15 november 2016

Ik zeg het maar zo jongen

Gisteravond heb ik gefascineerd gekeken naar de documentaire over Boudewijn Büch op NPO. Büch heeft me altijd geboeid. Zijn verbale enthousiasme, verzameldrift en barokke manier van leven sprak me altijd zeer aan zonder gelijk zijn voorbeeld te willen volgen. Er werd in de docu vooral ingezoomd op zijn liefdesleven. Dat boeit me eigenlijk maar matig. Ik hield erg van zijn reisprogramma’s en zijn boeken over reizen, cultuurgeschiedenis, schrijvers en verzamelingen.

Net als Büch vind ik atlassen geweldig en boog me er in mijn jeugd vaak overheen. Rijk aan schatten en een wonderschone, grafische ingang tot het rijk der verbeelding. Terra incognita, hinc sunt leones, prachtige termen die je gegraveerd ziet in een gebied op een landkaart dat nog onbekend en onbereisd is. Boudewijn Büch voelde zich op zijn gemak in delen van de wereld die  door weinig mensen bezocht waren. Op de vlucht voor het gemaniëreerde en deels ook leugenachtige leven dat hij zelf had vormgegeven, zo werd geponeerd in de documentaire. Ik denk dat dat waar is.

Ik miste helaas wel de duiding van het geestesleven van Büch gevormd door zijn jeugd, achtergrond, gezin en ouders. Samen met  Theo van Gogh, was Büch een van de markante figuren die ik in mijn studententijd leerde kennen. Ze vormden de intellectuele entourage van mijn nieuwbakken stadsleven. De briefwisseling (Wassenaarse brieven) tussen Van Gogh en Büch op de achterpagina van het studentenblad Propria Cures begin jaren negentig, vormden voor mij een wekelijks literair hoogtepunt. Dat Büch na zijn dood vrijwel onmiddellijk werd weggezet als een fantast en middelmatige verzamelaar, vond ik heel minnetjes. En zo Nederlands. Bewonderen kunnen we in dit natte landje maar matig. Iemand die zijn leven in het teken van de literatuur stelt en langzaamaan in zijn eigen ideale, literaire denkwereld de hoofdrol gaat spelen en erin gaat geloven, dat is, naast dat het uiteraard ook veel complicaties geeft, toch prachtig? ‘Ik zeg het maar zo jongen: Hemel en hel zijn in het hart van de mensen.’ (Boudewijn Büch: De hel. Novelle. 1990, p. 75).

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer