z. literatuur met een inventief beeldend vermogen. In elk hoofdstuk creeert hij een nieuwe bedrijvigheid , volop taal en hallucinerende beelden. Het is voor mij zeker niet bon ton om meewarig te doen over de literaire nijverheid van deze auteur maar als ik zijn literaire conventie serieus neem neig ik te kanttekenen dat zijn relaas veel weg heeft van pulp of zelfs van veredeld divertissement. Voor een serieus thema als reïncarnatie had hij een heel ander soort scéne kunnen bedenken en minder op het speelse en amusante gaan zitten. Het begin van het verhaal is in ieder geval zeer goed bedacht. Het is jammer dat hij voor de tragiek van zijn dramatische expressie gekozen heeft voor taferelen en bedrijvigheden die zijn thema, dat best wel zwaar op de hand is, in het frivole meesleuren. Het is ontmoedigend te moeten constateren dat de verhaallijn die met zoveel ijver en toewijding is geconstrueerd, waar de krachtinspanning ook duidelijk in voelbaar is, enkel de verbinding vormt van een reeks woorden , hoewel deze woorden op zich steeds een beeldenstroom met zich transporteren .Het streven om in deze roman een diepzinnig Oosters gedachtegoed weer te geven , is echter even utopisch als het streven van de schrijver alle aspecten van de zichtbare en verborgen in de reïncarnatie te vangen in een roman, te verklaren door speelse cartoonachtige beelden in de roman en tot slot de personages te willen verklaren door de sociale, de familiaire, historische, culturele, psychologische, biologische, linguïstische etc. van hun geschiedenis.

Roman met speelse cartoonachtige taferelen

De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol.
De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis.

Lees meer