13 augustus 2009

In de etalage: 'Zomertijd' – J.M. Coetzee

Een jonge Engelse biograaf werkt aan een boek over de overleden schrijver John Coetzee. Hij wil zich concentreren op de jaren 1972 -1977 waarin Coetzee zijn debuut Schemerlanden schreef en een arbeiderswoninkje in een buitenwijk van Kaapstad deelde met zijn vader die weduwnaar was. De biograaf meent dat dit de periode is waarin Coetzee ‘zijn draai begon te vinden als schrijver’.
Omdat hij Coetzee nooit persoonlijk heeft ontmoet, begint de biograaf aan een reeks interviews met mensen die belangrijk voor de schrijver zijn geweest – een getrouwde vrouw met wie hij een affaire had, zijn lievelingsnicht Margot, een Braziliaanse danseres wier dochter Engelse bijles van hem kreeg, vroegere vrienden en collega’s. Uit hun getuigenissen komt Coetzee naar voren als een wat onhandige man met een gering talent om zich voor anderen open te stellen. Zijn familie beschouwt hem als een buitenstaander, iemand die heeft geprobeerd zijn achtergrond te ontvluchten en die nu met de staart tussen de benen is teruggekeerd. Zijn lange haar en baard, de geruchten over zijn plotselinge vertrek uit de Verenigde Staten en het feit dat hij een boek heeft geschreven, wekken in het Zuid-Afrika van die tijd niets dan achterdocht.
Met Zomertijd sluit de Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee de magistrale trilogie van zijn gefictionaliseerde autobiografie af, die begon met Jongensjaren en Portret van een jongeman.

Lees hieronder alvast een fragment uit Zomertijd:
22 augustus 1972

In de Sunday Timesvan gisteren een bericht uit Francistown in Botswana. Ergens vorige week kwam midden in de nacht een auto, een wit Amerikaans model, aanrijden bij een huis in een woonwijk. Mannen met bivakmutsen sprongen naar buiten, trapten de voordeur in en begonnen te schieten. Toen ze uitgeschoten waren staken ze het huis in brand en reden weg. De buren sleepten zeven verkoolde lichamen uit de smeulende resten: twee mannen, drie vrouwen, twee kinderen.
De moordenaars leken zwart te zijn, maar een van de buren hoorde hen onder elkaar Afrikaans spreken en was ervan overtuigd dat het blanken waren die hun gezicht zwart hadden gemaakt. De doden waren Zuid-Afrikanen, vluchtelingen die pas enkele weken eerder in het huis waren getrokken.
De Zuid-Afrikaanse minister van Buitenlandse Zaken, om commentaar gevraagd, noemt het bericht via een woordvoerder ‘ongeverifieerd’. Er zal een onderzoek worden ingesteld, zegt hij, om te bepalen of de overledenen inderdaad Zuid-Afrikaanse burgers waren. En wat het leger betreft, een niet nader genoemde bron ontkent dat de Zuid-Afrikaanse strijdkrachten iets met de zaak te maken hebben. De moorden zijn vermoedelijk een interne ANC-aangelegenheid, oppert hij, die getuigt van ‘aanhoudende spanningen’ tussen facties.
Zo komen ze naar buiten, week in, week uit, deze verhalen uit de grensgebieden, moorden gevolgd door laconieke ontkenningen. Hij leest de berichten en voelt zich bezoedeld. Dus dit is waarnaar hij is teruggekomen! Maar waar ter wereld kun je je verstoppen zonder je bezoedeld te voelen? Zou hij zich schoner voelen in de sneeuw van Zweden, terwijl hij op grote afstand over zijn landgenoten en hun laatste capriolen las?Hoe te ontsnappen aan de smerigheid: geen nieuwe vraag. Een oude vraag die knaagt als een rat en niet loslaat, die zijn gemene, etterende wond achterlaat. Gewetenswroeging.
‘Ik zie dat het leger zijn oude streken weer levert,’ merkt hij op tegen zijn vader. ‘In Botswana dit keer.’ Maar zijn vader is te behoedzaam om toe te happen. Als zijn vader de krant pakt, zorgt hij ervoor dat hij regelrecht doorbladert naar de sportpagina’s en de politiek overslaat ? de politiek en de moorden.
Zijn vader koestert alleen maar minachting voor heel het continent ten noorden van hen. ‘Paljassen’ is het woord waarmee hij de leiders van Afrikaanse staten afdoet: onbeduidende tirannen die amper hun eigen naam kunnen spellen, zich in hun Rolls met chauffeur van het ene banket naar het andere laten rijden, Ruritaanse uniformen dragen, versierd met medailles die ze zichzelf hebben verleend. Afrika: oord van uitgehongerde massa’s over wie de baas wordt gespeeld door moordzuchtige paljassen.‘Ze hebben ingebroken in een huis in Francistown en iedereen vermoord,’ houdt hij niettemin vol. ‘Hen geëxecuteerd. Inclusief de kinderen. Kijk. Lees het bericht maar. Het staat op de voorpagina.’
Zijn vader haalt zijn schouders op. Zijn vader kan geen woordvormen vinden die veelomvattend genoeg zijn om uitdrukking te geven aan zijn afkeer van, aan de ene kant, schurken die weerloze vrouwen en kinderen afslachten en, aan de andere kant, terroristen die oorlog voeren vanuit veilige havens over de grens. Hij lost het probleem op door zich in de cricketuitslagen te verdiepen. Als reactie op een moreel dilemma is dat zwak; maar is zijn eigen reactie ? aanvallen van woede en wanhoop ? zoveel beter?
Ooit dacht hij dat de mannen die de Zuid-Afrikaanse versie van openbare orde verzonnen, die het immense systeem van arbeidsreserves en binnenlandse paspoorten en satellietsteden voor zwarten in het leven riepen, hun visie op een tragische misvatting van de geschiedenis hadden gebaseerd. Ze koesterden die historische misvatting omdat ze, geboren op boerderijen of in stadjes in het achterland, en geïsoleerd binnen een taal die nergens anders ter wereld gesproken werd, geen oog hadden voor de omvang van de krachten die de oude koloniale wereld sinds 1945 hadden weggevaagd. Maar zeggen dat ze een historische misvatting koesterden was op zichzelf al misleidend. Want ze lieten zich helemaal niet met geschiedenis in. Integendeel, ze keerden de geschiedenis de rug toe, deden die af als een hele hoop lasterpraat uit de koker van buitenlanders die Afrikaners minachtten en een oogje zouden dichtknijpen als ze werden uitgemoord door de zwarten, tot de laatste vrouw en het laatste kind aan toe. Alleen en zonder vrienden op het afgelegen puntje van een vijandig continent tuigden ze hun vestingstaat op en trokken zich terug achter de muren daarvan: daar zouden ze de vlam van de westerse christelijke beschaving brandende houden tot de wereld uiteindelijk haar verstand weer gebruikte.
In die trant spraken ze, min of meer, de mannen die de scepter zwaaiden over de Nasionale Party en de veiligheidsstaat. En lange tijd dacht hij dat het recht uit hun hart kwam. Maar inmiddels niet meer. Hun gepraat over het redden van de beschaving, zo is hij nu geneigd te denken, is nooit iets anders dan bluf geweest. Achter een rookgordijn van patriottisme zitten ze op ditzelfde moment uit te rekenen hoe lang ze de voorstelling nog draaiende kunnen houden (de mijnen, de fabrieken) voordat ze genoodzaakt zijn hun koffers te pakken, alle belastende documenten te versnipperen en het vliegtuig te nemen naar Zürich of Monaco of San Diego, waar ze onder de dekmantel van holdingmaatschappijen met namen als Algro Trading of Handfast Securities al jaren geleden villa’s en appartementen voor zichzelf hebben aangeschaft als verzekering tegen de dag van de afrekening (dies irae, dies illa).
Volgens zijn nieuwe, herziene denkwijze houden de mannen die het moordcommando naar Francistown hebben gedirigeerd er geen op een misvatting berustende kijk op de geschiedenis op na, en al helemaal geen tragische. Sterker nog, ze lachen waarschijnlijk in hun vuistje om mensen die zo dwaas zijn om er enigerlei kijk op na te houden. En wat het lot van de christelijke beschaving in Afrika betreft, daar hebben ze nooit een minuut van wakker gelegen. En dit ? dit! ? zijn de mannen onder wier vuile duim hij leeft!

Nog nader uit te werken: zijn vaders reactie op de tijden in vergelijking tot de zijne: hun verschillen, hun (doorslaggevende) overeenkomsten.

J.M.Coetzee (Kaapstad 1940) schrijft romans, essays en verhalen. Hij is de enige auteur die twee keer de Booker Prize ontving, voor de romans Wereld en wandel van Michael K en voor In ongenade. In 2003 kreeg hij de Nobelprijs voor zijn gehele oeuvre. In zijn roman Dagboek van een slecht jaar verweeft Coetzee actuele teksten met een spannende plot. Onlangs verscheen een selectie uit zijn essays, speciaal voor zijn lezers in Nederland en Vlaanderen getiteld Wat is een klassieke roman? Nu in 2009 verschijnt dan dus: Zomertijd, het derde deel van zijn gefictionaliseerde autobiografie.

J.M. Coetzee, Zomertijd. Cossee, gebonden, 288 p., € 22,90. Vertaald door Peter Bergsma.

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer